Necrologie

Het was puur toeval dat Sonja Pos (1936-2020) de oorlog overleefde

De laatste bladzijde In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Sonja Pos was dichter en schrijver en promoveerde op het werk van W.F. Hermans.

Sonja Pos bij haar promotie in 2007 op zeventigjarige leeftijd.
Sonja Pos bij haar promotie in 2007 op zeventigjarige leeftijd. Foto privécollectie

‘Gedenk de overlevenden / de oude overlevenden // sprakeloos om elke ademtaal / werden ze teruggevoerd / de breekbare getuigen / van de verschrikking // ze deden alles / wat men verwachtte / aten dronken / waren dankbaar / keken verstoten / om zich heen’, schreef Sonja Pos in haar dichtbundel Het efficiënte vergeten (1963). De regels gaan over de Joden die de Holocaust overleefden, maar in zekere zin ook over Sonja Pos zelf.

„Er zijn twee diepgaande ingrepen van buitenaf die haar leven hebben bepaald: het omkomen van een groot deel van haar Joodse familie tijdens de oorlog, en de zeldzame spierziekte, myasthenia gravis, waaraan zij vanaf haar zestiende leed”, zegt Willemijn Stokvis, een vriendin van Pos. Het jodendom speelde op zichzelf geen grote rol, legt ze uit, maar wel het gemis van haar familie, met name van haar even oude neefje dat in Auschwitz omkwam.

Niet dat ze veel sprak over de oorlog, vertelt haar zoon Frans ten Have. Omdat Pos geen kinderen kon krijgen, adopteerden zij en haar toenmalige man hem op anderhalfjarige leeftijd. Dat Sonja Pos, haar moeder en zuster de oorlog overleefden, was puur toeval. „Ik heb altijd begrepen dat zij met haar moeder en zusje in Amsterdam-Oost woonden tijdens een razzia. Dat de Duitser die ze kwam halen aan tafel kwam zitten, er weinig zin in had en ze liet voor wat ze waren, terwijl de familie even verderop wel werd weggevoerd.” Haar vader was er al niet meer, hij had zelfmoord gepleegd.

Sonja Pos schreef niet alleen gedichten over het gemis, ook de roman Daglicht (1993) draait om de verwerking van de naoorlogse jaren.

In een andere roman, Een paar woorden per dag uit 1985, vertelde ze over de sfeer in het ziekenhuis waar ze in 1974 vanwege haar ziekte enkele maanden verbleef. „De ziekte was heel erg aanwezig en trok een wissel op haar relaties”, vertelt haar zoon. Haar man verliet haar voor een andere vrouw toen ze in het ziekenhuis lag. Ook daarna speelde haar ziekte een rol. „Mijn relatie met haar werd er eveneens door beheerst. Ik stond in de supermarkt wanneer ik eigenlijk huiswerk moest maken. Enerzijds wilde ze niets weten van de ziekte, anderzijds had ze hulp nodig.”

Sonja Pos Foto Ronald Sweering

Het probleem was ook dat haar ziekte niet werd begrepen, zegt Willemijn Stokvis. „Dat kwam omdat ze soms goede periodes had, en dan wist niemand wat ze met de slechte tijden aan moesten. Het is tragisch dat ze vanaf haar zestiende heel veel medicijnen moest slikken, maar dat die tegelijkertijd haar lichaam nog verder kapot hebben gemaakt. Ze werd er ook heel erg druk door, boos en moeilijk in de omgang. Pas toen de medicijnen werden afgebouwd, werd ze rustiger.”

Ze hechtte aan haar autonomie, vertelt haar zoon Frans ten Have. Dat kwam tot uitdrukking in haar intellectuele werk. Vanwege de spierziekte kon ze al vroeg fysiek niet meekomen, waardoor het intellectuele domein steeds belangrijker voor haar werd. Ze schreef voor literaire tijdschriften als De Revisor en Hollands Maandblad, was criticus voor Literair Paspoort, en vertaalde uit het Frans.

Jaren was ze bezig met het werk van W.F. Hermans dat ze koppelde aan het werk van de Franse antropoloog René Girard, een onderzoek waar ze in 2007 op promoveerde: ‘Dorbeck is alles’. Thema’s, motieven en composities in enkele romans van WF Hermans, bezien vanuit de theorie van René Girard over navolging, rivaliteit en zondebokmechanisme. „De dag van haar promotie was indrukwekkend”, vertelt Frans ten Have. „Het gebeurt niet vaak dat iemand van zeventig nog promoveert. De erkenning vanuit de Girard-kring betekende ook veel voor haar.”

De autonomie had ook een keerzijde: ze wilde ook niet geholpen worden toen ze dermate veel last van staar kreeg dat ze bijna niets meer zag en viel. Na een heupoperatie mocht ze nog naar huis omdat ze dat per se wilde, maar eigenlijk ging dat al niet meer, vertelt haar zoon.

In het voorjaar van 2020 viel ze wederom en kwam terecht in het verpleeghuis Beth Shalom. „Ook daar gaf ze telkens aan: ik ben een autonome vrouw en ik wil naar huis, maar dat was niet realistisch meer. Ze was erg onvriendelijk tegen de mensen die haar verzorgden, wilde niet bezig zijn met de dood en regelde ook niets. Ik moest enerzijds, omdat ik zelf ook arts ben, alle gesprekken voeren, anderzijds was ze boos wanneer ik iets wilde bespreken. Dan moest ik me er niet mee bemoeien en vond ze dat ik me als arts opstelde in plaats van als haar zoon. Het was eigenlijk gewoon nooit goed genoeg. Als je te dicht bij haar autonomie kwam, kreeg je een tik op je vingers.”

Uiteindelijk wist ze dat ze nooit meer naar huis zou kunnen en gaf ze aan, toen ze longontsteking kreeg in november vorig jaar, dat ze niet meer intensief behandeld wilde worden. „Ze had veel levenskracht, ondanks haar ziekte,” zegt haar zoon, „maar toen ze door had dat ze in het verpleeghuis zou blijven, zei ze: ik ben langzamerhand aan het verdwijnen.”