Opinie

Leven zonder vaatwasser?

Frits Abrahams

‘Wordt het niet eens tijd om de vaatwasser weer af te schaffen?” vroeg ik vanachter mijn krant (NRC, natuurlijk) quasi-achteloos aan mijn vrouw, toen ik hoorde dat ze bezig was met het inruimen van deze machine. De avond was gevallen, het leukste leek alweer voorbij.

„Hoezo?” vroeg ze op de licht geïrriteerde toon van iemand die niet voor de gek wil worden gehouden.

„Nou”, ritselde ik met mijn krant, „ik lees net in het katern Leven van de zaterdagkrant dat de afwas een ultieme vorm van mindfulness kan zijn. Wie aandachtig de afwas doet, leert zichzelf beter kennen.” Ik citeerde uit volle borst: „En waar afwas is, is een weg naar mindfulness. Een kans om vol toewijding een taak te volbrengen die je met een beter gevoel achterlaat dan waarmee je begon.”

Het bleef even ongemakkelijk stil. Toen klonken keiharde geluiden van borden en kopjes die in versneld tempo de vaatwasser werden ingeduwd. Omdat er geen verbale toevoegingen kwamen, las ik maar meteen het einde van het artikel voor: „De kunst is om de flow vast te houden tot het laatste lepeltje in de la ligt, het fornuis gepoetst, het aanrecht gedroogd, de kraan gewreven tot hij glimt. De afwas is een daad van elegantie en ritme’, schrijft Miller.” Peter Miller was de schrijver van het boek How to Wash the Dishes.

„Typisch NRC”, riep mijn vrouw, „Libertas met Luxe! Wanneer gaan jullie pleiten voor het afschaffen van de wasmachine? Misschien willen jouw lezers en lezeressen wel weer graag op de hand wassen, zoals onze moeders moesten doen, buiten in de bittere kou, met kloven in hun handen. Die hadden geen tijd om de kraan op te wrijven tot hij glom, die stonden te ploeteren boven hun tobbe met bergen wasgoed…”

„Je moet het volgens dit artikel meer zien”, onderbrak ik dit pseudo-marxistisch klinkende betoog, „als een vorm van zenboeddhisme: geef je leven zin via de kleine dagelijkse bezigheden.”

„Ik hoor het al, de volgende afwas is weer voor jou”, concludeerde ze.

Maar ik wilde het liever filosofisch houden en gooide het over een andere boeg. „Eigenlijk is de manier waarop wij onze kat verzorgen ook een uiting van zenboeddhisme. De aandacht die wij haar geven nu ze ziek is. Het zorgvuldig afwegen van het dieetvoedsel, het analyseren van haar nukken en grillen, het evalueren van haar slaapgedrag en, niet te vergeten, het bestuderen van haar drolletjes: zijn ze wel hard en donker genoeg, de voldoening als ze ‘prima gepoept’ heeft …”

„Zet dat maar niet in je stukje”, zei ze, „de lezers verklaren ons voor gek. En wij hebben al zo’n slechte naam bij mensen die niet van katten houden.”

„Maar de mindfulnessfans zullen achter ons staan”, voorspelde ik. „Die hebben de vaatwasser en de wasmachine al weggedaan, op die plekken staan nu de voedselbak en de mand voor kat of hond. Go with the flow!”

„Maar zijn jullie als redactie niet bang dat lezers die heel erg in zen raken, ook de krant gaan opzeggen als gevolg van een bepaalde onthechting?” vroeg ze bezorgd.

„We zijn slim genoeg om ze met allerlei aanbiedingen en kortingen binnenboord te houden”, zei ik. „Hoe onthecht de aanhangers van mindfulness ook kunnen raken, aan hun portemonnee blijven ze even gehecht als wij.”