Opinie

De neef gaat manstrueren van al het negatieve nieuws over het klimaat

Ellen Deckwitz

Afgelopen week was de neef (14) weer eens aan het manstrueren: stemmingswisseling na stemmingswisseling, boos om van alles, ontvlambaarder dan magnesium, humeuriger dan Prem met een dinsdagdip. Na het lezen van de krant stampte hij de trap op en sloeg zijn slaapkamerdeur met een rotsmak dicht.

„Oh jee”, zei zijn moeder toen ze een verkreukt kwaliteitsdagblad op de bank zag liggen, „volgens mij was er weer eens slecht nieuws over het milieu”. En inderdaad: er lag een artikel open over gletsjerarcheologie, over hoe door het smelten van ijs er in Zwitserland opeens eeuwenoude artefacten bloot kunnen komen te liggen. Tegen de tijd dat onderzoekers ze ontdekken, is een aardig aantal meestal al grotendeels vergaan. Dat soort berichten is slecht voor een klimaatactivist als de neef, iemand die wakker ligt van alles wat met de opwarming van de aarde verband houdt.

Ik ging naar boven en klopte op zijn kamerdeur. Hij mompelde iets wat met een beetje welwillendheid als ‘binnen’ viel op te vatten. Toen ik zijn slaapkamer betrad, zag ik dat hij in bed lag, met de dekens over zijn hoofd getrokken.

„Het maakt niemand wat uit, hè”, zei hij gesmoord, „dat onze acties andermans vooruitzichten verpesten.” Tja. Ik kon daar natuurlijk tegen inbrengen dat er ook hoop was, dat in 2020 het klimaat centraal stond bij die jaarlijkse bobovergadering in Davos, dat filosofen erop aandringen om de coronacrisis aan te grijpen om de wereldeconomie te hervormen, dat zelfs een klimaatscepticus als mijn oudoom Karel zonnepanelen gaat nemen – maar tja, dat zijn allemaal nog maar voornemens. Ondertussen wordt de toekomst opgestookt en neemt de bende die onze nakomelingen moeten opruimen toe. Ontnemen we de lateren bij voorbaat kansen, leefplekken, kennis en ervaringen door de manier waarop we nu willen leven.

Ik sloeg zijn deken voorzichtig terug. De neef keek me betrapt en verdrietig aan. Ik aaide zijn haar, dat met de maand donkerder wordt.

„En ik snap niet”, viel hij opeens uit, „dat mensen nu nog kinderen krijgen. Dat is toch belachelijk! Hoe leg je deze puinhoop aan hen uit?”

Daar kon ik even niets tegen inbrengen.

„Het lijkt wel alsof volwassenen niet verder kunnen kijken dan hun eigen leven”, zei de neef. „Maar voor de mensen die nog gaan komen moet je ook zorgen!”

Hij staarde even witheet voor zich uit.

„Degenen die nog geboren moeten worden zijn toch ook medemensen”, zei hij, en trok de deken terug over zijn hoofd.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.