Opinie

Streek de buizerd maar weer neer

Waar moet dat heen? Een nieuwjaarsvertelling van .
Illustratie Aart-Jan Venema

Op deze laatste vrijdag van het jaar staan we er wel heel somber bij. In een wijde coronakring, de verkleumde handen om de plastic koffiebekers. Zoals elke vrijdag hebben we, op handen en knieën, honderden en honderden prille esdoorntjes, beuken en eiken, soms niet hoger dan een vinger en verborgen onder een dikke laag bladeren, uit de grond getrokken. Ons staat een veld vol wilde bloemen voor ogen, maar het bos rukt op in ons stadspark als het woud van Dunsinane.

Arie, ecoloog en een van de leiders van onze kruistocht, gebruikt ‘Trump!’ als strijdkreet als hij zijn spade in de grond ramt. Verder mijden we de politiek. We kennen elkaar eigenlijk nauwelijks, al zien we elkaar elke week.

Willem doet drie klontjes in zijn koffie en grapt dat hij zijn kwalen en ouderdom zegent: hij zal als een van de eersten worden gevaccineerd.

„O, dus jij laat je vaccineren?” vraagt Machteld.

We kijken neutraal voor ons uit. Is ze een antivaxxer? Alsjeblieft geen discussies over wel of niet vaccineren. Gewoon maar niets zeggen? Spreken is zinloos, zwijgen is fout.

Maandenlang mochten we onze vrienden en kinderen niet spijzigen, de dorstigen niet laven, de zieken niet bezoeken, de doden niet begraven, de vreemdelingen niet herbergen. Ooit zouden we elkaar omhelzen, het glas in de hand. Stel dat Machteld zich als enige niet laat vaccineren. Moet ze dan als enige anderhalve meter buiten onze groep blijven staan?

„Ik laat die spuit zo snel en zo diep mogelijk in mijn arm zetten”, zegt Willem uitdagend.

Boven ons klinkt een kreet. Een buizerd vliegt laag over onze hoofden en strijkt neer in de lindeboom, op nog geen drie meter afstand. Ik herken hem aan de witte streepjes op zijn kop en de licht asymmetrische ‘burgemeestersketting’ om zijn hals. Het is de buizerd die dit jaar geboren is in het Vogeltjesbos aan de overkant van de brede sloot. Geen mens mag het Vogeltjesbos betreden. Alleen Arie heeft de sleutel. Eenmaal mocht ik met hem mee om de ijsvogelwand vrij te maken van overhangende takken.

„Daar is Buisman”, zegt Willem.

Voor de zoveelste keer zegt Arie dat je dieren geen namen moet geven. Hij voegt eraan toe: „Dit is heel onnatuurlijk gedrag voor een buizerd. Hij is ziek, of ondervoed.”

„Hou toch op”, zegt Willem. „Hij kent ons. Hij ziet ons hier elke vrijdag op handen en knieën over de grond gaan. Hij denkt dat we muizen vangen, net als hij. Hij denkt dat wij ook buizerds zijn. Hele domme buizerds, die niet kunnen vliegen.”

Dat zou best kunnen. Als ik in mijn volkstuin spit, komen roodborstjes en merels op nog geen twee meter afstand bij me zitten. Kwikstaarten scharrelen vaak om schapen heen. Als wij hier, als middelgrote grazers, op een vaste tijd het veld komen omwoelen, is het logisch dat we vogels aantrekken. Misschien worden het er wel steeds meer en komen er ook ooievaars en ibissen bij. Heel Nederland zou eigenlijk op handen en knieën moeten. De sportscholen kunnen sluiten, obesitas verdwijnt en de vogels, zij zullen neerstrijken op onze hoofden en schouders en hun namen in onze oren fluisteren.

„Zo’n beest moet afstand houden”, zegt Arie.

Arie hoeft geen buizerd binnen handbereik. Arie weet met dichte ogen waar de dieren zitten. Keer op keer legt hij ons uit dat we de Buisbies met wortel en al moeten uittrekken maar de Reggebies (vijf kroonblaadjes in plaats van vier) laten staan omdat het Pyramusgroentje er haar eitjes op afzet. Die eitjes worden gegeten door de Sluipwants, die op zijn beurt weer voedsel is voor het Bramzuigertje.

Dat leren wij allemaal nooit meer. Wij moeten de dieren met onze blote ogen zien en ze namen kunnen geven, anders gaan we door met asfalteren, tuinen betegelen, roundup strooien, plofkippen eten en naar Thailand vliegen om wilde dieren te zien. Wij hebben de dieren door onze domheid en onwetendheid verdreven. Ze zijn stilletjes vertrokken. Wij vullen de leegte met hossen, hamburgers en herrie. We moeten het tij keren.

De buizerd spreidt zijn vleugels. Hij strijkt neer, midden in onze kring! Sinds maart is geen levend wezen zo dicht bij mij gekomen.

Zelfs Arie zwijgt.

„Mag ik vragen wat u aan het doen bent?” Een wandelaarster met een hond blijft op enige meters afstand staan. Ik besef hoe vreemd we eruit zien: tien volwassen mensen roerloos in een cirkel.

„Wij aanbidden de natuur”, zeg ik. „U kunt zich aansluiten.”

„Hebben jullie een website?”

„U kunt gewoon volgende week meedoen”, zegt Machteld. „Het is elke vrijdag van tien tot twaalf.”

„Ik zal erover nadenken”, zegt de vrouw en loopt door.

Zo zullen we steeds meer volgelingen krijgen. De wolf is al teruggekomen. Als we nou eens met ons zeventieneneenhalfmiljoen over de grond gaan kruipen komt de ortolaan misschien terug, de tuimelaar en het duingentiaanblauwtje. De mosasaurus redden we niet meer, de sabeltandtijger evenmin, maar lynx en bruine beer zijn misschien haalbaar.

De buizerd slaat zijn vleugels uit alsof hij voor ons wil verbergen wat hij doet. Hij hakt met zijn snavel op iets in en slikt. Dan vliegt hij weg, pal over Machtelds hoofd. Hij schreeuwt „Kain! Kain!”

„Dus dat was het”, zegt Arie. „Hij had een prooi gezien. Maar het blijft raar gedrag.”

De heilige Franciscus kon met de dieren spreken. Als wij heel goed luisteren en de buizerd ook zijn beste beentje voorzet, kunnen we elkaar leren verstaan. Dat ‘kain’ klonk al heel anders dan zijn gebruikelijke miauwende geluid.

Machteld schenkt ons, met gestrekte arm en afgewend gezicht, nog een bodempje lauwe koffie in.

„Laat jij je echt niet vaccineren?” vraagt Willem.

„Dat was ik niet van plan”, zegt Machteld. „Er is nog veel te weinig over dat vaccin bekend. Mijn kleinzoon heeft hersenvliesontsteking gekregen na een vaccinatie.”

Een ziek kind nekt elke discussie.

„In India komt corona nauwelijks voor”, zegt Bruno plotseling.

„Door de hitte?” vraag ik.

Hij glimlacht verlegen. „In India kijken ze op een andere manier naar ziekte. Ze zien het als een onbalans. Die kun je herstellen zonder dure vaccins, op een veel zachtaardiger manier. Eigenlijk kun je het vergelijken met wat wij hier doen: gestaag werken aan het herstel van de natuur, tot de natuur het zelf weer van ons overneemt.”

„Als we niets doen, wordt heel Nederland één groot bos”, zegt Arie. „Dan eten we alleen nog beukennootjes.”

Bruno schudt zijn hoofd. „Als Rutte zo doorgaat, hebben we hier in februari een hongersnood. Daar kunnen we ons maar beter op voorbereiden.”

„Hoe dan?” vraagt Willem.

„Er zijn technieken waarmee je je op een andere wijze kunt voeden.”

Als bij toverslag is Bruno uit onze kring verdwenen. Hij staat er nog wel, op anderhalve meter afstand, maar de afstand is oneindig groot.

Zelfgenezing, jezelf voeden zonder voedsel, diepe kennis ervaren en onuitputtelijke krachten in jezelf aanboren. Het zijn de vier elementen van oplichterij en waanzin.

„Als jullie dit boeiend vinden… Ik geef hier cursussen in”, zegt Bruno met zijn zachte stem. „Ik heb flyers in mijn fietstas. Machteld heeft mijn cursus al gevolgd. En de vervolgcursus. Er is een mogelijkheid tot gespreid betalen.”

Streek nu die buizerd maar weer neer. Maar hij zit hoog op zijn tak en zwijgt in alle talen, net als wij.

Dan neemt Linda het woord. „Ik was ook tegen vaccineren. Maar vorige week sprak ik een vriend die marinier is. Hij zei: ‘Elke keer als ik een missie naar een ver land heb, krijg ik een reeks prikken. Ik heb al twee volle inentingsboekjes. Nooit ergens last van gehad.’ Toen dacht ik er ineens anders over.”

Verrek, dat is waar. Toen ik naar Brazilië ging, en later naar Indonesië, kreeg ik ook een spuit in mijn bil. Zouden al die mensen die nu zo te hoop lopen tegen dat vaccin zich nooit hebben laten inenten toen ze naar Thailand gingen om olifantenvoetbal te zien? Natuurlijk wel!

„En toen ben je tot inkeer gekomen?” vraag ik.

„Ja”, zegt Linda.

We gaan weer op de knieën en trekken de taaie weerbarstige sprietjes van de jonge esdoorns, beuken en eiken uit. We kruipen om de laatste bloeiende dagkoekoeksbloem heen en slaken gedempte kreten van inspanning, en van pijn als de doorns van de braam zelfs onze leren handschoen weten te doorboren. De uitlopers van de klimop die de grond bedekt, zijn meterslang.

Hoog boven onze hoofden klapwiekt de buizerd. „Broeders!” roept hij. Luid en duidelijk. Hij bedoelt natuurlijk ‘broeders en zusters’ maar dat is kennelijk nog net te moeilijk voor hem en het is ook niet nodig. In recente bijbelvertalingen wordt adelfoi ook met ‘broeders en zusters’ vertaald. Ik kijk opzij, maar Bruno lijkt het niet te horen.

Zwijgend werken we verder, op handen en knieën, op weg naar het bloemenveld onder het stekelige heden.