Recensie

Recensie Boeken

De Britse schrijfster die herontdekt blijft worden

Jane Gardam Haar geestige debuut laat de wording van haar schrijverschap zien.

Een dagje naar het strand tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Een dagje naar het strand tijdens de Tweede Wereldoorlog. Foto The LIFE Picture Collection via Getty Images

Ver van Verona was in 1971 het debuut van Jane Gardam (1928). Met Gardam is iets aparts aan de hand; ze blijft herontdekt worden, bij leven nog wel! In Nederland bestormde ze drie jaar geleden de letteren met haar Old Filth-trilogie (Een onberispelijke man, Een trouwe vrouw, Laatste vrienden), waar ze in het Verenigd Koninkrijk al op het moment van verschijnen furore mee maakte.

In 1991 kreeg ze voor A Long Way from Verona de Amerikaanse Phoenix Award, een prijs voor het beste ‘vergeten’ kinderboek van twintig jaar eerder. Nu is het in het Nederlands vertaald, zodat ook hier de herontdekking herontdekt kan worden. Door de volwassen lezer, ditmaal. En die mag zich verheugen.

De 13-jarige Jessica Vye doet verslag van haar leven. Gardam lardeert dat met dagboekachtige stijlfiguren – nadruk wordt in driftige hoofdletters gelegd. Als een personage blij is staat er tussen haakjes ‘glunder, glunder, GLUNDER’. Maar nergens wordt het écht kinderlijk. Logisch, want Jessica wil direct iets zeer belangrijks duidelijk maken: een echte schrijver heeft haar toen ze negen jaar was laten weten dat zij ‘zonder enige twijfel’ ook een schrijver is. Daarbuiten kan ze niet liegen en wel gedachten lezen. Ze weet zeker dat niemand haar mag. Ze heeft, kortom, een zwaar leven.

Geheimen

Tot overmaat van ramp verhuist het liefdevolle gezin Vye, kort nadat de profetische schrijver Jessica’s school bezoekt, naar het saaie Cleveland Sands. Vader wordt er predikant, moeder verzuipt in het parochiewerk, broertje Rowley zet de chaos aan door een kluwen wol door het huis te spannen. En het is oorlog – aanvankelijk bijzaak in Jessica’s verslag. ‘Ondanks de bombardementen in Duinkerken en alles’, noteert ze droog, ‘hadden we een heerlijke zomervakantie gehad.’

Jessica is een charmante verteller. Het schijnbaar onbeduidende blijft boeien, onder meer doordat haar gevoel voor drama op een volwassen lezer hilarisch overkomt. Na een jammerklacht over haar moeder, die soms met iets anders bezig blijkt te zijn dan haar dochter, noteert ze: ‘als ik op school zit besta ik niet voor haar en ik hoop dat ze dit schrift vindt en het leest’. Tegen haar vader, als ze hem uit de tent probeert te lokken: ‘Doe niet zo herderlijk. Doe niet zo… tevreden als ik lastig ben, omdat jij dan de begrijpende vader uit kunt hangen. Dat gaat alleen om jou, niet om mij.’

Haar ouders – Jessica hoort ze praten door de vloer – weten het ook niet meer met hun pubers. ‘Ze zijn tenminste niet bang voor ons’, zegt vader Vye. ‘Ze hebben geen geheimen voor ons. Dat lijkt me toch wel goed.’

Rotzooi

Maar er zijn wél geheimen. Een onschuldige verliefdheid, emotionele achtbanen aan poëzie, rotzooi uithalen met vriendinnen. En natuurlijk kan een oorlog, als je in een gebied woont dat om de haverklap wordt gebombardeerd, niet terloops blijven.

Het zwaartepunt van Jessica’s verslag is dan ook het moment dat ze met haar object van bewondering de krottenwijken bezoekt. Hij wil haar onderwijzen in onrechtvaardigheid, zij wil vooral dat hij haar hand nooit loslaat en in the heat of the moment missen ze een alarm. Ze overleven ternauwernood een luchtaanval.

Hoewel Jessica na drie dagen slapen en het schrijven van een geniaal gedicht (dat we, helaas, maar wat sterk toch ook, niet te lezen krijgen) doet of er niets aan de hand is, gebeurt er van alles in haar binnenwereld. De werking van haar geest wordt grimmiger (misschien wel: volwassener) en ze zoekt houvast aan literatuur en kunst. Daarmee volgt ze te midden van oorlog een adagium op dat ze eerder vastlegde. Een docent vertelde haar dat je bij het schrijven ‘alles moet schrappen wat niet noodzakelijk is’, waarop Jessica zelf concludeerde: ‘Als je daar eenmaal mee begint, hou je volgens mij uiteindelijk niets over, en ik heb geen zin om niets over te houden.’ Soms dragen nutteloze zaken noodzaak, lijkt ze te zeggen, zijn ze mooi én lelijk. Waarmee ze, zelf allang niet meer zo zeker van haar zaak, bewijst een prima schrijver te zijn. Of ja, eigenlijk hebben we het dan over Jane Gardam. Maar dat moge, herontdekking op herontdekking, inmiddels duidelijk zijn.