Koopkracht stijgt, maar Koolmees waarschuwt: veel mensen zullen het niet merken

Inkomensplaatjes Volgens het CPB gaan Nederlanders er in 2021 een procent op vooruit. De minister benadrukt: vanwege de crisis moeten we dat getal dit jaar extra „genuanceerd” benaderen.

Dankzij de verlaagde inkomstenbelasting gaan de meeste werknemers er in salaris op vooruit
Dankzij de verlaagde inkomstenbelasting gaan de meeste werknemers er in salaris op vooruit Foto Remko de Waal/ANP

Werknemers die deze maand hun loonstrookje bekijken, zien een hoger nettobedrag dan in december – ook als zij geen loonsverhoging hebben gekregen van hun baas. Dankzij de verlaagde inkomstenbelasting.

Vooral werknemers met een modaal inkomen (36.500 euro) profiteren daarvan. Zij gaan er 2 procent in salaris op vooruit, volgens berekeningen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Voor hogere inkomens loopt het effect langzaam terug, tot een plus van 1 procent voor wie 100.000 euro per jaar verdient.

Maar wat betekent dit voor de koopkracht? Wegen deze voordelen op tegen de jaarlijks stijgende prijzen? Ieder jaar worden daar voorspellingen over gemaakt, door het Centraal Planbureau (CPB) en het ministerie van Sociale Zaken. Zo ook voor dit jaar.

De conclusie: de koopkracht van Nederlanders (werkend, niet-werkend en gepensioneerd) gaat er met 1 procent op vooruit, schreef het CPB in november. Werknemers in loondienst profiteren naast de belastingverlaging ook van stijgende cao-lonen: die raamt het CPB op een bescheiden 1,4 procent. Maar de inflatie blijft met 1,4 procent óók beperkt. En in veel sectoren stijgt de pensioenpremie. Daardoor volgt er onder de streep een kleine koopkrachtplus.

De cijfers zeggen niet alles

Dan komt het CPB met een grote ‘maar’. Het planbureau waarschuwt ieder jaar dat je aan deze voorspellingen niet een al te groot gewicht moet toekennen. Het zijn slechts voorspellingen van de ‘statische koopkracht’. Die houdt geen rekening met persoonlijke omstandigheden zoals trouwen, scheiden, verhuizen, ontslagen worden of een kind krijgen. Dat soort individuele gebeurtenissen hebben vaak een veel groter koopkrachteffect dan cao-loonstijgingen of beslissingen van het kabinet.

Voor 2021 is deze kanttekening extra relevant, schreef ook minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) vorige maand aan de Tweede Kamer, in een brief waarin hij gedetailleerde berekeningen presenteerde over de loonstrookjes en koopkracht van dit jaar. Veel werknemers zullen dit jaar hun baan verliezen en zelfstandig ondernemers hun opdrachten. Daardoor „zullen verschillende huishoudens zich niet goed herkennen in de statische koopkrachtramingen”, schreef Koolmees. „Dat maakt dat we in deze periode met nog meer nuance zullen moeten kijken naar deze cijfers.” Volgens het CPB loopt de werkloosheid op van 4 procent eind vorig jaar naar ruim 6 procent dit jaar.

Twee groepen in de min

Wel kun je de cijfers gebruiken om verschillende groepen met elkaar te vergelijken. Zo valt op dat mensen met een ‘minimumuitkering’ zoals de bijstand er slechts beperkt op vooruit gaan. In de brief van Koolmees staat bij hen een koopkrachtplus van zo’n 0,4 procent. Hun uitkering is gekoppeld aan de ontwikkeling van het minimumloon, en die is per 1 januari amper gestegen: met 0,29 procent.

Twee groepen gaan er niet op vooruit in de cijfers. Allereerst zijn dat alleenstaande, werkende ouders met het minimumloon. Bij hen staat een koopkrachtnadeel van 0,1 procent. Zij profiteren niet van het fiscale voordeel omdat zij nu al geen belasting hoeven te betalen.

Ook gepensioneerden met een hoog aanvullend pensioen gaan er in koopkracht op achteruit. De AOW-uitkering – het ‘basispensioen’ – wordt nog altijd jaarlijks verhoogd, maar de aanvullende uitkering van het pensioenfonds staat voor de meeste ouderen al meer dan tien jaar stil.