Gezond eten is maar het halve werk

Hardlopen In Eet als een atleet: hardloop editie worden wilde claims weerlegd. Drie liter water per dag? 2,2 liter vocht is genoeg. En supplementen? Slechts een enkele krijgt het predikaat ‘zinvol’.

Foto Getty Images

Ik weet niet of het een compliment is als iemand ‘je eet als een atleet’ tegen je zegt, maar als boektitel werkt het geweldig. Na het succes van Eet als een atleet (2017), geschreven door sportdiëtisten Vera Wisse, Saraï Pannekoek en Titia van der Stelt, is er nu Eet als een atleet: hardloop editie. Zelf denk ik bij een atleet meteen aan een hardloper, wat de titel voor mij nog best raadselachtig maakte (een soort: ‘Kijk naar het heelal: de universum-editie’), maar misschien is dat beroepsdeformatie. Ik ben hoofdredacteur van een hardloopblad.

Voordat ik verzand in persoonlijke voedingsontboezemingen, wil ik gezegd hebben: Eet als een atleet: hardloop editie deugt, volgens mij. Zoals vrijwel ieder boek over sport en voeding pretendeert het nuchter naar de feiten te kijken – de hypes, dat zijn de anderen. Maar de toon is inderdaad behoorlijk nuchter en het is zo opgeschreven dat zelfs ík het begrijp.

Bovendien wist ik oprecht niet dat eieren maar weinig eiwit bevatten. En dat iedereen, mezelf incluis, je weliswaar aanraadt om magnesium te slikken tegen spierkramp, maar dat het effect daarvan nooit wetenschappelijk is bewezen.

Lees ook: Niet te snel willen, en zo nog 7 tips voor de beginnende hardloper.

Receptjes

Naast een stevig doortimmerd stappenplan en specifieke adviezen voor ijkpersonen Monique, Abdul, Els, Jason en Suzie, bevat het boek behoorlijk wat receptjes. En dat, geloof me, is goed. Toen ik aantrad als hoofdredacteur van Runner’s World was ik daar niet zo van, receptjes. Maar wow, wat ben ik daar op teruggekomen. Leg een hardloopblad zónder receptjes voor aan een willekeurig panel, en je wordt bijkans gestenigd.

Zelfs een bekende oud-voetballer begon erover, toen we ergens in de krochten van de Johan Cruyff Arena aan elkaar werden voorgesteld: „Runner’s World? Ja, dat ken ik wel. Die bewaar ik altijd, voor de receptjes!”

Ik kén, dat speelt in alle eerlijkheid mee, ook gewoon niet zo heel veel recepten. Als de ober aan mijn tafel de menukaart komt voorlezen vraag ik me altijd af of al die andere gasten deze ingrediënten wel herkennen, of dat we met z’n allen onderdeel zijn van een absurdistisch toneelstuk. „Als voorafje serveren we een trombone van moefassa op een bedje van makimakiwortel.”

En of je dan moet zeggen: „Makimaki! Dát hebben we lang niet meer gegeten. En dan met een trombone! Hoe kóm je erop!”

Het kan ook iets met mijn eigen doofheid in drukke ruimtes te maken hebben. Zo verstond ik ooit: „Hoe graag wil je ’m?”, toen ik een biefstuk bestelde en de serveerster me vroeg: „Hoe gaar wil je ’m?” Wat leidde tot de volgende, bijna filosofische monoloog: „Hoe graag wil ik ’m? Nou, wel graag, denk ik. Hoezo? Is er nog iemand die ’m wil? Dan moet hij ’m maar nemen, hoor. Ik bedoel: zó graag wil ik ’m nou ook weer niet! Maar… is er dan maar één? Tja. Poeh. Hoe graag willen we nu écht iets in het leven. Toch?”

Supplementen

In het hoofdstuk over hydratie zet het boek zich af tegen de wilde claims die daarover rondgaan („drink drie liter water per dag!”). „Dagelijks heb je gemiddeld 2,2 liter vocht nodig, dat je zowel uit eten als drinken haalt”, lees ik. Ook het gevaar van te véél water drinken wordt besproken. En dat waardeer ik, merk ik, want voortdurend hydrateren lijkt me toch vooral een teken van de tijd. Vergelijk oude lagereschoolfoto’s met die van nu en je ziet misschien dat de meester toen nog een pijp rookte, maar ook dat geen van de kinderen een bidon met water op het tafeltje had staan.

Natuurlijk geeft het boek ook antwoord op de vraag die mij met voorsprong het vaakst door hardlopers wordt gesteld: „Zou ik supplementen moeten slikken? En zo ja, welke dan?” Eet als een atleet: hardloop editie verwoordt het zo: „Laten we de sportvoedingspyramide er nog even bij nemen. Het topje bestaat uit supplementen. Er zijn meer overbodige dan nuttige supplementen. En het is belangrijk om je te realiseren dat het gebruik ervan uitsluitend nuttig kan zijn wanneer je de eerste én de tweede laag van de sportvoedingspyramide geoptimaliseerd hebt. Als je supplementen gebruikt zonder fundament draai je de pyramide eigenlijk om. In plaats van eerst heipalen in de grond te slaan om je huis op te bouwen, denk je dat luciferhoutjes ook wel prima zijn.”

In de daaropvolgende lijst krijgen twee supplementen (gelatine en vitamine D) het eervolle predikaat „zinvol bij blessurepreventie” mee. Bij bietensap en cafeïne, dat vooral bij marathons wordt gebruikt, luidt het oordeel: „kan nuttig zijn”. Andere supplementen worden afgeserveerd, al komen een paar (antioxidanten, ijzer, multivitamines) er nog aardig vanaf met: „Niet zinvol als standaard supplement, een goede basisvoeding levert voldoende.”

In die laatste toevoeging schuilt uiteraard de crux. Hoeveel hardlopers nemen écht een goede basisvoeding tot zich, zelfs na lezing van dit boek? Als je genoeg hardloopt, hoef je nooit te trainen. En dat geldt voor goede voeding natuurlijk ook.

Er is zelfs een woord voor sporters die alles doen (of kopen) om één procent beter te worden, maar de andere 99 procent vergeten: one-percenters. Ik ben ook een one-percenter, vrees ik, vooral op supplementen- en schoenengebied. Maar na lezing van dit boek nam ik me voor om tóch weer eens te kijken wat ik de rest van de dag eigenlijk eet.

Eet als een atleet: hardloop editie, Titia van der Stelt en Vera Wisse, uitgeverij I’m a Foodie, 128 blz., 18,99 euro.