Talud

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 48: de hengeltopblik.
Dagboek van een visser

‘Een droge visser en een natte jager bieden een treurige aanblik”, zegt de Fransman. Maar schieten op argeloze hazen en herten verfoei ik, dus ik weet niet wat een wildjager ondervindt wanneer het giet. Wel weet ik dat het grootste onheil van vissers niet de regendruppel is, maar een stilstaande hengelpunt. Geloof me, een niet-tikkende top is dé vissersnachtmerrie.

Elke twee, drie seconden gaat het vissershoofd schuin omhoog en scheert de blik langszij de toppen. Alsof een onzichtbaar draadje aan hem trekt, honderden keren achtereen, telkens die smachtende, hongerige blik. Er moest een videocompilatie komen van vissersblikken. Hunkering verpakt in loerende, fronsende, spiedende, starende blikken. Vissers met vlezige wangen, met lage jukbeenderen, kapotte tanden, natte neuzen, dunne lippen, guitige koppen, donkere huiden, alle soorten en kleuren, maar hun hengeltopblik is over de hele wereld eender.

Ik houd van die blik. Laatst was ik er zo door gebiologeerd dat ik m’n eigen hengel vergat, en hoorde ineens: „Hé makker, je hebt beet, hoor!”

Maar wat als die tik of rammel uitblijft? Dan volgt de kwelling. Hoop en vertrouwen verdwijnen, pijn en vernedering verschijnen. De mondhoeken zakken naar benee, wangen bevriezen, knuisten krommen zich tot klauwen. De visser verschrompelt tot een mier die afdaalt naar diepere hellekringen.

Voor de honderdste maal verwisselt hij zijn aas, voor de honderdste maal werpt hij uit. Hij smeekt God en hemel, hij hoeft allang geen vis meer, maar gun hem alstublieft die tik, een knabbelend visje of krabbetje, het dondert niet, één klein tikje maar!

Kortgeleden begreep ik weer hoe geluk en dood elkaar omhelzen. Voor ochtenddauw was ik afgereisd naar de Landtong bij Rozenburg. Eerst ’n portie pieren afgehaald bij de hengelboer, stiekem achterlangs via ’t steegje, want het mag niet van Rutte.

Onder een wijde, grijze hemel stond ik de hele ochtend te pielen langs de Nieuwe Waterweg. Koude wind sneed langs m’n oren en ik tuurde en tuurde omhoog, pijnsteken in m’n nek (waarom verkopen hengelwinkels geen tijgerbalsem?), urenlang smachtte ik naar enig levensteken. Op ’t laatst ging ik loensen, echt waar, en op zeker moment meende ik zelfs de top te zien rammelen.

Ik schoot uit m’n stoel en greep de hengel, maar helaas, een hersenspinsel. Toen begreep ik dat ik als de sodemieter moest kappen. Ik pakte alles in en startte de auto. Langs het Calandkanaal zag ik ineens een schim. Ik stapte uit, en ontdekte onderaan het steile, zeven meter hoge talud een man met hengel. Hoe kwam hij daar in godsnaam!? Zijn laarzen zonken weg in het slik tussen de aalgladde keien. Elk moment kon hij te pletter slaan tegen de stenen door een vloedgolf van een passerend baggerschip. Maar het donderde hem niet, als de top maar rammelde.