Grote bedrijven maken hun belofte om energie te besparen niet waar

Grootverbruikers Het waren mooie afspraken tussen de overheid en die 112 grootverbruikers van energie. Maar de besparingen waar ze zich aan hadden gecommitteerd, werden bij lange na niet gerealiseerd.

Eerbeek is een dorp met papierindustrie. Langs ’t Haagje worden wonen en papierfabriek DS Smith De Hoop van elkaar gescheiden door een hoge groene wand.
Eerbeek is een dorp met papierindustrie. Langs ’t Haagje worden wonen en papierfabriek DS Smith De Hoop van elkaar gescheiden door een hoge groene wand. Foto Walter Herfst

De inspanningen van de overheid om via een convenant grote industriële bedrijven tot energiebesparing aan te zetten, hebben de afgelopen tien jaar tot weinig extra resultaat geleid. Raffinaderijen, chemische bedrijven en bijvoorbeeld ook glasproducenten bespaarden gemiddeld jaarlijks 1,1 procent op hun energiebehoefte. Het uitgangspunt van het zogeheten MEE-convenant, waaraan ruim honderd bedrijven deelnamen was destijds een besparing van 2 procent. Papierfabrikanten en bierbrouwerijen presteerden het best.

„Over de hele linie is nauwelijks meer bereikt dan de zogeheten autonome besparing. Dat is de besparing van 0,9 tot 1 procent die je altijd al bereikt, zonder extra beleid”, zegt Ab de Buck die zich eerder bij onderzoeksbureau CE Delft en DCMR Milieudienst Rijnmond gespecialiseerd heeft in industriële besparing. „Je kan je echt afvragen of het MEE-convenant enige zin heeft gehad.”

Een ander convenant, waaraan zo’n 900 kleinere bedrijven zich bonden (MJA3), meldt hogere besparingen. Die ondernemingen weten jaarlijks hun processen gemiddeld 1,7 procent efficiënter te maken.

Je kan je echt afvragen of het MEE-convenant enige zin heeft gehad

Ab de Buck besparingsexpert

„Het resultaat over de afgelopen tien jaar is niet genoeg in het licht van wat in het MEE-convenant is afgesproken”, zegt Gertjan Lankhorst. Als voorzitter van VEMW vertegenwoordigt hij grootverbruikers van energie. De voormalige topambtenaar van Economische Zaken denkt dat investeringen om energie te besparen het afleggen tegen investeringen die sneller en hoger rendement opleveren. „Mogelijke investeringen in een bedrijf gaan bij het moederbedrijf in een grote pot. Als een project verplicht is, moet het. Zo niet, dan concurreert het met andere projecten die misschien wel direct rendement opleveren. Een besparing die zich in een aantal jaar moet terugverdienen, is best een lastig verhaal.”

Verplichting

Lankhorst vindt dat zelf geen zaligmakende verklaring. „Heb je als bedrijf zo’n convenant met de overheid afgesproken, dan zit er een verplichting in. Dan moet je bij jouw hoofdkantoor kunnen zeggen: deze investering moet ik doen. Daarom snap ik niet dat keer op keer die verplichtingen niet worden gehaald.”

Martijn Broekhof, hoofd klimaat bij de branchevereniging voor de chemische industrie (VNCI), benadrukt dat de behaalde energiebesparing van 1,1 procent alleen het proces van het bedrijf zelf behelst. „In de chemie, en ook in de raffinage, is de ketenbesparing belangrijk. Dat is de besparing die je samen met toeleveranciers of klanten boekt. Neem je die mee, dan komt de jaarlijkse besparing op 1,3 procent uit. Inclusief de buitenlandse zelfs op 1,8 procent.”

Onlangs zond minister Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) de resultaten van het MEE-convenant over 2019 naar de Tweede Kamer. Aan de afspraken, die eind vorig jaar afliepen , deden 112 grote industriële bedrijven mee die ruim een kwart van het nationale energieverbruik voor hun rekening nemen. „Als al die bedrijven de beoogde 2 procent energiebesparing op hun eigen proces hadden gehaald, dan zou dat jaarlijks 3,8 megaton CO2-uitstoot hebben gescheeld”, zegt De Buck. „Ter vergelijking: het streven in het klimaatakkoord om 1,5 miljoen huizen van het aardgas te halen, moet in 2030 tot een uitstootreductie van 2,4 megaton leiden.”

In een reactie benadrukt Wiebes’ ministerie dat een energiebesparing van 2 procent geen formeel doel van het MEE-convenant was. Die besparing wordt wel als doel van de regeringscoalitie in 2007 (kabinet-Balkenende IV) in de uitgangspunten van het MEE-convenant genoemd. Het convenant moest tot „een significante verbetering van de energie-efficiëntie” leiden. Voor de periode 2017 tot en met 2020 zijn aparte besparingsdoelen gesteld. In vier jaar moest 22 petajoule (PJ, een maat voor energie) van de ruim 500 PJ worden bespaard.

In een brief aan de Kamer stelt Wiebes dat de MEE-bedrijven tot en met 2019 „gezamenlijk 60 procent van hun voorgenomen besparing hebben gerealiseerd”. Het coronavirus en „de beperkte tijd die nog resteert” kunnen „het behalen van de ambitie bemoeilijken”. Naast de genoemde 22 PJ eiste het Rijk in een latere fase nog 9 PJ extra besparing voor 2020. Wiebes maakte deze maand bekend dat die extra eis grotendeels is behaald.

De grote bedrijven die deelnemen aan het Europese handelssysteem ETS – zij moeten over rechten beschikken om CO2 uit te stoten – hoeven in Nederland niet te voldoen aan de energiebesparingsplicht. Kleinere bedrijven zijn al jaren verplicht op energie te besparen als een investering daarin in vijf jaar wordt terugverdiend. Een recent aangenomen motie van Tweede Kamerlid Tom van der Lee (GroenLinks) vraagt de minister te onderzoeken of die plicht ook de grote industrie kan worden opgelegd. Wiebes gaat nu bekijken of zo’n besparingsplicht niet ten koste gaat van „andere, effectievere CO2-reducerende maatregelen”. Recentelijk heeft het parlement bijvoorbeeld de wet voor een nationale CO2-heffing aangenomen.

Elektrificatie

Dat CO2-reductie en energiebesparing gaan concurreren is een terechte angst, vindt Lankhorst van VEMW. Volgens hem is het veel zinniger om je te richten op één doelstelling, het terugdringen van broeikasgassen. „De belangrijkste manier om dat te bereiken is elektrificatie. Stroom vormt nu 20 procent van het totale energieverbruik en dat aandeel zal snel stijgen. Voor bedrijven kan het dan ingewikkeld worden om minder energie te verbruiken als ze de uitstoot willen beperken. Minder aardgas vergt nu eenmaal veel meer stroom. ‘Wat willen we nou?’, is dan de logische reactie uit de industrie.”

Tegelijkertijd is Lankhorst, die mee onderhandelde over het klimaatakkoord, kritisch op de industrie. „Een groot aantal bedrijven toont zich defensief op het gebied van verduurzaming. Dat zag je ook bij het klimaatakkoord en meestal bepaalt de langzaamste het tempo. Als critici nu zeggen ‘goed dat die CO2-heffing er komt’, dan begrijp ik dat, al vind ik die heffing niet verstandig. Je kan niet tegen alles zeggen dat het niet goed is en tegelijkertijd niet zelf leveren.”

Manoeuvreerruimte beperkt

In de uitkomsten van het MEE-convenant blijkt dat de energiebesparing bij bedrijfstakken varieert. „Je ziet dat brouwerijen en de papierindustrie de afgelopen tien jaar steeds zo’n 1,7 procent besparen. Maar raffinaderijen en chemiebedrijven komen niet of nauwelijks boven het autonome besparingsniveau van 1 procent”, zegt De Buck. Volgens hem vallen de best presterende bedrijven geregeld onder een Nederlandse of Europese moeder. „Bij de minder presterende bedrijven moeten investeringen vaker binnen twee of drie jaar worden terugverdiend.”

Volgens Martijn Broekhof van de VNCI is de manoeuvreerruimte van veel bedrijven om tot besparingen te komen beperkt. „Grote complexe installaties worden eens in de vijf jaar stilgelegd, dan kan je pas iets doen. En binnen de chemie is energiebesparing belangrijk, maar procesveiligheid is nog veel belangrijker.”

Broekhof benadrukt dat bedrijven zich aan diverse overheidsdoelen moeten houden. Bij sommige is sprake van een boeteclausule. Bij het MEE-convenant is dat niet direct het geval. „Soms word je rechtstreeks afgerekend en dan is de vraag waar je in gaat investeren. Dat geldt bijvoorbeeld voor de extra eis van de overheid om aanvullend 9 PJ te besparen.”

Binnen de chemie is energiebesparing belangrijk, maar procesveiligheid is nog veel belangrijker

Martijn Broekhof VNCI

Ook al zijn de doelen niet gehaald, het convenant heeft volgens Broekhof zin gehad. „Vanwege bewustwording bij bedrijven. En wij kunnen de overheid ook laten zien hoe complex het kan zijn. Dit soort gesprekken over en weer hebben ook de basis gelegd voor het klimaatakkoord.” Of de convenanten een vervolg krijgen, wordt volgens Economische Zaken en Klimaat nog in overleg met de bedrijven bekeken.

Papierproductie bij Norske Skog Parenco in Renkum in 2010. De papiersector doet het qua energiebesparing relatief goed. Foto Flip Franssen

Voor het MEE-convenant was 2019 ook bijzonder omdat het energiegebruik niet volledig verklaard kan worden. De gemiddelde efficiencyverbetering is weliswaar 1 procent ten opzichte van een jaar eerder, maar „een niet direct te verklaren restpost van 24 PJ blijft over’’. Dat staat gelijk aan maar liefst 4,2 procent van het energieverbruik van de deelnemende bedrijven.

„Die restpost is nu buiten de totaalcijfers gehouden. Maar als je dat meeneemt, is er vorig jaar 3 procent meer energie verbruikt”, zegt De Buck. „Deze ontsparing, het tegenovergestelde van besparing, zorgt voor zo’n 2 megaton CO2-uitstoot. Dat staat gelijk aan de uitstoot van bijna één miljoen auto’s in een jaar.”