Opinie

Bedrijven komen te gemakkelijk weg met energieverspilling

Besparing

Commentaar

Doe de deur dicht, doe het licht uit. Energie besparen is thuis net zo ingesleten als afval in de prullenbak gooien. De overheid moedigt burgers aan om nog meer te doen, en terecht. Om een zuinige koelkast te kopen, de spouwmuur te isoleren. Energieverbruik is nog altijd grotendeels fossiel. Hoe minder CO2-uitstoot, hoe beter.

Daarom is het teleurstellend hoe weinig eisen de overheid tot nog toe stelt aan energiebesparing bij bedrijven die probleemloos het duizendvoudige aan aardgas en elektriciteit gebruiken van wat een huishouden gebruikt. In 2009 sloot het vierde kabinet Balkenende een convenant voor energiebesparing met grote industriële bedrijven, van raffinaderijen en de chemische industrie tot glas- en papierfabrieken. Ze spraken af tot en met 2020 minder energie te verbruiken, in ruil voor bepaalde vrijstellingen van energiebelasting.

De resultaten van de ‘Meerjarenafspraak energie-efficiëntie ETS-bedrijven’ (MEE) blijven zwaar achter bij de doelstellingen, blijkt nu. In de afgelopen jaren kwamen de fabrieken niet verder dan 60 procent van de energiebesparing die ze voor 2020 hadden afgesproken, meldde minister Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) de Kamer eind november. Hij meed elke harde conclusie. De bedrijven liggen „niet op koers”, maar de ambitie die de bedrijven zichzelf hadden gesteld was ook „hoog”.

Zo makkelijk gaat dat dus. Een onderzoeker die de hele periode sinds 2009 onderzocht, concludeerde deze week in NRC dat het MEE-convenant waarschijnlijk geen enkel resultaat heeft opgeleverd. De fabrieken deden gemiddeld niets méér aan energiebesparing dan landelijk toch al gebruikelijk was. Als zij hun afspraken zouden zijn nagekomen, zou de landelijke CO2-uitstoot nu circa 2 procent lager liggen. Dat is meer milieuwinst dan, bijvoorbeeld, het hele huidige kabinetsbeleid voor aardgasvrij wonen.

Een goed excuus heeft de industrie niet. De besparende maatregelen die de fabrieken zouden nemen, zijn technisch haalbaar en niet duur. Het zijn ingrepen die zichzelf in vijf jaar terugverdienen. Toch draaien de energieslurpende motoren en ketels door. Fabrieksdirecties investeren liever in zaken die nog sneller geld opbrengen. De jaarlijkse controle door overheidsdienst RVO is blijkbaar geen stok om mee te slaan. Dat grote fabrieken weinig energiebelastingen betalen – zoals 4 cent voor een kuub aardgas, terwijl particulieren 43 cent betalen – prikkelt evenmin.

Het is het zoveelste milieuconvenant dat de verwachtingen niet waarmaakt. Hetzelfde geldt voor lopende convenanten voor energiebesparing in huurwoningen, huishoudens en de glastuinbouw, om maar wat te noemen. Tot politieke ophef leiden zulke mislukkingen zelden. De afspraken dateren doorgaans van lang geleden. Kans gemist, op naar het volgende plan.

Zo gaat het nu ook met energieverspilling in de industrie. Voor kleinere fabrieken en andere bedrijven komen er vanaf 2023 aanvullende energiebesparingseisen. Daarnaast laat de minister, na een aangenomen motie van GroenLinks, onderzoek doen naar eventuele gedwongen energiebesparing voor grote industriële bedrijven. Ook het Europese emissiehandelssysteem en de aanstaande CO2-heffing voor de industrie zullen voor verbetering zorgen.

Maar snel gaat het niet, terwijl er al in het afgelopen decennium veel bereikt had kunnen worden. De overheid is het aan zichzelf verplicht nu hard in te grijpen. De nonchalance waarmee bedrijven verspillen en daarmee het klimaat schaden, is te lang beloond.