Hans Broek.

Foto Koen Kievits

Interview

‘Lelijkheid hoort bij de gruwelijkheid die ik wil verbeelden in mijn kunst’

Interview Hans Broek De nieuwe schilderijen van Hans Broek tonen de kerkers, dodencellen en slavenverblijven die onze Nederlandse voorvaderen bouwden in Afrika en Suriname. „Het is een gedeelde geschiedenis.”

„Het moet lelijk geschilderd zijn.” De Nederlandse kunstenaar Hans Broek (1965) zegt het soms in zichzelf, maar steeds met nadruk, alsof hij zijn eigen keuze iedere keer opnieuw moet bevestigen. Waarom hij schildert wat hij schildert: deze nieuwe serie van kerkers, dodencellen, slavenverblijven en voedergaten die onze Nederlandse voorvaderen aan de kust van Ghana en Senegal en in Suriname bouwden, metselden, pleisterden en vulden met tot slaaf gemaakte mannen, vrouwen en kinderen. „Lelijkheid”, zegt Broek, „hoort bij de gruwelijkheid die ik wil verbeelden.” En daarom die korstige verf, soms niet eens gemengd, met een paletmes in dikke klonten op het doek gedrukt. Direct, woest, alsof hij een drummer is in een punkband.

Hans Broek loopt in het Tilburgse museum De Pont door de tentoonstelling met tien olieverfschilderijen die hij het afgelopen jaar heeft geschilderd. Hij zegt dat hij als een bezetene heeft gewerkt in zijn atelier in Muiden. Sommige doeken zijn reusachtig en een ervan is een drieluik. Allemaal hebben ze het Nederlandse slavernijverleden tot onderwerp en hoe de Hollandse bestuurders zich in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw verrijkten aan die handel in buitgemaakte mensen. In 2017 vertrok Hans Broek, de schilder van de Amerikaanse skyline en David Lynch-achtige landschappen, na een verblijf van meer dan twintig jaar uit Amerika. New York was te duur geworden – „alles ging alleen maar over geld” – en de kloof tussen arm en rijk, de rassenscheidingen – hij vond het te aangrijpend.

Hans Broek, Power Structure, 2020. (285 x 285 cm, olieverf op linnen)

Foto Gert-Jan van Rooij

Broek trok naar Dakar in Senegal, waar hij een jaar lang in een kunstenaarsresidentie in een sloppenwijk woonde. Hij reisde langs zo’n 26 Nederlandse slavenforten, maakte duizenden foto’s en schetsen. In de zomer van 2019 keerde hij terug naar Nederland en begon daar aan het grote werk. Dat is deze tentoonstelling The Things I Used To Do – een titel die op verschillende, naargeestige manieren uitgelegd kan worden.

Opmerkelijk is dat Broek geen slachtoffers of daders uitbeeldt, maar zich beperkt tot de architectuur. Slechts op één schilderij in de tentoonstelling staat een kleine zeventiende-eeuwse figuur, geflankeerd door twee slavenkerkers. Dit is Broeks verre voorvader, een man die in de zeventiende eeuw vanuit Vlaardingen naar Amsterdam trok, waar hij bestuurslid werd van twee admiraliteiten en direct bij de slavenhandel betrokken raakte.

Hans Broek, Voorvader met Slavenkerkers, 2020. (200 x 850 cm, olieverf op linnen)

Foto Gert-Jan van Rooij

Oproep tot rouw

De vraag is of Broek zich de geschiedenis van de trans-Atlantische slavenhandel toe-eigent met deze nieuwe serie. „Nee”, zegt hij beslist, „Het is een gedeelde geschiedenis. Het is allereerst een heel verschrikkelijke, zwarte geschiedenis. Maar daarnaast is het ook een witte, Nederlandse geschiedenis. Onze hele economie is erop gebaseerd geweest. Zonder de slavenhandel was Nederland nu een onbetekenende Duitse deelstaat geweest.”

De naam Dana Schutz valt, de Amerikaanse, witte kunstenaar die in 2017 een storm van protest ontketende toen ze op de Whitney Biënnale in New York een schilderij van de in 1955 gelynchte tiener Emmett Till ophing. „Ik begrijp die woede”, zegt Broek, „Want Schutz heeft er bewust of onbewust enorm veel bekendheid mee verworven. En ik kan me voorstellen dat een groep mensen zegt: ‘Nu worden we voor de tweede keer uitgebuit.’ Ik wil me daar verre van houden. Dus daarom ook geen zwarte personen op mijn schilderijen – nee bedankt.”

Bovendien: er is voldoende te vertellen over die slavenhandel vanuit het Nederlandse perspectief. En dat perspectief kan ook helend zijn voor mensen met een zwart perspectief. „In mijn kunst gaat het om de mogelijkheid van helen. Ik wil niet ontkennen of verdringen. Ik zie het duistere verleden van mijn familie, van mijn land. Ik onderzoek dat verleden als kunstenaar. Het werk dat daaruit voortkomt, is van verdriet over het gebeurde doortrokken.” In die zin, zegt hij, is zijn werk „een oproep tot rouw”. Het is een oproep die hij herkent in het werk van Marlene Dumas, de zusjes Iris en Natasja Kensmil en Patricia Kaersenhout.

Hans Broek, Slavenhuis, Gorée, 2020. (285 x 460 cm, olieverf op linnen)

Foto Gert Jan van Rooij

We lopen naar een van de indrukwekkendste schilderijen op de tentoonstelling. Slavenhuis is een bijna wandvullend aanzicht van een slavenverblijf, met daarboven het appartement van de slavenhandelaar. Onderaan het bijna zwarte beeld zit een korstig poortje geschilderd, met verschillende klodders blauw aan de horizon. Via deze ‘door of no return’ werden veel van de gevangenen naar de slavenschepen gevoerd. Daaromheen schilderde Broek contouren in rood en wit: ze stippen iets aan dat doet denken aan een bordes, aan twee trappen, heldere vensters, maar ook aan heel veel diepzwarte gaten.

Lees ook dit interview met Patricia Kaersenhout: ‘Het enige wat ik wil is het verhaal iets completer maken’

Macabere plek

„Dit is een nachtopname”, zegt Broek. „Ik ben hier in het privéhuis van een slavenhandelaar in Senegal. De handelaar woonde op de eerste verdieping. Op de begane grond waren de cellen voor kinderen, vrouwen en mannen: zij zaten aan hun enkels, polsen en nek vastgeketend aan de vloer en de muur. Het was een heel macabere plek, en om die reden heb ik de compositie overdreven, zodat de plek nog macaberder wordt. In dat zwart komt een emotie te zitten die los staat van het beeld.”

Hij vervolgt: „Onder de trappen zat een cel voor de opstandige gevangenen. Die cel was maar een meter hoog. De opstandigen werden er met zijn zessen ingepropt – zo ingeschoven, op elkaar. Dat was een verschrikkelijk claustrofobische toestand. De mensen bleven daar tot ze dood waren, ze kregen geen eten en drinken en nauwelijks lucht en licht. Ze lagen letterlijk op hun creperende lotgenoten. Nelson Mandela heeft zich nog eens laten opsluiten in een van die cellen om te voelen hoe dat was, en die kwam na vijf minuten helemaal kletsnat van het angstzweet en de tranen naar buiten. Als je in zo’n cel kruipt, dan ruik je nog steeds een vreemde, weeë geur: dat is lijkenlucht, die krijg je er nooit meer uit.”

Hans Broek, Plantage Sorghvliet, 2020. (200 x 400 cm, olieverf op linnen)

Foto Gert-Jan van Rooij

Broek is beslist: „Als je het over misdaden tegen de menselijkheid hebt, dan heeft Nederland die tweeënhalve eeuw lang gepleegd. Dagelijks. Genocide, deportatie, ontvoering, mensenhandel. Door uithongering, moord, verkrachting en marteling hielden de Hollanders de mensen in toom. Wij zijn als land beroemd om de weergave van licht door Vermeer, om de psychologische diepgang die Rembrandt in zijn portretten legde. In de slavenkerkers, de forten en de huizen van slavenhandelaren vond ik het tegenovergestelde. Er was geen sprake van psychologische diepgang. En van licht al helemaal niet.”

Hans Broek: The Things I Used To Do. T/m 18 april in De Pont, Tilburg (nu tijdelijk gesloten). Inl: depont.nl