Recensie

Recensie

Seks of ziekte, baby’s en dieren: millennials schrijven vooral over gemis en verlangen

Millennialromans Wat kenmerkt de literatuur van het nieuwe millennium? Gevoel en verbinding zijn hét onderwerp voor de schrijvers van nu: zij onderzoeken het besef dat het individu niets is zonder relatie tot de ander.

Foto Getty

Het gebeurt niet iedere dag dat je een nieuwe generatie in de literatuur kunt aankondigen. Maar nu is er daadwerkelijk een opgestaan: die van de millennials. Deze dertigers begonnen een jaar of tien geleden te schrijven met veel talent en weinig tamtam. Ze verenigden zich niet met grote gebaren, luide claims of manifesten. Geen competitie en polemiek, maar vriendschappen en hoffelijkheid. Literaire voorgangers worden bewonderd en geciteerd, niet afgebroken. Zelfs hun personages verhouden zich zachtaardig tot anderen: die verhouding is zelfs de kern van de zaak geworden. Literatuur is niet langer, zoals Karin Amatmoekrims schoolgaande hoofdpersoon in Het gym (2011) het verwoordde, een verhaal dat zich afspeelt ‘in het hoofd van een man’ die ‘kleine dingen heel erg groot maakt’. Behalve een hoofd hebben de romans van nu ook een hart. De millenial-roman gaat niet over hoofden die denken, maar over lichamen die voelen.

‘Affect’ heet dat in de literatuurwetenschap, met de klemtoon op de tweede lettergreep. De eerste studie over de millennialroman heet dan ook Affectieve crisis, literair herstel. Hans Demeyer en Sven Vitse haalden de hele boekwinkel leeg en laten zien hoe belangrijk gevoel is in de (Nederlandstalige) roman van nu. Seks of ziekte, vriendschap en zorg, baby’s en dieren: de romans van millennials (geboren tussen 1980 en 1990), blijken over te stromen van affect. Het gaat over hechting bijvoorbeeld, over gemis en vooral verlangen. Het lijkt dus vooral een gemeenschappelijk thema dat de millennials tot een literaire generatie maakt. Voor Niña Weijers, wier naam het meest genoemd wordt in Affectieve crisis, literair herstel, ervaart het als een ‘knellend korset’, vertelde ze in haar Kellendonklezing van vorig jaar: ‘Waarom nam men zo gemakkelijk aan dat leeftijd en geslacht de belangrijkste basis vormden voor verwantschap? Waarom ging het altijd over thematiek en nooit over stijl?’

Haar klacht is niet gehoord. Het boek van Demeyer en Vitse is thematisch georganiseerd rond de crisis van het affect. In de zestig romans die ze analyseren, treffen we talloze onthechte personages die vaak zo ver mogelijk reizen, om daar niet te vinden wat ze thuis misten. De ironie van de vorige generatie (Kellendonk, Thomése, Mutsaers) is door de millennialauteurs ten grave gedragen, maar een nieuw antwoord hebben ze niet. Je kunt de generatie ook, met een Franse essayist, ‘kinderen van de leegte’ noemen. Op het hoopvolle ‘einde van de geschiedenis’, na de val van de Muur in 1989, volgde al snel het einde van de wereld zoals we die kenden, door 9/11 en de klimaatcrisis.

Onthecht

Dat betekent dat de huidige generatie dertigers het optimisme van hun ouders niet kan delen, en dat het kapitalisme het enige alternatief is. Die ideologie ligt, zo beschrijven Demeyer en Vitse, ten grondslag aan zowel de maatschappelijke als de affectieve crisis, aan de verkilling en onthechting, die maakt dat zelfs het verlangen uitgeput en gecommercialiseerd is geraakt. Terecht halen ze de filosoof Lauren Berlant vaak aan, die het individu in haar boek Cruel Optimism (2011) beschrijft als failliet. Daardoor zijn gevoelsrelaties voor Demeyer en Vitse in de huidige roman vooral zaken waarop de mens is ‘teruggeworpen’ en waaruit die zich moet bevrijden om zich te richten op datgene wat er werkelijk toe doet: het bekritiseren van het neoliberaal kapitalisme.

Gevoel is altijd ook maatschappelijk, in de visie van Demeyer en Vitse. Lichamen in romans van millennials blijken politiek geladen. Ze voelen ‘heteronormatief’ als ze (bijvoorbeeld door zwangerschap) aan een norm voldoen, of ‘ongepast’ als ze dat niet doen. Het lichamelijke is zo de plek waar de ‘affectieve crisis’ kan worden opgelost door intimiteit, maar ook wordt benadrukt als het misgaat. Dat geldt vooral waar het gaat om misbruik en racistisch of seksueel geweld. Wanneer je geen lichaam meer hebt, maar een lichaam bent, zoals Wytske Versteeg het noemt in haar essay Verdwijnpunt (2020). Maar ook dan schuilt er hoop in relaties en medemenselijkheid. Versteegs incestverhaal begint met de eenzaamheid van een kliniek, maar eindigt in verbinding: ‘En later, als ik mijn hond uitlaat, een dove man met wie ik zonder woorden een gesprek voer, gebarend over zijn hond en de mijne terwijl om ons heen de avond valt’.

Dat dit relationele herstel hier zonder woorden begint, wijst erop hoe moeilijk het is wat de schrijver van nu probeert: een brug te slaan tussen hoofd en lichaam, kunst en affect. Neem Vallen is als vliegen, de briljante roman waarin Manon Uphoff (geen millennial, overigens) getuigt van een lichamelijke ervaring die geheel verknoopt is met het denken, en met taal. Het monster, een verkrachtende vaderfiguur, is ook degene die kennis en schoonheid brengt, die de wereld van wetenschap en kunst opent voor zijn slachtoffer.

Lege wereld

Daarom is het de vraag of de nadruk op gevoel en verbinding in de millennialroman louter gelezen moet worden als een poging tot ‘reparatie’ van de lege wereld van na de financiële crisis. Zou het niet ook gaan om de emancipatie van het gevoel, het lichaam, rouw en pijn, zwangerschap en liefde, als literaire thema’s? Dan zou de roman van nu een reactie zijn op het einde van het patriarchaat, een woord dat bij Demeyer en Vitse zelden valt. Zij zien gevoel in literatuur vooral op de voorgrond treden wanneer kennis en cognitie ‘tekortschieten’. Die hiërarchie doet geen recht aan de synthese die er wordt gezocht. Na de vragen van het modernisme (hoe kan ik de wereld kennen?) en het postmodernisme (is de wereld niet alleen een constructie die ik maak?) worden er in de roman van nu nieuwe vragen gesteld: wie ben ik in relatie tot mijn lichaam, de wereld en de ander? Net als de filosofie heeft ook de literatuur ontdekt dat het ‘ik’ niet centraal staat, niet eens bestáát, zonder de omgeving en de anderen. Eerder dan van een crisis of ‘kortsluiting’ van het gevoel moeten we spreken van de ontdekking van het lichaam, relaties en gevoel. Het ‘naakte bestaan’ is nu een onderwerp voor kunst en literatuur, waar dat vroeger tot het domein van de ‘damesroman’ werd gerekend.

Hoe schrijf je daarover, zonder dat het kitsch wordt? Kan dit besef iets anders opleveren dan liefdesromans? En hoe rijm je dat met de autonomie, die toch de grootste ontdekking van de 20ste eeuw was? En met de emancipatie van de vrouw, die zich net uit de knellende gezinsbanden had verlost? Dat vragen de kunstenaars van nu zich af – en niet alleen de millennials.

Anjet Daanjes De herinnerde soldaat, verreweg de beste roman van de afgelopen jaren, is een onderzoek naar het verdwenen autonome subject. Omdat Daanjes hoofdpersoon is vergeten wie hij is, bestaat hij alleen bij de gratie van het feit dat de anderen zich hem herinneren en liefhebben. Die herinnering is natuurlijk per definitie een vervalsing van het ‘echte’ ik. De pijnlijke ontdekking van deze soldaat dat hij louter is wie zijn vrouw en kinderen weerspiegelen, duidt op meer dan een gevolg van geheugenverlies. Het is een universeel inzicht: we moeten de fantasie van een autonoom ‘zelf’ loslaten en accepteren dat we bestaan bij de gratie van affectieve relaties met anderen. Dat gaat gepaard met een trauma: met pijn en verlies.

Joost de Vries

Hetzelfde trauma zien we in Wij zijn licht van millennial Gerda Blees, het meest opmerkelijke literaire experiment van 2020. Hier is al helemaal geen sprake meer van een hoofdpersoon, maar van een koor aan ‘wij-stemmen’. Nadat in een commune een vrouw is gestorven aan verwaarlozing, blijkt hoe sterk zij juist was verbonden met de wereld. ‘Wij’, de vertellers, zijn de ouders, de buren, de politie, maar ook een geur, geitenwollen sokken, het brood en: het licht. Allemaal hebben ze de gestorven vrouw gezien. Het in-relatie-zijn, zo laat Blees zien, is zowel de vernietiging als de redding van de mens.

Hoewel de al te recente roman van Blees niet voorkomt in Affectieve crisis, literair herstel, past het verhaal mooi bij wat Demeyer en Vitse zien als een relationele vorm van affect. Daarnaast zien ze nog allerlei andere vormen, die ze op volgorde van politiek-zijn zetten. ‘Transcendent’ affect is het meest onthecht, want vooral nostalgisch. Joost de Vries verbindt deze houding bijvoorbeeld in Oude meesters met de verdwenen idealen van mannelijkheid. ‘Imploderend’ affect wijzen ze aan bij de personages van Maartje Wortel, die het antwoord louter in zichzelf zoeken. Dan is er nog het gedroomde, ‘virtuele’ affect. Misschien niet toevallig zijn de voorbeelden daar romans van mannen, zoals Koen Sels (Gloria). Daarin is vooral de verwachting dat er in de toekomst ooit gevoel mogelijk zal zijn. De laatste vorm die ze onderscheiden, het collectieve affect, vinden Demeyer en Vitse het meest politiek. Hier komen ‘de moeilijkere vragen’ aan bod, zoals die naar machtsverhoudingen. Ze zien daar in de Nederlandse roman slechts een kiem van. Waar de generatie van Greta Thunberg zich hervindt in collectieve antwoorden, stellen zij, staat bij deze millennials de individuele mens nog in het hart van het verhaal. Ze missen vooral sociale analyse in het millennialproza, dat te veel universele, en te weinig historisch specifieke verhalen vertelt. Voor Demeyer en Vitse is het zelfs een politieke keuze wanneer een roman niet politiek is.

Intimiteit

Met die kritiek houden ze – impliciet – een tegenstelling aan die teruggaat tot de oude Grieken, die ‘bios’ en ‘zoe’ van elkaar onderscheidden: het politieke, gemeenschappelijke leven aan de ene kant, en het leven thuis en de voortplanting aan de andere. Die twee zijn steeds meer verweven geraakt in de westerse wereld (maar waren dat natuurlijk altijd al). Het huis blijkt geen veilig domein waar de politiek je niet raakt. En zelfs de natuur is politiek, zo blijkt in de klimaatcrisis. Vandaar dat recente personages door het wassende water worden overvallen, zoals in Klont van Maxim Februari of Het tegenovergestelde van een mens van Lieke Marsman.

Zulke romans van het nieuwe millennium formuleren een artistiek antwoord op die verwevenheid van politiek en gevoel, gemeenschap en het individu. Deze generatie onderzoekt intimiteit als iets dat niet ‘in de weg staat’ van ideologische spanningen en politieke debatten, maar juist als datgene wat een werkelijk engagement daarmee vereist.

Demeyer en Vitse besluiten hun overzicht met een mannelijk personage in Koen Sels’ roman Gloria, dat zelf ‘herboren’ wordt in de dialoog met zijn babydochtertje. In plaats van in een morele meetlat van politieke correctheid, schuilt het nieuwe engagement in een onnadrukkelijk ethische, verbonden verhouding met de anderen. Een beetje zoals bomen in een bos, waarvan men niet zo lang geleden ontdekte dat die niet individueel overleven, maar door samen te werken en te communiceren met de hen omringende bomen.