De economie in 2021: het geldinfuus blijft, maar veel bedrijven zijn meer dood dan levend

Prognose Banken en denktanks proberen het onmogelijke te voorspellen: de economie in 2021. Het geldinfuus blijft, maar veel bedrijven zijn meer dood dan levend.

Terras op het Plein in het centrum van Den Haag.
Terras op het Plein in het centrum van Den Haag. Foto Robin Utrecht/ANP

Een uitzonderlijk diepe recessie, dat was het gevolg van de maatregelen die de verspreiding van Covid-19 moesten indammen. De kans is groot dat alle beperkingen op de bewegingsvrijheid van burgers en bedrijven in het voorbije jaar in 2021 juist leiden tot een enorme tegenreactie: een uitzonderlijk hoge conjuncturele piek.

De zomer van 2021 ziet er in de fantasie van de geketende consument nu al uit als één groot festival waarin de herwonnen vrijheid massaal wordt gevierd en al het opgepotte geld besteed. Maar dat heeft niet alleen voordelen. En zal het ook gebeuren?

De afgelopen weken zetten banken, denktanks en internationale organisaties zich aan de ondankbare taak het onmogelijke te voorspellen; de economie in 2021. Want elk model, hoe nauwgezet en gebalanceerd ook, staat of valt bij de kwaliteit van wat erin wordt gestopt. Daar zit een groot probleem.

Net als vorig jaar komt de economie voorspellen grotendeels neer op het verloop van de pandemie voorspellen. In die zin geven de resultaten van 2020 weinig reden tot vertrouwen. Was de tweede coronagolf in de eerste berekeningen, lente 2020, nog onderdeel van een ver afgelegen ‘negatief scenario’, gaandeweg bleek dat die tweede golf zich niet alleen voordeed, maar in veel gevallen erger was dan de eerste.

De snelle uitvinding, test en acceptatie van vaccins leidde vanaf november tot herwonnen optimisme. Nu speelt echter de twijfel op over een langere tweede golf, of naar smaak een derde. En grijpt een besmettelijker variant van het virus om zich heen.

Prognoses voor 2021 moeten dus met de nodige voorzichtigheid worden bezien, en de makers ervan zijn de eersten om dat te benadrukken. Toch zijn er diverse verschijnselen, onvoorziene calamiteiten voorbehouden, die zich waarschijnlijk zullen voordoen in de loop van dit jaar.

Post-coronazomer

Neem een berg niet opgenomen vakantiedagen, doe er een plens opgepot spaargeld bij, schud onvoorzichtig en boem: de glorieuze post-coronazomer is een feit. Als alleen al elke vaste werknemer vijf vakantiedagen van 2020 heeft doorgeschoven, liggen in Nederland al 114.000 arbeidsjaren aan extra vakantie te wachten. Denk aan de hele stad Breda die een jaar lang ligt te bakken aan de Turkse zuidkust. En dit is nog een heel voorzichtige schatting.

Al dat plezier kan worden betaald met niet-uitgegeven geld. Alleen al in het tweede kwartaal van 2020 werd er volgens De Nederlandsche Bank (DNB) 12,4 miljard euro méér gespaard dan in het jaar daarvoor. Nog los van de reeds betaalde vakanties van vorig jaar die als tegoed zijn blijven staan.

Dat wordt nog een heel gevecht tussen werkgevers en werknemers. Sommige dagen vervallen per 1 juli. Formeel dan – er zal worden onderhandeld om ze toch daarna te mogen opnemen als de pandemie nog niet op zijn laatste benen loopt. Werkgevers zullen op hun beurt beducht zijn voor een massale en gelijktijdige uittocht van hun medewerkers.

Vakanties zijn een voorbeeld van bestedingsgedrag als het deksel eenmaal van de snelkookpan gaat. Maar de consument heeft sowieso veel in te halen. Volgens DNB zakten de bestedingen van particulieren vorig jaar met 7,1 procent in. Dit jaar, in het gemiddelde scenario dat de centrale bank hanteert, stijgen die bestedingen met 4,8 procent, en het jaar daarna nog eens met 4,5 procent.

Een groot deel daarvan is een terugkeer naar normaal. Wie straks weer gewoon besteedt, zal dat vergeleken met de dip in het uitzonderlijke jaar 2020 met een forse percentuele stijging doen. Wat niet wegneemt dat de bestedingsgroei vergelijkbaar zou worden met die in de gouden jaren van vlak voor de eeuwwisseling. Dat geldt ook voor de bedrijfsinvesteringen: na een diepe kuil (minus 7,3 procent) herstellen die met 2,6 procent in 2021 en 8,5 procent in 2022.

Een oceaan aan geld

Leidt zo’n legendarische bestedingsgolf dan niet tot inflatie? Dat kan tijdelijk het geval zijn. Veel prijzen zijn op dit moment best moeilijk te meten, zo ondervindt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Pakketreizen bijvoorbeeld hielden vorig jaar soms op te bestaan. Het CBS probeerde zo goed en kwaad als dat gaat prijzen te schatten waar ze niet te meten zijn, en doet dat in overeenstemming met andere bureaus uit de Europese Unie. Reizen daalden, voor zover bekend, zo’n 11 procent in prijs. Het laat zich raden dat de reisbranche dat dit jaar goed gaat maken: er is waarschijnlijk heel veel vraag, en de financiële gezondheid van de branche schreeuwt om hogere winstmarges.

Dat is een explosief mengsel voor flinke prijsstijgingen.

Ook andere prijzen zullen fors oplopen ten opzichte van vorig jaar; denk aan brandstoffen. En het zal de horecasector vergeven zijn dat die de prijzen wat opschroeft om de verliezen in de halen.

Toch zijn er nauwelijks economen die een algemene en duurzame opleving van de inflatie voorzien. Sterker: lage inflatie was al een probleem vóór de coronacrisis, en blijft dat waarschijnlijk ook daarna. Voor dit jaar voorziet het Centraal Planbureau een Nederlandse inflatie van maar 1,3 procent.

Centrale banken hadden, vrijwel wereldwijd, al grote moeite om de inflatie op te krikken. Ze voerden daarvoor een beleid van zeer lage rentes, opkopen van staats- en andere leningen en banken voorzien van grote hoeveelheden liquiditeiten (geld), in de hoop dat ze dat uitlenen.

Dat was een erfenis van de vorige financiële crisis, begonnen in 2008. En die was weer deels het gevolg van een wereldwijd overschot aan spaargeld, dat niet voldoende in échte investeringen terechtkwam.

Het ruime monetaire beleid is met extra opkoopprogramma’s tijdens de pandemie alleen maar verder opgevoerd. Rentes, zo beloven de Europese Centrale Bank en de Amerikaanse Federal Reserve, blijven lower for longer. Zakenbank Goldman Sachs berekende dinsdag dat de geldmarkten nog nooit zo ruim zijn geweest als nu: we zwemmen in een zee van geld. Kijk naar de beurzen en de huizenmarkten: daar komt al het geld terecht als er onvoldoende werkelijke investeringsmogelijkheden zijn.

De lage rentes hebben wél tot gevolg gehad dat overheden tegen zeer lage kosten geld hebben kunnen lenen voor hun steunprogramma’s tijdens de pandemie. Dat gedrag gaat dit jaar gewoon door. Vrijwel iedere economische denktank, tot het Internationale Monetaire Fonds aan toe, drukt westerse overheden op het hart vooral door te gaan met hun bestedingsimpuls en voorlopig niet na te denken over bezuinigingen om de begroting weer op orde te krijgen.

Nederland had vorig jaar een begrotingstekort van vermoedelijk 6,1 procent (aldus het CPB) en dit jaar is het voorziene tekort 4,6 procent. Die rode cijfers blijven minstens tot en met 2025.

Lees ook: De economische ontwrichting XXXL gaat dit jaar beginnen

De nacht van de levende doden

In de gangbare recessies van de afgelopen decennia gingen maandelijks zo’n vijfhonderd bedrijven bankroet, met een piek van achthonderd in mei 2013 – vlak na de eurocrisis. Ditmaal is dat heel anders. Voorlopig daalde het aantal faillissementen tijdens de coronacrisis juist, tot nog maar 162 in oktober en 166 in november. Dat is het laagste cijfer in 22 jaar.

Op het eerste gezicht is dit heel gunstig. De coronarecessie is geen normale recessie, maar van bovenaf opgelegd door lockdowns. Dus hoort er voor hen een genereus vangnet bij. De miljardensteun die de overheid verleent, heeft veel bedrijven tot nu toe op de been gehouden die levensvatbaar waren maar niet of nauwelijks móchten opereren. Denk aan de reisbranche, de horeca, recent ook veel winkelketens, de culturele sector.

Toch zullen nog bange dagen aanbreken als de steun stopt. Niet alleen verdwijnen de subsidies voor de bedrijfsvoering en om mensen in dienst te houden. Veel bedrijven hebben met hun verhuurder een vorm van coulance of uitstel kunnen afspreken. En de overheid heeft de belastingheffing uitgesteld.

Veel van deze kosten komen straks alsnog. En veel bedrijven zullen er alsnog onder bezwijken. Hoewel prognoses ontbreken voor het aantal faillissementen, zijn ze indirect in de voorspellingen terug te vinden. Het Centraal Planbureau voorziet voor dit jaar 565.000 werklozen. Dat zijn er 185.000 meer dan in 2020, waardoor het werkloosheidspercentage oploopt van 4,1 naar 6,1.

En dan lopen er nog zombies van vóór de pandemie rond. De Bank voor Internationale Betalingen wees er dit najaar op dat 15 procent van de beursgenoteerde bedrijven in westerse economieën niet winstgevend is en een zeer lage waardering heeft.

Eind jaren tachtig was dat 4 procent. De BIS vermoedt dat die toename voornamelijk ligt aan de financiering door banken, die niet is stopgezet. Want banken hebben al lage marges, en worden door de centrale banken in wezen vooral aangezet tot méér uitlenen in plaats van minder. Zo bleven al veel zombies overeind voordat de pandemie toesloeg.

Vinden beleidsmakers in 2021 een antwoord op al deze problemen? Eén oplossing is: meer investeren, in échte bedrijvigheid. Om te voorkomen dat de economie haar evenwicht straks hervindt op wéér een lager niveau dan hiervoor. Om al het overtollige spaargeld een reële bestemming te geven in plaats van een speculatieve. En om, en passant, de samenleving voor te bereiden op de klimaatcrisis, die er óók nog aankomt.