Jeroen Willems maakte grote emoties tastbaar als Brel

Het Meesterwerk #13 Het kunstaanbod is schraal in coronatijd. Waarvan kun je, ook nu, nog wel genieten? NRC-recensenten gidsen je langs werken die afleiding bieden: tijdloos en coronaproof. Aflevering 13: Jeroen Willems zingt Jacques Brel.

Jeroen Willems in 2009.
Jeroen Willems in 2009. Foto Leo van Velzen

Veel nummers van Jacques Brel zijn in wezen kleine toneelmonologen: compacte verhalen van personages vol dramatische dubbelheid en tegengestelde gevoelens. Neem het zinnelijke, ontembare verlangen naar de vrouw waarvan je weet dat ze je hart gaat breken (in het nummer ‘Mathilde’). Of de minnaar die verscholen achter een bos seringen op de hoek van de straat wacht op zijn geliefde (in ‘Madeleine’), die niet komt, nooit zal komen, maar waar hij elke avond opnieuw vol verbeten hartstocht op zal wachten.

Tussen 2004 en 2006 toerde acteur Jeroen Willems (1962-2012) langs theaters met de voorstellingen Brel, de zoete oorlog en Brel 2, gebaseerd op het leven en oeuvre van Brel. Willems’ vertolkingen van Brels nummers uit die voorstellingen zijn inmiddels op album verschenen. Bovendien staan er flink wat registraties op YouTube: een aanrader, omdat Willems’ ingeleefde mimiek de teksten vaak van een extra laag voorziet. Hij won er in 2004 terecht een Louis d’Or mee.

Willems’ doorleefde tekstbehandeling – soms sober en ingehouden, vaker rauw en vol schreeuwende emotie – is subliem. Bij de getraumatiseerde jonge soldaat in ‘Wie volgt (Au Suivant)’ tekent zich in zijn snerende articulatie zowel pijn als strijdlust uit. In ‘Fernand’, over de begrafenis van een goede vriend, kiest Willems voor rauw verdriet vol lange uithalen (‘Nu huil ik mijn kop eraf’). En de adaptatie van ‘Laat me niet alleen (Ne me quitte pas)’ is zo verstild en breekbaar, dat elke gestokte ademtocht een deel van dit verhaal van radeloze liefde mee vertelt.

Willems imiteert Brel niet, hij interpreteert Brel. Hij neemt de ruimte om zijn personages uit te spelen. De emotie ligt er dik bovenop maar wordt nergens drakerig. In ‘Nuchter (A jeun)’ struikelt Willems over zijn eigen benen en woorden. Dat is grappig, totdat blijkt dat hij terugkomt van de begrafenis van zijn geliefde, alwaar hij ontdekte dat zij een affaire had. Dan slaat de lach naar binnen. Het personage strijdt vervolgens tussen wraak en gelatenheid, blijft ergens in het midden hangen, bij moedeloos verdriet en pijn.

Peer Wittenbols hertaalde een aantal nummers treffend naar Nederlandse context. ‘Orly’, over de allesverzengende pijn van twee jonge geliefden die op het vliegveld afscheid van elkaar nemen, werd ‘Schiphol’ en speelt zich af op een regenachtige, triestige, Hollandse zondag, compleet met Borsato op de achtergrond. ‘Vesoul’ werd ‘Leerdam’; Willems spuwt hier op momenten zijn zinnen de zaal in, als hij beschrijft hoe hij volgzaam en hondentrouw stad en land afreist om zich naar de wensen van de ander te schikken. De tragiek van het personage wordt prachtig verwoord in de strofe ‘Tussen droom en daad, zag ik rivieren gaan’ (naar Willem Elsschot en Hendrik Marsman), waarin op treffende wijze stilstand en beweging samenvallen.

Het zijn grote emoties die zich uitkristalliseren in kleine verhalen van menselijk leed en onvermogen, en die Willems op onnavolgbare wijze tastbaar maakt.