De laatste gletsjers geven hun schatten vrij

Archeologie Hoge bergen met sneeuw en ijs waren voor vroege mensen geen onoverkomelijke hindernissen. Uit smeltende gletsjers komen resten van hun verblijf naar boven.

Opgraving bij de Untere Stremlücke, afgelopen september. Op de achtergrond de Brunnifingletsjer.
Opgraving bij de Untere Stremlücke, afgelopen september. Op de achtergrond de Brunnifingletsjer.

Het gletsjerarcheologieseizoen in Zwitserland duurt maar een paar weken. Het archeologenechtpaar Marcel Cornelissen en Regula Gubler had succes aan het einde van afgelopen zomer. „Allebei hebben we een bijzondere vondst gedaan en veel publiciteit gehad”, vertelt Cornelissen, opgegroeid tussen de Venlose bergen, vroeger verbonden aan het Nederlandse archeologische bedrijf ADC Archeoprojecten en de universiteit van Zürich, en nu werkzaam als zelfstandig archeoloog.

Op de meer dan 2.800 meter hoge Untere Stremlücke bij de Brunnifingletsjer in het kanton Uri heeft hij een vindplaats opgegraven waar al 7.000 tot 8.000 jaar voor Christus bergkristal is gewonnen om werktuigen van te maken. „We hebben meer dan duizend kilo materiaal naar beneden gebracht om verder te onderzoeken.” Gubler, archeologe van het kanton Bern, groef eind september op de Schnidejoch, een 2.758 meter hoge pas tussen de kantons Bern en Wallis, een vlechtwerk op van bast. „De datering is rond 4500 v.Chr. Wat het precies is weten we nog niet. We hebben het als een blok met de ondergrond gelicht en gaan het in het laboratorium verder uitgraven.”

Lees over de bekendste ijsvondst ter wereld: Ötzi de ijsmummie blijft verrassen
Een fragment van een houten beker die in 2003 door een wandelaar werd gevonden, uit 4500 v.Chr.
Foto Kathrin Glauser
Naald met platte kop, gevonden in 2004.
Foto Kathrin Glauser
Houten object uit de Romeinse tijd (boven) en een object uit de IJzertijd met brandsporen.
Foto Badri Redha
Opgraving op 2.800 meter boven zeeniveau.
Foto Valentin Luthiger
Diverse gletsjervondsten

Gletsjerarcheologie staat bekend om spectaculaire vondsten van organisch materiaal dat in het ijs bewaard is gebleven. De bekendste ijsvondst ter wereld is Ötzi, de oudste menselijke mummie in Europa, die in 1991 in de Italiaanse Alpen is ontdekt. Op de Schnidejoch zijn tot nu toe geen prehistorische stoffelijke menselijke resten gevonden, maar wel zijn er al meer dan zeshonderd bijzondere vondsten gedaan. Fragmenten van een beker van iepenhout, pijlfragmenten en een vuurstenen pijlpunt dateren uit de periode 4800-4300 v.Chr., en zijn dus ruim duizend jaar ouder dan Ötzi.

Legging van geitenleer

Gubler: „Uit dezelfde periode stammen het vlechtwerk dat we dit jaar hebben gevonden en een soort gevlochten tas van lindenbast, die we vorig jaar hebben opgegraven.” Iets jonger dan Ötzi, uit de periode 2800-2600 v.Chr., is een booguitrusting bestaande uit een foedraal van berkenbast, een stuk pees en pijlschachten. Uit dezelfde periode stammen ook fragmenten van leren schoenen en een soort legging van geitenleer. Iets jonger is een andere bijzondere organische vondst: de bodem en wand van een houten doos.

Gubler heeft in 2011 een zelfde soort doos gevonden op de Lötschenpas, die hemelsbreed ongeveer 25 kilometer noordwestelijker ligt. „Is het echt of niet, was mijn eerste gedachte, want hij lag zo maar tussen de stenen.” De bodem met een doorsnede van twintig centimeter bleek gemaakt van arve, een alpenden, de dunne wand van wilg was aan de bodem bevestigd met getrokken twijgen van den. De lichte doos is waarschijnlijk gebruikt om proviand te vervoeren, want hij bevatte nog restanten van meel. „De doos lijkt zo op die van de Schnidejoch dat hij mogelijk door dezelfde persoon is gemaakt”, vertelt Gubler.

Gletsjerarcheologie geldt als een jonge discipline. Toch beschreef al in 1570 pater Ulrich Campell uit het kanton Graubünden bergvondsten als dolken, gespen, munten en pijlen. En in de jaren zeventig opperde de Zwitserse historicus Werner Meyer, die de middeleeuwse Alpeneconomie bestudeerde, dat gletsjers en ijsvelden ook een archeologische informatiebron konden zijn.

Romeinse schoenen

Na Ötzi drong pas echt het besef door dat hoge bergen met hun eeuwige sneeuw veel vroeger dan gedacht geen belemmering vormden voor mensen. Bovendien zorgde klimaatverandering ervoor dat gletsjers en ijsvelden begonnen te smelten en hun archeologische geheimen prijsgaven. Sindsdien zijn behalve in Zwitserland ook in Italië, Oostenrijk, Noorwegen, de Verenigde Staten en Canada gletsjers en ijsvelden structureel onderzoeksgebieden geworden. „Bij ijsvelden is de kans op vrijwel intacte vondsten het grootst”, zegt Cornelissen.

De prehistorische vondsten tonen samen met nagels van Romeinse schoenen, munten uit de Romeinse tijd, kleding uit de Middeleeuwen, de stoffelijke resten op de Theodulpas van een jonge man uit 1600, compleet met kostbare kleding, een pistool en een degen, en het skelet van een jonge vrouw die rond 1690 op de Porchabellagletsjer is omgekomen, dat bepaalde passen eeuwenlang zijn gebruikt om te jagen, vee te weiden, handel te drijven en voor culturele uitwisselingen.

Voor grootschalig synthetiserend onderzoek ontbreken in Zwitserland tot nu toe tijd en mankracht, zegt Cornelissen. „De archeologische instituten aan de universiteit zijn maar klein.” Zelf is hij bezig vindplaatsen op de passen in verband te brengen met vindplaatsen lager in de bergen en in de dalen. Oostenrijkse onderzoekers hebben modellen ontwikkeld om vast te stellen welke passen met zo min mogelijk energie gepasseerd konden worden. Die passen zouden de grootste kans op archeologische vondsten hebben.

Buiten de gebaande paden

Maar Cornelissen verwacht juist ook buiten de gebaande paden archeologische resten te kunnen vinden. „Bij de jacht en bij het zoeken naar een bergkristalwinningsplaats volgden ze juist niet de gangbare passen. De vindplaats op de Untere Stremlücke ligt ook buiten de gewone routes – een Strahler, een moderne bergkristalzoeker, heeft hem gevonden en ons erop attent gemaakt.”

Hij en Gubler zijn erin gerold. „Het landschap fascineerde. In de zomers zochten we de bergen op om met vrienden te wandelen. Die wandelingen gebruikten we meteen voor veldverkenningen, om nieuwe vindplaatsen uit de steentijd, de ijzertijd of de Middeleeuwen te ontdekken. Vanzelf kom je steeds hoger.”

Gletjserarcheologie heeft voor onderzoekers als nadeel dat ze ieder jaar maar een zeer beperkte tijd hebben om de gletsjers en ijsvelden te kunnen onderzoeken. „Eerst moet de sneeuw uit de vorige winter gesmolten zijn”, vertelt Gubler. „En we hebben maar iets van vier weken de tijd voordat weer de eerste sneeuw valt.” Dat betekent dat ze vanaf eind augustus, begin september de weersverwachtingen goed in de gaten houden: enige dagen droog en stabiel weer zijn vereist.

Twee dure minuten

Verder is het van belang dat ze goed getraind zijn, want er moet flink gelopen en geklommen worden, met in de rugzak niet alleen kleding, maar ook benodigdheden om te graven, te documenteren, op te meten en te verpakken. Gubler: „Voor de Schnidejoch moeten er 8 kilometer en 1.200 meter hoogteverschil overwonnen worden.” Cornelissen koos er deze zomer voor om met een gehuurde helikopter naar de Untere Stremlücke te vliegen. „Het was kiezen tussen twee dure minuten vliegen of vijf uur naar boven lopen. Bovendien was een helikopter de beste manier om meer dan duizend kilo vondstmateriaal naar beneden te krijgen.”

Boven aangekomen is het lastig om aan de oppervlakte vondsten te ontdekken. De archeologen proberen het landschap te lezen en maken kleine putten van 50 bij 50 centimeter of sondages van 20 bij 20 centimeter op plekken waar mogelijk mensen verbleven en artefacten hebben achtergelaten, bijvoorbeeld beschutting biedende abri’s of holtes. Om niet ieder keer zware meetapparatuur mee te hoeven nemen is op de Schnidejoch en de Lötschenpas een grid om in te meten aangelegd. „Moderne gps werkt vaak niet door de omringende bergen, of de batterij is net op”, zegt Gubler.

De campagnes duren meestal maar een paar dagen. Overnachten doen ze in een berghut, waarvoor soms nog een uur of meer gelopen moet worden. „Afgelopen zomer was het weer goed genoeg om ook één nacht buiten te overnachten”, vertelt Cornelissen.

De Schnidejoch: ijsveld gefotografeerd op 10 september 2018.
Foto Regula Gubler
De Schnidejoch: ijsveld gefotografeerd op 4 september 2019.
Foto Regula Guble
Hetzelfde ijsveld op de Schnidejoch in 2018 en 2019.

De situatie op de bergpassen is veranderlijk. Gubler: „Vorig jaar hadden we begin en midden september op de Schnidejoch het lindenbastvlechtwerk gevonden en opgegraven. Een paar dagen later was het ijsveld ineens flink kleiner geworden en meldde een wandelaar nog een tweede vlechtwerk. Toen wij gingen kijken was de vondst te vast gevroren en al bedekt met sneeuw.” Pas in september dit jaar was er gelegenheid om de vondst uit te graven. De laatste dag van de opgraving viel echter ook al weer de eerste sneeuw. „Het weer kan zo omslaan. Het blijft opletten.” In 2012 dwong een slechtweerfront om een opgraving op de Lötschenpas af te breken. „Pas vijf jaar later smolt de sneeuw weer zo ver dat we de opgraving konden afmaken.”

Brossere rotsen

De laatste twee zomers zijn daarentegen zo warm geweest dat de gletsjers en ijsvelden sneller dan ooit smelten. Dat maakt het passeren van wat eens een gletsjer met een dik pak sneeuw en ijs was gevaarlijker, zegt Cornelissen. „De rotsen zijn brosser geworden en er zijn meer spleten.”

Toch nemen ze regelmatig een fotograaf, journalist of televisieploeg mee naar boven. „We hebben ze nodig voor de publiciteit”, zeggen ze gezamenlijk. Wandelaars en anderen die zich in de bergen begeven worden er zo op gewezen dat ze op bijzondere vondsten kunnen stuiten, en dat ze die bij de archeologische diensten moeten melden.

Intussen bedreigt dezelfde klimaatverandering de vondsten die door de verdwijnende gletsjers en ijsvelden bloot komen te liggen. „Veel interessante objecten zullen al zijn vergaan. Ik verwacht ook niet dat we een tweede Ötzi zullen vinden”, stelt Cornelissen. Toch houden beiden een beetje hoop. „Je weet maar nooit wat er toch nog uit de permafrost en de laatste gletsjers en ijsvelden opduikt.”