Recensie

Recensie Boeken

Hij leert een leuke jongen kennen, er bloeit iets op

Roelof ten Napel Waar het eerder ging over de ontdekking van zijn ongeloof, gaat het nieuwe boek van Roelof ten Napel (1993) over de kennismaking met (homoseksuele) liefde.

Foto Getty

Wie een ander wil liefhebben, moet eerst zichzelf kunnen liefhebben. Die waarheid kun je zo formuleren als een tegeltjeswijsheid, maar komt pas overtuigend over wanneer het een eigen vorm krijgt, met waarachtig aandoende details – op eigen wijze gloednieuw gemaakt.

Dat moet de inzet zijn geweest van Een zoon van, de derde roman van Roelof ten Napel (1993). Dat past bij zijn jonge oeuvre, dat al sterke eigenzinnigheid vertoont en onderlinge verknooptheid, in thematiek en metaforiek: zoals de ‘ik’ in zijn poëziedebuut Het woedeboek (2018) soms de gedaante van een wolf aannam, zo heet de hoofdpersoon nu Wolff. Zoals het eerder ging over de ontdekking van zijn ongeloof, die verlies van een thuis in de taal betekende, en pijn veroorzaakte, zo gaat die ook nu samen met de kennismaking met (homoseksuele) liefde. ‘Wat heeft een mens eraan/ als hij de wereld wint, maar daaraan schade lijdt?’ dichtte Ten Napel in In het vlees (2020).

De thema’s krijgen ditmaal vooral vorm in gedachten, niet zozeer in scènes. Zelfs waar je van scènes kunt spreken – Wolff die zich zijn eerste kus herinnert, in zijn studiestad komt wonen en vrienden vindt – mondt het meestal in gesprekken uit. Een zoon van is geen boek dat de geloofsval van een gereformeerde jongen nog maar eens wil boekstaven, het wil verder. Verwerken door te denken en te schrijven, zoals Wolff poëzie ziet: hij voert ‘het kleinste gesprek dat ik bedenken kan’.

Leuke jongen

Ten Napels compromisloosheid levert in de eerste plaats een oprechte vertelling op, omdat hij vastbesloten de diepte zoekt – en vindt. Het hoogtepunt is een lang gesprek van Wolff met een oude vriend, die vertelt hoe hij verliefd werd op een gelovig meisje, waarbij zijn eigen goddeloosheid in de weg stond en hem beurtelings naar de afgrond en God trok. Knap, hoe Ten Napel zo’n gegeven (een gesprek óver gesprekken) tot iets vloeiends en levendigs heeft gemaakt.

Maar wat die scène precies doet in de roman, in Wolffs verhaal, is een tweede. Wolff heeft veel uit te zoeken, maar weinig richting. Ja, hij fantaseert hoe zijn vader opgegroeid zou kunnen zijn, ook een levendige scène, ja, hij leert een leuke jongen kennen, er bloeit iets op. Maar zo gemakkelijk als Ten Napel verhaallijnen introduceert laat hij ze ook weer wegzweven, om door te gaan met denken. Hij stelt daarbij de lezer op de proef: het verhaal neemt rücksichtslose tijdsprongen en verwijlt wel heel omstandig in overdenkingen van filosofen en theologen. Hoe helder Ten Napel ook formuleert, zwaar verteerbaar blijft het. En soms mist een minder kerkelijk geschoolde lezer echt iets, zoals wanneer het gaat over de vraag van theoloog Bonhoeffer ‘hoe mensen rechtvaardig kunnen worden voor God’ – wat is dat? Wanneer een personage ook nog blind wordt, zomaar ineens, lijkt Ten Napel zich wel erg weinig om het (on)geloof van zijn lezer te bekommeren.

Ergens past het bij Wolffs queeste naar zelfacceptatie dat je soms buitenspel staat. Maar de weerbarstigheid waarin Ten Napel zich nu wentelt, veronachtzaamt wat een roman vermag en vereist: dat je het zou willen volgen, en dat er dan iets over te brengen valt. Ten Napel bezit, getuige zijn eerdere werk, het talent méér te voeren dan het ‘kleinste gesprek’.