Tegenstrijdig 18de-eeuws toneel: oh, bevrijder, ik zal u eeuwig dienen!

Slavernij In toneelstukken uit de 18de eeuw die tegen slavernij ageerden, was de Europeaan wel moreel superieur aan de Afrikaan.

Schets van twee personages voor een toneelproductie.
Schets van twee personages voor een toneelproductie. Beeld uit proefschift/Allard Pierson Collectie

In de achttiende eeuw kon de Nederlandse burgerij zich vergapen aan toneelstukken die heel kritisch waren over slavernij. Maar wie die stukken goed bekijkt, ziet dat ze een tegenstrijdige boodschap uitdroegen: alle mensen zijn gelijk, maar de Europeanen zijn superieur.

Sarah Adams promoveerde in Gent op negen slavernijkritische stukken die in Nederland te zien waren tussen 1770 en 1810. Een bijzondere periode, waarin ideeën over vrijheid en gelijkheid opgang maakten, in de patriottenbeweging en in de Bataafse Republiek (1795). Het is ook de tijd van de Franse Revolutie en de Haïtiaanse Revolutie, waarin duizenden tot slaaf gemaakte Afrikanen vrijheid eisten.

In de Nederlandse schouwburgen trokken ‘burgerlijke treurspelen’, en ‘zedenkundig drama’s’ veel publiek. Op het toneel werden morele en politieke kwesties aangesneden. Waaronder dus de slavernij, in stukken als Monzongo, of de koningklyke slaaf, De negers en De blanke en de zwarte – allemaal melodramatische, sentimentele theaterproducties, die ongenietbaar zijn voor het eenentwintigste-eeuwse publiek, maar voor die tijd heel vooruitstrevend waren.

Veel ongerijmdheden

Als je daar nauwkeuriger naar kijkt, zie je veel ongerijmdheden. Alleen al in de context van zo’n voorstelling. Een acteur kon het publiek met pathos voorhouden dat de koffie „die wij drinken” gemaakt was „uit de tranen van de slaven”. Waarna het publiek in de pauze of na afloop onbekommerd zijn kopje koffie dronk.

Toneelschrijvers die vóór afschaffing van de slavernij waren, hadden soms zelf aanzienlijke belangen in economische activiteiten die direct verbonden waren met de slavernij op de plantages. Van een van hen is ook bekend dat hij zich op feesten en partijen graag verkleedde als komische zwarte. Wat mooi laat zien dat hij weliswaar vond dat alle mensen gelijk behandeld moesten worden, maar tegelijkertijd de zwarte medemens ook niet helemaal serieus kon nemen.

Dergelijke tegenstrijdigheden zie je ook terug in de toneelstukken zelf. Meestal is het uiteindelijk een weldenkende Europeaan die op het podium een einde maakt aan de slavernij. Hij beschikt over het lot van Afrikanen en Aziaten, niet de slaafgemaakten zelf.

Het publiek kon zich mooi met die weldenkende Europeaan identificeren

Het publiek in de schouwburg kon zich mooi met die weldenkende Europeaan identificeren. Ook omdat diens rol in het toneelstuk leek op de rol van de weldenkende vader die je in veel andere burgerlijke toneelstukken van die tijd tegenkomt: de vader moet dan bijvoorbeeld de orde in het gezin herstellen als een van zijn dochters in handen dreigt te vallen van een ongeschikte huwelijkspartner.

Affiche voor het toneelstuk De verlossing der slaaven. Beeld uit proefschift/Stadsarchief Rotterdam

De slaven zelf werden in de toneelstukken meestal opgevoerd als slachtoffers die hulp nodig hadden, soms als rebellen die veel te gewelddadig waren, en soms ‘gewoon’ als simpele zielen die van dag tot dag leefden en niet het historisch bewustzijn hadden dat het schouwburgpubliek wel had.

In een van de stukken zegt een slaaf: „Wy zyn altoos vrolyk; wy leven heden en genieten heden.” Als de slaven dan in de slotscène hun vrijheid krijgen, zijn ze soms zo dankbaar dat ze onmiddellijk hun diensten aanboden een degene die hen bevrijd heeft: „Mijn meester! Eeuwig, eeuwig zal ik u dienen.”

De toneelstukken die Adams analyseerde laten zien dat je in die tijd tegen slavernij kon zijn en tegelijkertijd kon geloven in een natuurlijke hiërarchie, waarin de Europeanen met hun verlichte ideeën moreel superieur waren, en mensen van Afrikaanse afkomst minder ‘beschaafd’ waren en op „den laagsten trap der menschheid” stonden.

Komische zwartgeschminkte figuren

De slavenrollen werden gespeeld door witte acteurs die zich geschminkt hadden, een pruik droegen, en soms ook zwarte maillots en handschoenen. Dat was natuurlijk een poging tot realisme, maar tegelijkertijd riep zo’n ‘blackface’ ook allerlei associaties op met komische zwartgeschminkte figuren uit vrolijke kluchten en carnavaleske optochten.

In de stukken werd door de ‘slaven’ soms ook gedanst en muziek gemaakt, met „keteltrommels, bekkens en andere negerinstrumenten”. Mogelijk gebeurde dat door zwarten die in Nederland verbleven, die hier werkten als personeel of (want dat kon in Nederland ook) als slaaf. Zulke muzikale intermezzo’s waren natuurlijk theatraal interessant. Het ging in die scènes altijd om blanken (bijvoorbeeld de meesters) die vermaakt wilden worden. Zo’n ogenschijnlijk vrolijk tafereel bevestigde de rolverdeling: een blanke zou nooit muziek gaan maken om de zwarten te vermaken.

Ook de slaven praten in deze toneelstukken vaak in termen van zwart en wit. Ze zeggen van zichzelf bijvoorbeeld dat ze weliswaar van buiten zwart zijn, maar van binnen wit. En over Europeanen zegt een slaaf ergens: „Hun hart is zwart – zwart als onze huid.”

„Deze toneelteksten leren ons heel veel over hoe er in die tijd tegen slavernij werd aangekeken”, zegt Sarah Adams. „Het is een boeiende denkoefening om na te gaan hoe ideologieën of denkbeelden voortdurend ook tegenstellingen in zich dragen, en hoeveel van de tegenstellingen die er toen waren nog altijd in ons denken zitten. Overigens kun je op deze manier ook naar hedendaagse kritische theaterteksten kijken, daarin ook op zoek gaan naar dingen die de centrale boodschap onderuit halen. Want dat is van alle tijden.”

Het proefschrift van Sarah Adams zal dit jaar in boekvorm verschijnen bij Amsterdam University Press.