Recensie

Recensie Boeken

Op zoek naar de perfect werkende klok

Christiaan Huygens Uiteindelijk werd hij overvleugeld door Isaac Newton. Was dat wel terecht, vraagt de auteur van een nieuwe Huygens-biografie zich af?

Christiaan Huygens, in 1671 geschilderd door Caspar Netscher.
Christiaan Huygens, in 1671 geschilderd door Caspar Netscher. Illustratie Collectie Kunstmuseum Den Haag

Het voorspellen van de toekomst was in de zeventiende eeuw nog altijd het werkterrein van astrologen, heksen, en onheilsprofeten. De angst voor voortekenen zat intussen bij iedereen. De moeder van Christiaan Huygens had tijdens haar zwangerschap op straat een zwaar misvormde jongen waargenomen, en vreesde nu zelf ook een mismaakt kind ter wereld te brengen. Vader Constantijn Huygens (1596-1687), op dat ogenblik al een gevierd hoveling en dichter, tekende na de geboorte nuchter op dat de jongen wel degelijk ‘zonder enig letsel of gebrek’ ter wereld was gekomen. Of hij hem ook nog had geknepen, vertelt het verhaal niet.

Vader Huygens was een gulzig volger van de kunsten en wetenschappen. Het is bekend, hij zag het talent van Rembrandt al toen deze nog een jongen was, hij leerde al vroeg de avonturier en uitvinder Cornelis Drebbel kennen, die experimenteerde met onderzeeboten. Hij ging op bezoek bij Francis Bacon en raakte bevriend met René Descartes. Dit zijn ontmoetingen die ook verraden dat hij een enorme hang naar nieuwigheid had, deels uit sensatiezucht ongetwijfeld, maar ook uit pure wetenschappelijke interesse. En misschien ook ambitie. Hij speculeerde graag over mathematische en natuurkundige vraagstukken. Toch koos hij ervoor om zijn leven te slijten als secretaris van stadhouder Frederik Hendrik.

Zijn kinderen gingen niet naar school maar kregen thuis een voorbeeldige opvoeding in talen, kunsten en wetenschappen. Aan zoon Christiaan (1629-1695) bleek dat uiteindelijk het beste besteed. Al in zijn kinderjaren overvleugelde hij zijn liefhebberende vader op zo goed als alle wetenschappelijke terreinen. Nog voor zijn dertigste gold Christiaan als een van de belangrijkste geleerden van zijn tijd.

In Een eeuw van licht. Het leven van Christiaan Huygens ruimt de Britse wetenschapshistoricus Hugh Aldersey-Williams veel plaats in voor de leef- en denkwereld van Christiaans vader Constantijn. Dat geeft een mooie contrastwerking. Waar zijn vader nog als een liefhebber met de grote denkers van zijn tijd naar believen wat balletjes kon opgooien over oorzaak en gevolg aan de hand van losse observaties, daar werd door de volgende generatie het bedrijven van wetenschap een kwestie van goed kijken, meten, nog eens meten, rekenen, hypotheses opstellen, en die wiskundig uitwerken. Zonder kennis van de net uitgevonden differentiaalrekening had het al geen zin meer om aan natuurwetenschappelijke debatten mee te doen.

Voorspeller

Zo snel ging het. Om die revolutionaire snelheid te ervaren, volgt Aldersey-Wiliams Christiaan in zijn eerste experimenten met het slijpen van lenzen, het bouwen van zijn eigen telescopen, het kijken naar de nachtelijke sterrenhemel, en de eerste spectaculaire ontdekkingen, zoals die van een maan rond Saturnus. Hij was toen 25 jaar. Kort daarna ontdekte Huygens de ring rond deze planeet. Belangrijker waren nog zijn grondig onderbouwde speculaties over de bewegingen van hemellichamen. Ook Huygens werd een voorspeller van de toekomst. Hij legde zich in 1659 erop vast dat in 1671 de ring van Saturnus voor enige tijd onzichtbaar zou worden. Een staaltje knap waarnemen, deduceren en rekenen.

Het kwam precies uit. Huygens bleek door zelf zijn lenzen te slijpen, telescopen te bouwen, en ook zelf de observaties te doen, in staat om in korte tijd een voorsprong te nemen op andere experimentele wetenschappers. Want sinds de techniek van het lenzen slijpen aan het begin van de zeventiende eeuw in de Republiek een grote sprong maakte, ontstond er een ware jacht op antwoorden op alle denkbare natuurkundige, astronomische en biologische vraagstukken. Met alle concurrentie die daar bij hoorde. Huygens stond al vroeg hoog in de Europese pikorde, werd zelfs door Lodewijk XIV voor een enorm jaarsalaris naar Parijs toegehaald om daar een Academie van Wetenschappen op te zetten.

Toch werd bij alle erkenning en materiële weelde het leven voor Huygens ook steeds wat zwaarder. Wetenschap mag objectief gesproken over het vergroten van kennis gaan, subjectief gaat het vooral om eer en erkenning, die alleen met het doen van grote ontdekkingen verworven kan worden. Dat is nu zo, dat was in de zeventiende eeuw niet anders. Huygens belandde in tal van discussies over wie als eerste bepaalde ontdekkingen had gedaan, of verklaringen had gesuggereerd. Het leverde mooie debatten op met beroemde geleerden als Pascal, Mersenne, Fermat, Hobbes, Leibniz en vooral ook de jonge Newton, die naderhand een groot aantal natuurwetten op zijn naam wist te schrijven.

Newton zou Huygens uiteindelijk in de ogen van latere generaties overvleugelen, en zelfs in de vergetelheid drukken. Aldersey-Williams stelt de – voor een biograaf wat retorische – vraag of dat terecht is. Huygens begon met weinig tot niets, en zorgde ervoor dat Newton een vliegende start kon maken. Newton erkende dat ook. Zelfs Einstein was nog weer later zo ruimhartig om toe te geven dat voor zijn eigen relativiteitstheorie bij Huygens al de aanzet te vinden was.

Slingeruurwerk

Veel vernieuwing kwam bij Huygens voort uit zijn ambitie om perfect werkende klokken te maken: precies in de weergave van de tijd, bestand tegen hitte of stormweer op zee, en doortikkend bij de afwijkende werking van de zwaartekracht ter hoogte van de evenaar. Het centrale hoofdstuk in Een eeuw van licht heet niet toevallig ‘Tijd en verandering’; het bevat een juweel van een beschouwing over hoe de grote zeevarende naties allemaal worstelen met het probleem om op volle zee de lengtegraad te bepalen. Een onverstoorbaar werkende klok zou dat in combinatie met een sextant kunnen verhelpen. Zoals wel vaker werd het zoeken naar oplossingen voor zo’n praktisch probleem een kronkelweg die uiteindelijk naar heel fundamentele theoretische inzichten leidde. En die Huygens de uitvinding van het nauwkeurig lopende slingeruurwerk opleverde.

Een eeuw van licht excelleert in het soepel aanbrengen van dwarsverbanden. Aldersey-Williams’ manier van essayeren doet regelmatig denken aan Simon Schama, die achterin ook niet toevallig een bedankje krijgt. Dat er af en toe heel wilde pirouettes worden uitgevoerd, zoals in een lyrisch exposé over het bijzondere van het Hollandse licht, waarin ook Claude Monet en Joseph Beuys figureren, ademt helemaal de sfeer van Overvloed en onbehagen.

Nog wat zwaarder is de slagschaduw van een ander boek, de briljante biografie over Christiaan Huygens Titan kan niet slapen van C.D. Andriesse, uit 1993. Andriesse, zelf natuurkundige, is daarin zo totaal meester over zijn onderwerp Huygens, en kan ook nog eens zo goed schrijven, dat het bijna niet mogelijk is daarmee te concurreren. Maar ook Een eeuw van licht mag er zijn.