Reportage

In de post-coronastad leven we dicht op elkaar, maar met veel groen om ons heen

Ruimtelijke ordening Vooraanstaande architecten vinden dat een miljoen huizen in stadsgebieden gebouwd moeten worden. De wijken moeten aan veel eisen voldoen: ze moeten groen zijn, duurzaam en zonder gentrificatie of segregatie.

Het is geen toeval dat het manifest in de laatste maand van coronajaar 2020 verscheen. „De huidige crisis vormt het momentum om de koers te verleggen”, vindt Thomas Rau, een van de architecten die voor Manifest. Architecten over klimaat en ongelijkheid zijn geïnterviewd. „Ik zie het coronavirus niet als het einde maar als kans van een nieuw begin. We worden door de allergrootste monopolist uitgedaagd, genaamd aarde, om ons mens-zijn opnieuw te organiseren.”

Rau, pionier in duurzame architectuur en mede-ontwerper van het houten, geheel demontabele hoofdkantoor van de Triodos Bank in Zeist, is een van de tweeëntwintig vooraanstaande Nederlandse architecten die zich in Manifest buigen over twee grote kwesties die bepalend zijn voor de toekomst van de stad: duurzaamheid en ongelijkheid. Uit hun gelijkluidende bespiegelingen laat zich een pleidooi voor de post-coronastad distilleren met als kernwoorden: verduurzaming, verdichting en vermenging. Uitgangspunt voor het manifest is dat de miljoen woningen die de meeste beleidsmakers de komende tien jaar willen bouwen in bestaande stadsgebieden moeten komen. Net als Rijksbouwmeester Floris Alkemade willen de architecten zo veel mogelijk de groene buitengebieden in het volle Nederland sparen.

Lees ook een interview met Floris Alkemade: ‘We leven in buitengewoon revolutionaire tijden’

Dit leidt tot veel dichtere bebouwing in de steden, een trend die het afgelopen decennium al zichtbaar werd. In vrijwel alle (middel-)grote steden, van Groningen tot Leiden, zijn de afgelopen jaren woontorens van zeventig meter en hoger verschenen. En als Nederland niet wordt getroffen door een crisis in de bouw, komen er de komende jaren nog vele bij. Zo begon Amsterdam onlangs met de aanleg van de Sluisbuurt, met 5.500 woningen in tientallen torens, die in hoogte variëren van 30 tot 125 meter. Den Haag kondigde de bouw aan van drie slanke woontorens in het Laakhavengebied van de Duitse architect Hans Kollhoff, waarvan de hoogste 240 meter wordt.

Maar als het aan de meeste architecten van Manifest ligt, zullen de toekomstige dichtbebouwde stadswijken niet uitsluitend uit woontorens bestaan. De post-coronastad moet een gevarieerde stad worden, met ook middelhoge en zelfs lage woonblokken. Wel zullen alle gebouwen op een duurzame manier worden gebouwd. Het gebruik van beton, dat gepaard gaat met een grote uitstoot van CO2, wordt beperkt ten gunste van hout. Met houtbouw is in Nederland de afgelopen jaren een voorzichtig begin gemaakt. Zo zijn er in Amsterdam enkele houten woongebouwen verrezen en werd onlangs de bouw aangekondigd van een houten kantoortoren met een hoogte van 86 meter op de Zuidas. In Rotterdam wordt eind januari een in de Maas drijvend houten kantoorgebouw opgeleverd, ontworpen door Manifest-architect Nanne de Ru van Powerhouse Company.

De architecten willen ook dat alle nieuwbouwwoningen worden voorzien van riante buitenruimtes waar bewoners tijdens toekomstige lockdowns een luchtje kunnen scheppen zonder hun huis te hoeven verlaten. En omdat thuiswerken ook na de coronacrisis waarschijnlijk geliefd blijft, is het wenselijk dat de woningcomplexen worden uitgerust met flexibele werkruimtes en vergaderzalen.

Conservatieve bouwwereld

De eenzaamheid die tijdens het coronajaar als groot maatschappelijk probleem werd ontdekt, wordt bestreden met gemeenschappelijke ruimtes en daktuinen waar bewoners elkaar ontmoeten. Ook hiermee haken ze aan bij een bestaande ontwikkeling. Zo krijgen The Muse en CasaNova van Barcode Architects, twee woontorens op een onderbouw in de Wijnhaven in Rotterdam, een groot gemeenschappelijk dakterras met een buitenkeuken, werk- en vergaderzaaltjes en fitnessruimte.

Om onder meer de zomerse hittestress als gevolg van het opwarmende klimaat te beperken, vinden de architecten het noodzakelijk dat de verdichting van de stadswijken gepaard gaat met een radicale vergroening. Daarom krijgen de woningcomplexen niet alleen groene gevels en balkons of terrassen die zijn beplant met bomen en struiken, maar worden ze ook omgeven door parkjes, collectieve moestuinen en sportvoorzieningen. Hier kunnen de bewoners dicht bij hun woning hun dagelijkse dosis gezonde beweging realiseren.

Zo wordt de post-coronastad een wandel- en fietsstad, waar het autoverkeer is teruggedrongen of, beter nog, uitgebannen. Voor zo’n wandelstad is nog wel nodig dat de nieuwe binnenstedelijke wijken ook ruimte bieden aan kantoren en bedrijvigheid die geen overlast veroorzaken. Ook winkels, scholen, bibliotheken en andere voorzieningen krijgen er een plek, zodat de mobiliteit van de bewoners beperkt blijft.

Maar een vergaande menging van de klassieke stedelijke functies wonen, werken en vermaak is nog niet genoeg: de post-coronastad moet ook een sociale stad worden. Hiertoe moeten er in de nieuwe wijken een keur aan woningtypes in alle prijsklassen komen, van studio’s voor starters tot gezins- en bejaardenwoningen. Zo krijgen de diverse bevolkingsgroepen, met lage, midden- én hoge inkomens, een plaats.

Veel van wat de architecten willen in de post-coronastad sluit aan op bestaande ontwikkelingen. Met de bouw van woontorens is verdichting al in gang gezet en zelfs de conservatieve Nederlandse bouwwereld, die het liefst blijft werken met beproefde betonsystemen, begint voorzichtig aan experimentele, duurzame gebouwen. Zo werd in de laatste maand van het coronajaar de bouw van SAWA aangekondigd, een multifunctioneel, supergroen en duurzaam gebouw van hout, dat heel goed het centrum van een post-coronawijk in de Rotterdamse Wijnhaven zou kunnen worden.

Maar functiemenging, zeker zo radicaal als de Manifest-architecten willen, is een stuk moeilijker. Nog altijd is het in de Nederlandse bouwpraktijk het gemakkelijkst – en daarom het lucratiefst – om wonen, werken en vermaak van elkaar te scheiden en in verschillende, monofunctionele gebouwen of wijken onder te brengen.

Bovendien leert de ervaring dat het buitengewoon lastig is met woon- en kantoortorens een aantrekkelijke stad te bouwen. Zo tekenden dertig jaar de ontwerpers van de Amsterdamse Zuidas dit als een gezellige woon-werk-en-vermaakswijk, waar shiny happy people aan grachtjes en in parkjes genieten van het grootstedelijk leven. Daar is tot nu toe weinig van terechtgekomen. De Zuidas bestaat nu hoofdzakelijk uit middelmatige woon- en kantoorkolossen die zorgen voor nare straten en desolate pleinen.

Het allermoeilijkst is van de post-coronastad een sociale, ongedeelde stad te maken. Ook in Nederland zijn de contouren zichtbaar van wat de Amerikaanse stadsgoeroe Richard Florida in 2017 in zijn boek The New Urban Crisis de nieuwe stadscrisis heeft gedoopt. Dertig jaar neoliberaal beleid, culminerend in de afschaffing van de wereldberoemde Nederlandse volkshuisvesting en ruimtelijke ordening in 2010, heeft niet alleen geresulteerd in een even hardnekkige als veelomvattende woningnood, maar ook in wat Florida patchwork cities noemt: steden waar de verschillende klassen en bevolkingsgroepen wonen in afzonderlijke, scherp begrensde stadsdelen die in welvaart en aanzien sterk van elkaar verschillen.

Lees ook: Hoe de overheid zelf de woningnood creëerde

Lappendekensteden

Ook Nederland krijgt in hoog tempo lappendekensteden, de tegenhanger van de post-coronastad. In steden als Amsterdam, Den Haag en Utrecht doen gentrificatie (het overnemen van oude middenklasse- en arbeidersbuurten door bewoners met hoge inkomens) en segregatie al jarenlang hun desastreuze werk. Zo zijn in Amsterdam de afgelopen twintig jaar 19de-eeuwse wijken als De Pijp, die vijftig jaar geleden nog op de nominatie stonden om te worden gesloopt, gegentrificeerd en is Amsterdam-Oud-Zuid een ‘gouden kooi’ geworden voor binnen- en buitenlandse superrijken.

Daar komt bij dat Nederland de afgelopen jaren als lucratief vastgoedland is ontdekt door internationale beleggers, op zoek naar het hoogste rendement. Mede hierdoor wordt het wonen in de grote steden zo duur dat het nu zelfs voor de middenklasse buiten bereik is geraakt.

Natuurlijk zijn de architecten zich van de nieuwe stadscrisis bewust. „Steeds vaker lijkt de functionele of maatschappelijke behoefte aan gebouwen minder belangrijk dan de economische behoefte”, zegt bijvoorbeeld Victor de Leeuw van EGM architecten in Manifest. „Kantoren, winkels en zorgvastgoed zijn vooral beleggingsobjecten en woningen fungeren tegenwoordig als product voor speculatie. Bouwen is verworden tot een business, waarbij de bouwproductie bijdraagt aan het BNP.” En Robert Winkel, een van de initiatiefnemers van de supergroene houten SAWA in Rotterdam, vindt dat „jonge mensen zich veel bozer zouden moeten maken over deze situatie die door voorgaande generaties is veroorzaakt. Ze zouden meer van zich moeten laten horen om hun toekomst zeker te stellen. Bijvoorbeeld over de rol van de overheid. Het neoliberale, het marktdenken moet er echt uit.”

Vrijwel alle Manifest-architecten zijn ervan overtuigd dat hun ideeën over de post-coronastad alleen een kans van slagen hebben als de rijksoverheid zich weer met ruimtelijke ordening en huisvesting gaat bemoeien. Ze sluiten zich aan bij de oproep van Nederlandse projectontwikkelaars en de Tweede Kamer die in een volgend kabinet weer een minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu willen aanstellen. Bart Mispelblom Beyer van Tangram architectuur en stedelijk landschap zegt daarover in Manifest: „In het dichtbevolkte Singapore is het niet voor niets zo groen.”