De eerste Afrikaanse Amerikanen werden verhandeld onder de Nederlandse vlag

Slavernij In de VS leren scholieren over ‘1619’: het jaar waarin de eerste Afrikanen naar Virginia werden gebracht – de oorsprong van de Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap. Uit archieven en brieven blijkt nu dat Nederland hierin een grote rol speelde.

Geketend lopen Isabella, Antonio en duizenden andere inwoners van het verwoeste Ndongo-koninkrijk naar de kust van Angola. Het is februari 1619. Ze worden voortgedreven door Portugese soldaten. De rivier die ze volgen kleurt rood van de bloedige strijd die de Europeanen laten uitvechten door Afrikaanse huurlingen van elders.

We weten niet veel over de laatste dagen van Isabella en Antonio in Afrika. Waarschijnlijk worden ze dagenlang op het strand in hutten opgesloten, gebrandmerkt, en gezegend door een priester – waarna ze naar de São João Bautista worden geleid, een van de zeker 36 schepen die dat jaar uitvaren uit de haven van Luanda in Angola om de koloniën van het Spaanse rijk van slaven te voorzien.

In Ndongo heetten ze vermoedelijk anders, maar hun Portugese namen Isabella en Antonio zullen tienduizend kilometer verderop verbasterd worden tot ‘Isabell’ en ‘Antoney’ en terugkomen in de volkstelling van de Engelse kolonie Virginia. Dat ze daar terechtkomen, komt door een brief die is ondertekend door stadhouder Maurits van Oranje. Antonio en Isabella worden onder Nederlandse vlag verkocht in Amerika. Vierhonderd jaar later zullen ze symbool staan voor het begin van de zwarte Amerikaanse gemeenschap.

In de Verenigde Staten is ‘1619’ iconisch. Uit geschiedenisboeken leren Amerikaanse scholieren over een ‘Nederlands oorlogsschip’ dat Isabella en Antonio naar het vasteland van Brits Amerika bracht. De herdenking in 2019 en de lancering van het ambitieuze Project 1619 van The New York Times – een langlopende, Pulitzer Prize winnende serie over de erfenis van de slavernij – leidden tot een fel debat over de oorsprong van de VS als een plantagesamenleving gebaseerd op raciale ongelijkheid, dat deze zomer extra voeding kreeg door de dood van George Floyd en de Black Lives Matter-protesten.

In Nederland is de episode volstrekt onbekend. Er is nauwelijks onderzoek gedaan naar de Nederlandse inbreng in 1619. NRC doorzocht het afgelopen jaar brieven en archieven, en ontdekte hoe cruciaal de rol van de Republiek is geweest in de verkoop van de eerste Afrikanen in Virginia – en daarmee het begin van de African-American community.

Het onderzoek levert ook nieuw bewijs in een internationale historische whodunnit. Want na ruim vierhonderd jaar is eindelijk duidelijk wat dat Nederlandse schip daar precies deed en wie het lot van Isabella en Antonio bezegelde. Ze waren een speelbal in een poging om via kaapvaart de eerste Nederlandse koloniën in Zuid-Amerika te beschermen. Die kaapvaart was een opstapje naar de latere grootschalige slavenhandel.

Het schilderij Vlissingen vanuit zee, door Petrus Segaers, uit 1669. Foto Zeeuws maritiem muZEEum

De White Lion

Terwijl Antonio en Isabella in de zomer van 1619 in de stinkende buik van de São João Bautista onderweg zijn naar Veracruz in Mexico, wacht Jan de Moor, burgemeester van Vlissingen, op bericht uit Caribisch gebied. Als telg van een beroemde zeevaardersfamilie en als typische regent-koopman van zijn tijd heeft hij al jaren geïnvesteerd in overzeese ontdekkingen.

Na eerdere betrokkenheid bij de walvisvaart heeft nu de Guyana-vaart zijn aandacht, de ontdekking van het Zuid-Amerikaanse vasteland. Aangestoken door verhalen over goudland El Dorado heeft hij verschillende schepen de Amazone op laten varen en inmiddels is hij financieel betrokken bij twee of drie koloniën daar.

Het is voor het eerst dat Nederlanders proberen meer dan een handelspost op te richten in de Nieuwe Wereld, en het lukt burgemeester De Moor en zijn partners aardig. Er staan een paar kleine Zeeuwse forten langs verschillende rivieren en zijtakken van de Amazone, er wonen kolonisten en er zijn goede handelscontacten en zelfs huwelijken met de lokale bevolking.

Voor minstens één van die koloniën, die van Fort Kijkoveral aan de Essequibo-rivier (in huidig Guyana), werkt De Moor samen met de Engels-Nederlandse handelsfamilie Courteen, of Courten. De banden tussen Zeeland en Engeland zijn sterk. Tot 1616 was Vlissingen een ‘pandstad’: een onderpand voor de Engelse steun aan de oorlog tegen Spanje.

Ruïne van Fort Kijkoveral, in Guyana. Foto Alamy Stock Photo

De Moors persoonlijke band met de Engelsen is al net zo sterk. Hij redde ooit het leven van de commandant van het omvangrijke Engelse garnizoen in de stad. Toen de Engelse soldaten na aflossing van de schuld in 1616 werkloos werden, hadden Pieter Courteen en burgemeester De Moor 130 van hen ingescheept richting de Amazonedelta, samen met andere kolonisten.

Maar met de prille koloniën zoeken de Zeeuwen wel een grens op. In de broze vrede van het Twaalfjarig Bestand met Spanje is het verboden om te handelen in een gebied dat Spanjaarden of Portugezen – verenigd onder één kroon – tot hun eigendom rekenen. Guyana is nog onbetwist, maar de aanwezigheid van Nederlanders daar zint de Spanjaarden niets. Het bestand loopt op zijn einde en de Zeeuwen worden steeds brutaler. Af en toe komt het tot een treffen.

Dus nu heeft De Moor een aantal kapers laten uitvaren ter verdediging van zijn koloniën in „de West-Indiën […] ende in de rivieren van de Amazones, Waja Poca ende andere rivieren ende quartieren daerontrent gelegen”, zoals het staat in de drie kaperbrieven van De Moor, waarvan de afschriften in het archief van de Zeeuwse Admiraliteit in het Nationaal Archief liggen. Kaperbrieven van machthebbers en overheden gaven kapiteins het recht vijandige schepen aan te vallen en te beroven. Vlissingen geldt aan het begin van de zeventiende eeuw als de kaperhaven van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Met name Engelse vrijbuiters kunnen hier de brieven krijgen die in eigen land niet meer worden verstrekt.

John Jope vaart in 1619 met zijn schip, de White Lion, rond in Caribisch gebied met een van die kaperbrieven, ondertekend door de stadhouder van de Republiek, Maurits van Oranje

Een van de kapers van De Moor moet de Engelse kapitein John Jope zijn geweest. Op zijn schip, de White Lion, vaart hij in 1619 rond met een van de drie kaperbrieven, ondertekend door de stadhouder en legeraanvoerder van de Republiek, Maurits van Oranje. Jope jaagt namens Nederland in het Caribisch gebied op Spaanse en Portugese schepen. De Bautista, met Antonio, Isabella en honderden andere Angolezen, vaart er recht op af.

De kaapvaart is een soort legale piraterij. De regels zijn, zeker in 1619, niet altijd loepzuiver. Zeeuwse en Engelse kapers vormen een vooruitgeschoven handelsmarine, verenigd in hun haat tegen het katholieke Spanje. Handelsbelangen en oorlog gaan hand in hand.

De Treasurer

De drie brieven die Maurits van Oranje ondertekende voor „Johan de Moor ende Compagnie” zijn om verschillende redenen opmerkelijk. Anders dan gebruikelijk zijn ze niet toegeschreven aan een specifieke kapitein of zelfs een schip, maar aan het handelshuis van de Vlissingse burgemeester, een aanwijzing voor het belang van de koloniën. En ze geven een voor vredestijd uitzonderlijk ruim mandaat, wat aangeeft hoe sterk de drang was de Spanjaarden dwars te zitten.

De kapers van De Moor hebben het recht om, ondanks het Twaalfjarig Bestand, „den Spaignaerden, sijne ondersaten oft andere heure vijanden sullen mogen soecken, achterhaelen ende aentasten op de custen van Brasiliën ende West-Indiën”. Ze mogen de Spanjaarden actief opzoeken en overvallen, ook zonder dat zij eerst worden aangevallen. Ook opmerkelijk: de private missie van De Moor kreeg vijf kanonnen mee die betaald werden door de Admiraliteit van Zeeland. De belangen van De Moor waren de belangen van Zeeland.

De White Lion van kapitein Jope opereert niet alleen. In het Caribisch gebied ontmoet de White Lion het derde schip in dit verhaal: de Treasurer, een berucht Engels schip dat al jaren heen en weer vaart tussen Virginia, Bermuda, de Cariben en Engeland. In 1613 werd Pocahontas, de dochter van de big chief van de Powhatan, door de Treasurer ontvoerd. Zij trouwde met tabaksplanter John Rolfe in de prille noodlijdende Engelse kolonie Virginia, waardoor oorlog met de oorspronkelijke bewoners werd afgewend. Met hetzelfde schip voer het echtpaar naar Engeland als promotietrip voor de kolonie. De Treasurer maakte in 1614 ook voor het eerst contact met de Nederlandse handelspost op Manhattan en bracht een waarschuwing dat Nieuw Nederland zich in Engels territorium zou bevinden.

Lithografie uit 19de eeuw van het huwelijk tussen Pocahontas en John Rolfe, kolonist in Virginia. Foto Library of Congress

Maar nu, in 1619 in het Caribisch gebied, zijn de Engelse en Nederlandse kapers vrienden, calvinistische handelaren verenigd tegen Spanje.

De kapitein van de Treasurer, Daniel Elfrith, is net als Jope op strooptocht, op zoek naar Spaanse of Portugese schepen. Zijn schip is eigendom van Robert Rich, Earl of Warwick, een protestantse Engelse handelaar en machthebber met Zeeuwse connecties die graag de grenzen van de wet opzoekt.

Isabella en Antonio zien tijdens hun lange overtocht velen sterven op de João Bautista. De driemaster, bedoeld voor 200 slaven, is met 350 gevangenen veel te vol. 40 procent van hen zal nooit het vasteland bereiken. In Jamaica legt de Portugese kapitein aan, verkoopt 24 kinderen in ruil voor verversingen, en vaart weer door. Op enkele dagen van de eindbestemming doemen in augustus 1619 in de Golf van Mexico de masten op van de Treasurer en de White Lion.

Mensenhandel

Nederlandse en Engelse handelaren halen in die periode zelf nog geen slaven uit Afrika, ze concentreren zich op scheepskapingen. De hoofdprijs is het Spaanse goud en zilver, zoals bij de latere Zilvervloot van kaper Piet Hein, maar veel vaker vormen goederen als tabak, hout en suiker de buit. Soms treffen ze Afrikanen aan.

Er zijn dan nog geen Nederlandse koloniën die arbeidskrachten nodig hebben, maar het denken daarover verandert juist in deze jaren snel. Protestantse vrijbuiters en handelaren als Jope en Elfrith zien op alle kusten rond de Atlantische Oceaan dat slavernij de katholieke vijand veel oplevert.

Een paar maanden eerder hebben twee kapiteins met een Nederlandse kaperbrief en Nederlandse bemanning zestien Afrikanen afgezet op Bermuda, een zusterkolonie van Virginia. Op datzelfde eiland gaf een planter dat jaar hoog op van ene Francisco, een Afrikaan die ook door een Nederlands-Engelse kaper was afgeleverd en wiens kennis cruciaal bleek voor de tabaksteelt op het eiland. „Deze slaven zijn de beste en goedkoopst mogelijke instrumenten voor deze plantage”, schreef hij.

In de Golf van Mexico neemt Jope de leiding in de gezamenlijke kaping. Zijn schip is groter en uitgerust met een sloep. Ze overmeesteren de João Bautista vrij gemakkelijk. De twee kapiteins verdelen vijftig tot zestig Afrikanen over hun twee schepen. De anderen laten ze achter op de gehavende João Bautista. Zij worden later door de overlevende Portugezen overgezet naar een ander schip, dat doorvaart naar Mexico.

De twee kapers zetten met hun buit koers naar Virginia, de Engelse kolonie annex kaperhaven met sterke Zeeuwse banden.

Antonio en Isabella zijn op de White Lion terechtgekomen. De Nederlandse kaperbrief aan boord van dat schip zal cruciaal blijken voor hun lot en daarmee voor de geboorte van hun zoon, de eerste geregistreerde Afrikaanse Amerikaan.

Piraterij

De White Lion van Jope arriveert als eerste. Op vertoon van zijn Zeeuwse kaperbrief wordt Jope vriendelijk ontvangen bij Point Comfort, de punt van een landtong voor de kust van Virginia.

De White Lion is bijna door zijn voorraad heen. Het „Nederlandse oorlogsschip”, zo rapporteert tabaksplanter en secretaris van de kolonie John Rolfe – inmiddels weduwnaar van Pocahontas – een paar maanden later, „brought not anything but 20 and odd negroes”. Niets anders dan „twintig en enige negers”. Hij meldt ook dat de Angolezen worden gekocht in ruil voor proviand tegen „de best mogelijke prijs”.

Het is een zakelijke beschrijving voor een sinistere mijlpaal. Isabella, Antonio en de andere Angolezen op de White Lion zijn de eerste geregistreerde Afrikanen die op het Britse vasteland van Noord-Amerika worden verkocht. Het begin van een lange geschiedenis van slavernij.

Virginia wordt wel de ‘Mother of States’ genoemd, het historische hart van de latere Engelstalige VS. Er zijn oudere bewijzen van Afrikanen in Spaans-Amerika, zoals in Florida, maar ‘Virginia’s 20 and odd’, verkocht onder Nederlandse vlag, vormen voor het eerst een blijvende Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap.

Kapitein Elfrith arriveert vier dagen later in Virginia, met ook ongeveer dertig Angolezen aan boord. Maar hij vaart met een verlopen kaperbrief van de hertog van Savoie en krijgt een minder warm onthaal. Anders dan de wettelijk geoorloofde kaping in naam van Oranje is zijn actie illegaal en mogelijk piraterij.

Gewoonlijk zou Elfrith er mogelijk mee weggekomen zijn; de kaapvaart is een schimmig spel en zijn machtige baas, de Earl of Warwick, zocht als gezegd vaker de rand van de wet op. Maar in de maanden voor Elfriths terugkomst in Virginia zijn er twee facties ontstaan in de Virginia Company, de Engelse handelsonderneming die de kolonie exploiteert. De officiële leiding zit op de lijn van de Engelse koning James I, die hengelt naar de gunst van de Spanjaarden.

De Earl of Warwick behoort tot de andere factie van strenge protestantse avonturiers voor wie, net als voor de bevriende Zeeuwen, handel en oorlog hand in hand gaan. Het lukt Elfrith ternauwernood om „twee of drie” Angolezen af te zetten in Virginia, waarna hij snel vlucht naar het hem vriendelijker gezinde Bermuda.

Illustratie uit 1901 van de eerste Afrikanen die als slaaf werden verkocht in Jamestown, Virginia, in 1619. Onder hen Isabella en Antonio, later ouders van de eerste geregistreerde ‘African-American’. Foto Library of Congress

Vervalst bewijs

Het komt door de vermeende piraterij van de Treasurer dat we nu het verhaal van de 20 and odd kennen, zegt historicus Martha McCartney vanuit Virginia, die zeer uitgebreid onderzoek deed naar ‘1619’. Het papieren spoor dat de White Lion zelf naliet is dun. „Eigenlijk is vrijwel alles wat we weten over de White Lion afkomstig uit Engelse informatie over de Treasurer.”

Jope handelde legaal door de kaperbrief met de handtekening van Maurits van Oranje, verklaart McCartney. „Dus niemand keek ernaar om.” De Treasurer raakte door een politieke machtsstrijd verwikkeld in rechtszaken in Engeland. In documenten daarvan wordt het zijdelings betrokken schip van Jope meestal „Dutch” genoemd, soms „Flemish” en meermaals als afkomstig uit „Vlissingen”. Toch is een aantal historici gaan twijfelen. Was de White Lion niet eigenlijk een Engels schip, wat moest worden verzwegen om de kliek rond de Earl of Warwick te beschermen? Werd er bewijs vervalst? Piraten eindigden immers nogal eens aan de galg.

Dat beargumenteert onderzoeksjournalist Tim Hashaw in zijn boek The Birth of Black America uit 2007. Hij noemt de hele zaak rond de Angolezen een diplomatieke „cover-up”. En historicus Alexander Brown schreef zelfs al in 1898 in zijn The First Republic in America dat de brieven uit die tijd „duidelijk eerder geschreven waren met het doel de feiten te verdoezelen dan ze te onthullen”.

In aanloop naar het herdenkingsjaar 2019 is er veel aanvullend Amerikaans onderzoek gedaan naar deze historische whodunnit en naar het lot van de 20 and odd, maar de vragen over de White Lion bleven.

Een antwoord blijkt te liggen in het Nationaal Archief in Den Haag.

In de oorspronkelijke Engelstalige documenten rond de Treasurer wordt slechts één keer de naam White Lion genoemd. Dat kan een vertaling zijn geweest van Witte Leeuw (zie kader). De naam van de Engelse kapitein in Zeeuwse dienst duikt driemaal op, in verschillende spelling: Youpe, Jope en Chope. De kaperbrief van Maurits van Oranje wordt in de rechtszaken en brieven meermaals genoemd.

Die zou dus vindbaar moeten zijn. Maar in de Nederlandse archieven uit die periode zijn noch Jope, noch de White Lion terug te vinden. Dat kan komen doordat archiefdelen verloren zijn gegaan – maar de administratie van kaperbrieven van de Admiraliteit van Zeeland uit die periode is, hoewel beschadigd, compleet.

Dus móét de brief ertussen zitten.

Daar komen de drie opmerkelijke kaperbrieven van De Moor in beeld. Ze zijn vrijwel identiek en uitgegeven aan burgemeester „Johan de Moor ende Compagnie” door de Zeeuwse Admiraliteit en stadhouder Maurits van Oranje. Eén is van 18 maart 1617, twee zijn van 1 juni 1618.

Het verbaast de Zeeuwse archivaris en kaapvaartkenner Ivo van Loo dat in de documenten geen kapitein of scheepsnaam wordt genoemd. „Ik ken geen andere kaperbrieven die niet zijn toegeschreven aan een specifieke kapitein. Het lijken algemene handelsbrieven voor De Moor, die door verschillende kapiteins gebruikt konden worden.” En dan is ook nog het mandaat opmerkelijk groot: ze mogen, in vredestijd, Spaanse schepen actief aanvallen. „Misschien kreeg De Moor de vrije hand”, zegt Van Loo.

In zijn brief over de „20 and odd negroes” schreef John Rolfe slechts één alinea over het Nederlandse schip en de Afrikanen. Hij vindt het daarin van belang te melden dat de kapitein voer met een „lardge and ample comyssion from his excellency to range and take purchase in the West Indyes”. Een grote en ruime kaperbrief van Maurits van Oranje, die toestaat in Caribisch gebied te varen en buit te nemen. De kaperbrieven voor De Moor voldoen precies aan die beschrijving.

Afschrift van de kaperbrief voor ‘Johan de moor ende compagnie’. De White Lion voer waarschijnlijk met deze kaperbrief.
Vindplaats: Nationaal Archief, Archieven van de Admiraliteitscolleges

Volgens Van Loo moet Jope een van de drie ‘open’ kaperbrieven voor de koloniën van Jan de Moor aan boord hebben gehad. Een conclusie die door de andere geconsulteerde historici Wim Klooster, Martha McCartney, Beth Austin en de Zeeuwse kaapvaartdeskundige Johan Francke wordt gedeeld, want de brieven geven antwoord op meer vragen.

Jope voer in Nederlandse dienst, zijn kaperbrief kwam van de stadhouder en hij was in dienst van de burgemeester van Vlissingen. Als het schip in Engelse dienst voer, zou hij ankergeld hebben moeten betalen in Vlissingen. Dat is niet gebeurd. Maar de verwarring rond de nationaliteit van Jope en zijn schip is wel te verklaren: een Engelse kapitein en bemanning, op een schip dat waarschijnlijk namens een Zeeuws-Engelse handelscombinatie handelde, om de eveneens Zeeuws-Engelse koloniën te beschermen.

Hoeveel De Moor verdiende aan de verkoop van de Angolezen in 1619, is niet terug te vinden in de archieven. Gewoonlijk moesten kapers de buit terug naar Nederland brengen, maar daar is in dit geval geen administratie van. Opnieuw wijkt de brief namelijk af van de standaard. In dit geval mochten de goederen ook elders „gedisponeert werden naer behooren”. En dat is precies wat Jope doet met Antonio en Isabella en de andere Angolezen. Hij ‘disponeert’ hen in Virginia, tienduizend kilometer van huis.

Ondernemers op steroïden

Wat gebeurde er daarna met Antonio en Isabella, De Moor en Jope? Ze zouden allen op een eigen manier hun sporen nalaten in de geschiedenis. De eerste twee via de liefde, de laatste twee met handel en geweld.

Kapitein Jope voer na een maand terug naar Nederland met zijn White Lion, blijkt uit een brief die John Pory, secretaris van Virginia, schreef aan Sir Dudley Carleton, de ambassadeur van Engeland in de Republiek. Hij gaf die brief mee aan „this man of warre of Flushing” die „so fitt a messenger” was – het Vlissingse oorlogsschip dat zo’n geschikte boodschapper was. De brief kwam begin 1620 aan op de Lange Voorhout in Den Haag.

Daarna duikt Jope nog eenmaal op in Nederlands verband, dit keer als ‘Yope’ in een Engelse rechtszaak. In 1623 bedrijft hij kaapvaart vanuit Ierse en Engelse havens, met een Nederlandse kaperbrief die niet in orde blijkt. Zijn Engelse bemanning pleegt muiterij tegen ‘piraat’ Jope en laat hem achter op een buitgemaakt schip uit Caribisch gebied, samen met dertien of veertien Nederlandse bemanningsleden – die blijkbaar wel loyaal aan hem bleven.

De Moor zou nog tot 1632 burgemeester van Vlissingen blijven, hij werd ook bewindhebber bij de West-Indische Compagnie (WIC) die werd opgericht in 1621 en dezelfde kapersstrategie hanteerde als die waarmee De Moor had geëxperimenteerd. Hij kreeg zitting in het dagelijks bestuur van de Staten van Zeeland en de Admiraliteit. En hij blijkt na 1619 al snel bedreven te zijn geraakt in de slavernij.

Zijn eerste koloniën, waar mogelijk al oorspronkelijke bewoners te werk werden gesteld, werden al snel onder de voet gelopen, maar Nova Zeelandia rond Fort Kijkoveral langs de Essequibo-rivier bleef tot in de negentiende eeuw bestaan. De Moor stichtte ook de kolonie Nieuw Walcheren op het eiland Tobago waar in de jaren daarna duizenden Afrikanen, Arowakken en Cariben slavenarbeid verrichten. In 1631 schreef De Moor een oorlogsplan dat Spanje tot „Uyterste Ruine” moest brengen. De missie van tientallen oorlogsschepen zou gesteund worden door de voltallige Vlissingse kapervloot. Ook twaalfhonderd Angolese slaven vormden onderdeel van dit plan. Het werd nooit uitgevoerd.

Tussen 1640 en 1670 zijn Nederlanders zelfs verantwoordelijk voor 47 procent van de gedocumenteerde slavenreizen

Dat ‘1619’ in Amerika inzet is van een levendig en politiek debat, maar in Nederland vrijwel onbekend is, is wel te verklaren, zegt historicus Wim Klooster. Hij doet al jaren onderzoek naar de Atlantische wereld in die periode, aan Clark University in Massachusetts. „In het Nederlandse debat wordt meestal pas over slavenhandel gesproken vanaf het moment dat Nederlanders zo rond 1630 zelf slaven gaan halen voor de koloniën in Brazilië. Maar via kaapvaart deed Nederland al eerder aan mensenhandel.”

Klooster: „Er wordt vaak gezegd dat Nederland verantwoordelijk is voor 5 procent van de totale trans-Atlantische slavenhandel. Dat zou dan weinig zijn. Maar als je alleen kijkt naar wat wij de Gouden Eeuw zijn gaan noemen, ligt dat percentage veel hoger. In de bloeiperiode van Nederland, tussen 1640 en 1670, zijn Nederlanders zelfs verantwoordelijk voor 47 procent van de gedocumenteerde slavenreizen. De Nederlanders zijn in die periode de grote slavenhandelaren.” Je kunt 1619 zien als ‘voorstadium’ van de latere grootschalige handel, stelt hij.

Ook historicus McCartney ziet dat zowel Engelsen als Nederlanders via de kaapvaart bekend worden met slavenhandel. „Zo’n situatie als bij de White Lion kon werken als een eurekamoment. Ze realiseerden zich dat ze slaven konden verhandelen.” En kolonisten realiseren zich dat een plantagesamenleving alleen kan draaien op goedkope werkkrachten. McCartney noemt de Engelsen en Nederlanders die in die periode actief waren in de trans-Atlantische handel „ondernemers op steroïden”. „Ze waren zo gedreven om geld te verdienen en roem voor hun land en zichzelf te vergaren.”

William theire Child Baptised

De meeste van de bijna dertig Ndongo-mannen en -vrouwen die in 1619 onder Nederlandse vlag in Virginia kwamen, verkocht Jope aan Abraham Piersey. Hij werd een van de meest welvarende planters van Virginia. Piersey bezat een paar jaar later ruim duizend hectare gecultiveerde grond in de omgeving, met verschillende windmolens en tabaksschuren erop. Het land werd voornamelijk bewerkt door Angolezen.

Antonio en Isabella werden na de verkoop ‘eigendom’ van fortcommandant William Tucker in Virginia. Ze trouwden. Vijf jaar later kregen ze een zoon, die dezelfde naam kreeg als de slavenhouder. „Antoney Negro: Isabell Negro: and William theire Child Baptised”, staat in de volkstelling van januari 1625, als behorend tot Tuckers huishouden. Commandant en volksvertegenwoordiger Tucker vergaarde die jaren steeds meer land, en ongetwijfeld droegen de arbeid en kennis van Antonio en Isabella daaraan bij.

William Tucker, de zoon van Antonio en Isabella, staat bijna vierhonderd jaar later bekend als de eerste geregistreerde ‘African-American’: de eerste Amerikaan geboren uit Afrikaanse ouders. Na Isabella en Antonio zouden nog zo’n 600.000 Afrikanen in Amerika verkocht worden. De Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap in de Verenigde Staten, met William Tucker als symbolische aartsvader, telt nu 44 miljoen mensen. De directe nazaten van William Tucker zijn hem allerminst vergeten. Ze zoeken nog altijd naar zijn lichaam.

Herinnering in Fort Monroe, Virginia, aan de eerste Afrikanen in Amerika.
Foto Liu Jie/Xinhua

Black Lives Matter

„Het is voor mij heel emotioneel om aan te denken. Iedere keer weer”, zegt Vincent Tucker (58), voorzitter van de William Tucker 1624 Society, vanachter de webcam in Hampton, Virginia. „Je werd niet onderwezen, leerde niet lezen of schrijven. Iemand anders vergaarde rijkdom met jouw ideeën en werk.”

De geschiedenis van 1619 gaat hem persoonlijk aan. Hij heeft dezelfde achternaam als die welke Isabella, Antonio en William in Virginia kregen van hun eigenaar. Een paar honderd meter van de toenmalige plantage beheert Vincent Tucker nu de familiebegraafplaats, waar mogelijk ook zijn voorouders liggen.

Vincents vader vertelde hem het verhaal, dat hij weer van zijn vader hoorde: dat ze afstammen van William. Zijn familie doet al jaren archiefonderzoek, ze lieten dna-tests doen, ze lieten scans maken van de familiebegraafplaats. Maar behalve de familieverhalen is er weinig overgeleverd. Bewijzen is moeilijk, archieven zijn schaars en beschadigd, en Antonio, Isabella en William worden na de volkstelling van 1625 nergens meer genoemd.

In augustus 2019 herdachten de Tuckers met vele anderen de aankomst van Isabella en Antonio aan zee, met plengoffers, Afrikaanse muziek en rituelen. Vincent vertelde dat herdenkingsjaar hun verhaal vaak aan nationale media. Zijn zus Wanda Tucker reisde met een cameraploeg van USA Today naar Angola en liep daar over de weg die Antonio en Isabella geketend moeten hebben afgelegd naar het strand. Het lukte haar niet om de wandeling te voltooien. De emoties werden haar te veel.

„Een groot deel van wit Amerika is hierover in ontkenning. Dat kan heel droevig zijn, maar geeft ons ook de kracht om door te gaan”, zegt Vincent Tucker. Hij benadrukt, net als verschillende historici, dat 1619 niet los is te zien van de massale Black Lives Matter-demonstraties en omvergetrokken standbeelden van afgelopen zomer. „1619 was het begin van wat Amerika vandaag de dag is.”

William Tucker, de zoon van Antonio en Isabella, staat bekend als de eerste geregistreerde ‘African-American’: de eerste Amerikaan geboren uit Afrikaanse ouders

Ook Beth Austin, historicus van het Hampton History Museum in Virginia, legt dat verband. „1619 markeert het begin van de Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap en cultuur. De discussie rond de vierhonderdste verjaardag vindt plaats op een historisch moment waarop Amerika anders gaat kijken naar het slavernijverleden. Dat kan ongemakkelijk zijn, want Amerikanen zien zichzelf altijd graag aan de kant van de vrijheid.”

Een andere medewerker van het museum liet weten dat een interview off the record moest, omdat hij als ambtenaar recent te horen had gekregen dat hij niet over politiek gevoelige zaken mag praten. Want in het ideologisch verscheurde Amerika is ook de geschiedenis politiek. En 1619 al helemaal.

Het grote Project 1619 dat The New York Times begon bij de vierhonderdjarige herdenking, wekte de woede van Trump. Afgelopen september nog liet hij weten een ‘1776 commissie’ in het leven te willen roepen, als expliciete tegenactie. 1776 verwijst naar de onafhankelijkheidsverklaring als officieel geboortejaar van Amerika. Scholen die Project 1619 in hun geschiedenisles gebruiken, zouden geen overheidsgeld meer krijgen, zei de president. Het curriculum zou gericht moeten zijn op ‘patriottisch onderwijs’, in plaats van op zelfkastijding rond het slavernijverleden.

Nikole Hannah-Jones, de onderzoeksjournalist achter Project 1619, reageerde op Twitter: „Het Amerika dat de dood van Breonna Taylor rechtvaardigt, begon niet in 1776. Het begon in 1619.” Breonna Taylor is een zwarte vrouw die in maart 2020 door witte agenten werd doodgeschoten. De agenten worden daarvoor niet vervolgd. Taylors dood zorgde voor grote maatschappelijke verontwaardiging, vergelijkbaar met die na de dood van George Floyd.

„De strijd van zwarte Amerikanen vandaag de dag is niets nieuws”, zegt Vincent Tucker vanuit Virginia. „We hebben altijd geprotesteerd en ons verzet, maar het werd jaar na jaar onder het tapijt geschoven. Honderden jaren lang.” Zo massaal als de Black Lives Matter-protesten zag hij het niet eerder, maar hij blijft terughoudend over de vraag of er echt iets zal veranderen, want Trump vertegenwoordigt het gedachtengoed van een belangrijk deel van de Amerikanen. „Het was een grote rotzooi in 1619, en het is nu een grote rotzooi.”

Maar dat er weer iets meer duidelijk is over de reis van zijn voorouders, doet hem goed. „We moeten dit soort verhalen laagje voor laagje afpellen. Als je naar een therapeut gaat om te helen, praat je als eerste over je verleden.”

Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten fondsbjp.nl .