Recensie

Recensie Theater

Sterke liedjes en frontale botsingen in ‘De andere Oudejaars’ van cabaretiers Beuving en Nederkoorn

Cabaret In ‘De andere Oudejaars’, zaterdag op televisie, zingen cabaretiers Jan Beuving en Patrick Nederkoorn originele liedjes over 2020 en ruziën ze over de misbaarheid van de kunstenaar.

Patrick Nederkoorn en Jan Beuving in ‘De andere Oudejaars’.
Patrick Nederkoorn en Jan Beuving in ‘De andere Oudejaars’. Foto Maartje ter Horst

Jan Beuving en Patrick Nederkoorn zetten hun De andere Oudejaars schitterend in: met een lied van veertien minuten vanuit het perspectief van Aart Staartjes, die op 12 januari omkwam bij een auto-ongeluk („Ik zie mezelf liggen als ik mijn lichaam verlaat”) en vervolgens van „boven” het jaar en het „wereldgewoel” doorneemt („Ik zie bedden die zich vullen”). Hij noemt de beroemde doden: „Maar de meesten zijn naamloos naar boven gegaan.”

Het is een dramatisch exposé dat het lijden van 2020 terugroept. „Hoogbejaarden geïnterneerd voor onbepaalde tijd/ Wie niet sterft aan corona gaat dood aan eenzaamheid.” „Met dalende lijnen wordt de lockdown uitgeluid/ Maar de wiskunde wist al die doden niet uit.” Over de reacties op de dood van George Floyd: „De toon is verhard, want de knie is weer wit en de nek is weer zwart.”

Net als bij de teleurstellende oudejaarsconferences van Youp van ’t Hek, Guido Weijers en Dolf Jansen valt er weinig te lachen bij Beuving en Nederkoorn, maar ze doen er ook minder opzichtige pogingen toe. Niet lachen hoort ook tot de coronaregels zeggen ze: „Een dag niet gelachen, is een dag langer geleefd.” Hun „andere” oudejaars is echt anders, dankzij rijmende liedjes, begeleid door Tom Dicke op piano, en sketches waarbij ze elkaar flink in de haren zitten. Hun frontale botsingen vormen een slimme illustratie van de verdeeldheid in het land. Het anders denken is de grote constante in deze oudejaars.

Lees ook: ‘Onoprecht zijn gaat me steeds slechter af’

Puntige oneliners

Wiskundige Beuving vond het dankzij het belang van getallen een prachtig jaar. Zelfs de ontploffing in de haven van Beiroet juicht hij toe. Ook in de discussies over de vraag of kunstenaar een vitaal beroep is, speelt hij de harteloze tegenvoeter, die zichzelf „realist” acht. „Het misverstand bij kunstenaars is dat ze denken dat het recht op erkenning hetzelfde is als het recht om van de kunst te kunnen leven”, betoogt hij. Dat het weerwoord van Nederkoorn niet overtuigt, is misschien typerend voor de beroepsgroep, maar evengoed een gemiste kans.

Aan dat euvel lijden meer liedjes en sketches. Tot op zekere hoogte leuk bedacht en goed gemaakt, maar met weinig prik. Het lied over de vette jaren die voorbij zijn, blijft steken in die constatering en een schamplied op de alomaanwezigheid van viroloog Ab Osterhaus houdt het op een mild „We zijn niet te benijden.”

Daar komt bij dat Beuving en Nederkoorn in een leeg theater Flint in Amersfoort spelen. Dat doet de voorstelling, die soms vraagt om interactie met publiek, geen goed. En ze zijn toch al geen performers die indruk maken met geraffineerd acteerwerk.

Maar het duo biedt genoeg geslaagde nummers en puntige oneliners om deze oudejaars ook in een sfeerloze ambiance overeind te houden. Met name de ode aan de gebarentaal is memorabel, door het lied waarin gebaren het refrein vormen. Een kunststukje op zichzelf.

In het slotdeel valt veel op zijn plaats, met een sterk lied over de onverwoestbaarheid van de waarheid, een meezinger over de klimaatcrisis en de verrassend optimistische conclusie van Nederkoorn dat dit „het Jaar van de Ander” was. Hij heeft het laatste woord. Er was een probleem dat de ander kon raken en dat hebben we met zijn allen ons probleem gemaakt, stelt hij. „Met die houding komen er andere tijden.”