Opinie

Literatuur is geen harde bron voor geschiedschrijving

Geschiedschrijving Het idee om literaire bronnen te gebruiken bij geschiedschrijving van Kester Freriks oogt mooi, maar is bezwaarlijk, meent .
Illustratie Cyprian Koscielniak

Kester Freriks oppert in zijn opiniestuk De nieuwste Indonesische geschiedschrijving mist literaire bronnen (19/12) om meer romans te betrekken bij de geschiedschrijving over Indonesië. Want de werken van „literaire schrijvers […] kunnen dienen om te onderbouwen dat het Indonesische streven naar onafhankelijkheid in 1945 niet uit de lucht kwam vallen.” Een mooi en verdiepend idee. Maar vanuit wetenschappelijk oogpunt kleven er grote bezwaren aan.

Ja, er waren literatoren die tientallen jaren voordat in voormalig Nederlands-Indië maatschappelijk iets veranderde al misstanden aan de kaak stelden.

De verscheurdheid die auteurs als Edgar du Perron en Bep Vuyk voelden en verwoordden, is nog steeds aangrijpend en veelzeggend. Vol compassie over de achtergestelde Indonesische bevolking. Vol schuldgevoel over het koloniale regime waar ze deel van uitmaakten.

Belangrijke bijrollen

Niet voor niets spelen beide schrijvers in mijn boek De wraak van Diponegoro. Begin en einde van Nederlands-Indië belangrijke bijrollen. Maar de betreffende passages tonen evenzeer aan dat ook zij zich niet altijd volkomen bewust waren van de privileges die ze zelf genoten.

Lees ook de recensie door Jeroen van der Kris over De wraak van Diponegoro door Martin Bossenbroek: Een indrukwekkend boek over Indië door de ogen van winnaars en verliezers

Zelfs als romans integer en ‘waarachtig’ zijn, zoals Rubber en Koelie van Madelon Székely-Lulofs, is er altijd nog de vraag welke concrete invloed ze direct na verschijning hebben gehad. Als het signaal wordt afgegeven, maar door niemand opgepikt, sterft het weg. Dan hebben zelfs de meest baanbrekende ideeën en inzichten over de koloniale wanverhoudingen geen daadwerkelijke consequenties voor de loop van de geschiedenis. Dan blijven het kanaries in een kolenmijn.

Geschiedschrijving moet gaan om de historische werkelijkheid, om de duiding van structuren en toevalligheden, factoren en actoren die in onderling samenspel sociaal-economische, politieke, militaire en culturele verhoudingen in en tussen samenlevingen hebben vormgegeven. Dat vereist inzicht in sociologische processen en in de psychologie van individuele besluitvorming.

Stuiptrekkende kanaries

Wat de mijneigenaar al dan niet willekeurig beslist over de bedrijfsvoering, met alle merkbare gevolgen voor iedereen die bij de mijn betrokken is, dat is van belang, net als de werkomstandigheden van de mijnwerkers, hun gelatenheid, hun leed en hun verzet. Dát is het domein van de geschiedschrijving.

Voor een historicus is de receptie van romans die kritiek op het kolonialisme ademen dan ook belangrijker dan de werken zelf. Iedere tijd kent zijn zieners en barden. Maar hun inzichten leiden maar zelden op korte termijn tot concrete aanpassingen van de werkelijkheid.

Dat geldt zelfs voor de meest spraakmakende koloniale criticus. Pas decennia na verschijnen van de Max Havelaar werd ‘de geest van Multatuli’ vaardig over zijn navolgers – en toen intrigerend genoeg gelijktijdig onder Nederlands-Indische bestuurders en Indonesische nationalisten. Dát is relevante informatie voor beter begrip van het koloniale verleden.

Lees ook: Racisme, kolonialisme en de infantilisering van de geschiedenis

Historici moeten acht slaan op stuiptrekkende kanaries en empathische literatoren, maar de meningen en gedragingen van de hoofdrolspelers zelf – en van de mensen die de gevolgen moesten dragen – zijn noodzakelijkerwijs leidend om de historische werkelijkheid te kunnen doorgronden. En die haal je uit harde, contemporaine bronnen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.