Het lukt De Jonge niet ongeduldige Kamer te bedienen

Coronadebat Minister De Jonge en premier Rutte erkenden fouten te hebben gemaakt bij de vaccinatiestrategie. Maar dat was dinsdag voor de Kamer niet genoeg.

Minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) en premier Mark Rutte (VVD) tijdens het coronadebat dinsdag.
Minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) en premier Mark Rutte (VVD) tijdens het coronadebat dinsdag. Foto David van Dam

Zes uur lang verliep het eerste vaccinatiedebat van het jaar met minister Hugo de Jonge en premier Mark Rutte stevig, maar niet vijandig. Ja, er was dinsdag kritiek van de Kamer op het handelen van het kabinet. En zowel Rutte als De Jonge erkende dat de voorbereiding niet goed was verlopen. „We hadden eerder tegen de GGD moeten zeggen: bereid je voor op grootschalige vaccinatie”, zei Rutte. „We zijn bereid te leren van fouten.”

Maar aan het begin van de avond sloeg de toon om. Dat gebeurde juist op het moment dat De Jonge tegemoet wilde komen aan de wens van de Kamer om verpleeghuisbewoners toch eerder te vaccineren met het Pfizer/BioNTech-vaccin. Het RIVM bekijkt hoe voor die groep alsnog sneller vaccins kunnen worden „vrijgespeeld”, had De Jonge gezegd. Maar toediening zou dan niet eerder dan februari kunnen gebeuren.

Dat vindt een groot deel van de Kamer veel te laat. De ene na de andere fractievoorzitter eiste dat De Jonge zou toezeggen dat het eerder, het liefst volgende week, zou lukken. De Jonge wilde dat niet beloven, hij hield het bij „de kortst mogelijke termijn”.

Zo gebeurde weer wat inmiddels illustratief is voor de verhouding tussen de Tweede Kamer en de minister van Volksgezondheid. De Jonge probeerde – met alle slagen om de arm – de Kamer te bedienen. Die wilde dat het sneller zou gaan.

Waar De Jonge zijn beantwoording constructief begon, zorgde het nieuwe spervuur aan kritiek ervoor dat de minister er in de loop van het debat weer net zo getergd stond als in het laatste debat van vorig jaar – dat ook over vaccineren was gegaan. „Ongelooflijk”, mopperde hij tijdens een interruptie van Jesse Klaver (GroenLinks). Lodewijk Asscher (PvdA) verweet hij „een aardige debattruc” te gebruiken.

Vertrouwen opgezegd

Dinsdag bleek dat die gevoelens geheel wederzijds zijn. Al in de eerste minuut van het debat had Geert Wilders (PVV) zijn vertrouwen in De Jonge opgezegd. „Met deze pandemie kunnen wij ons geen gezwabber, geen gebrek aan daadkracht, geen chaos en dus geen Hugo de Jonge als minister meer permitteren.”

Geen enkele andere partij gebruikte even harde woorden, maar dat de Kamer alweer ontevreden is over het handelen van De Jonge bleek duidelijk. „Er zijn grote strategische en uitvoeringstechnische fouten gemaakt”, vond Klaver. „De minister heeft op één paard gewed, het verkeerde”, constateerde coalitiegenoot Rob Jetten (D66). De andere coalitiepartijen, VVD, CDA en ChristenUnie, waren milder en wilden liever „vooruitkijken” naar een goed verloop van de vaccinatiecampagne.

Eerder in het debat had Rutte geprobeerd zijn minister te hulp te schieten door een uur lang vragen over de vaccinatiestrategie te beantwoorden. Maar de Kamer had dit keer ook veel vragen voor de rol van Rutte daarin. De oppositie richt haar pijlen graag op de premier, die als koploper in de peilingen ook de te kloppen VVD-lijsttrekker is bij de verkiezingen van maart. De premier gaf te kennen zelf „natuurlijk” niet bezig te zijn met campagne voeren. „Maar anderen zijn er wel mee bezig, zie ik.”

Wat was zijn rol in het vlottrekken van de vaccinatie de afgelopen weken eigenlijk geweest, wilde de Kamer weten. Asscher had de indruk dat Rutte „in geen velden of wegen te bekennen was”. Rutte vond de vragen over zijn rol terecht omdat hij als „eindbaas” verantwoordelijk is. Hij zei in de weken voor Kerst geen signalen te hebben gehad dat de voorbereidingen op de vaccinatie niet goed liepen. De suggestie van GroenLinks om een regeringscommissaris vaccinatie naast De Jonge te zetten wees hij van de hand. „Dat maakt de zaak alleen maar complexer. Het is onverstandig en ook niet nodig. Er zit een goede minister.”

De Jonge liet weten niet van plan te zijn uit zichzelf op te stappen. „Als ik de vraag krijg of ik de juiste man op de juiste plek ben, dan is het antwoord ja.” Hij benadrukte dat de vertrouwensvraag door de Kamer beantwoord moest worden. Aan het eind van het debat gebeurde dat. De motie van wantrouwen die Wilders indiende kreeg steun van Denk, Forum voor Democratie en Henk Krol – niet genoeg voor een meerderheid.