Britta Böhler.

Foto Albrecht Fuchs

Interview

Britta Böhler: ‘Een schrijver is niet aan ethische regels gebonden’

Roman Volgende week verschijnt de tweede roman van Britta Böhler. Ze verliet de advocatuur om meer te kunnen schrijven. „Als advocaat moet je niet de illusie hebben dat je echt de wereld verbetert.”

‘Het was gewoon klaar”, legt Britta Böhler uit wanneer we het hebben over haar keuze om de advocatuur te verruilen voor het schrijverschap. Böhler werd bekend dankzij politieke zaken, waarin ze onder meer optrad als advocaat van de PKK-leider Abdullah Öcalan en Volkert van der G. Ze was ook senator voor GroenLinks in de Eerste Kamer. Nu ze schrijft, gaat het niet minder om politieke en ethische keuzes, maar ook om de gevolgen die zulke keuzes hebben.

Haar tweede roman De juiste houding vertelt het verhaal van Elias Andriessen, een jurist wiens carrière begint in zaken rondom kunstrestituties en die na enkele jaren deze praktijk verwisselt voor een hoogleraarschap. Wanneer hij door de zakenman Tony gevraagd wordt zijn praktijkervaring opnieuw in te zetten voor het indertijd door Göring ingelijfde werk ‘De toren van blauwe paarden’ van Der Blaue Reiter-kunstenaar Franz Marc gaan politieke en ethische keuzes door elkaar heen lopen.

Aanvankelijk wilde Böhler een Trump-roman schrijven, omdat ze geboeid was door de verhouding tussen nep en echt. „Kunstvervalsing is een heel mooie manier om dat hele idee van echt en vals aan de orde te stellen”, zegt ze wanneer we elkaar via een videoverbinding spreken. „Ik was geboeid door het gegeven dat iemand het voor elkaar krijgt om het land zo overtuigend te splitsen, waardoor de ene helft van de bevolking in een andere werkelijkheid leeft dan de andere helft. En in het idee dat Trump als authentiek wordt ervaren. Het opvallende is dat zijn authenticiteit wordt gekoppeld aan de gedachte dat hij daarom dus ook ethisch zal zijn. Je vindt die gedachte ook in Nederland en Duitsland: wie bot is liegt niet. De disbalans tussen echt en onecht komt voort uit het idee dat kennis geen rol meer speelt. Expertise doet er niet meer toe, want iedereen heeft wel een mening over van alles. Ik ben maar een schrijver en geen filosoof die dat allemaal kan duiden, maar het houdt me bezig.”

Lees ook dit interview met Britta Böhler uit 2011: ‘Ik denk Duits’

Is iets dat echt is automatisch ook authentiek?

„Dat weet ik niet. Ik denk in zekere zin wel. Authentiek is een label dat we gebruiken voor mensen die zich niet anders voordoen dan ze zijn. Authentiek overkomen wordt sinds een jaar of tien steeds meer gewaardeerd. Als je als politicus iets wéét dan is dat ondergeschikt aan hoe je dat presenteert. Je moet menen wat je zegt. In die zin vallen authentiek en echt in dezelfde categorie. Het verschil is denk ik dat authentiek meer op mensen slaat en echtheid op objecten.”

Hoe belangrijk is het dat iets echt is?

„Dat hangt ervanaf. Voor mensen kan het soms beter uitpakken als iets niet echt is. Iets onechts kan ze helpen verder te komen, zoals in mijn roman het geval is bij een van de personages – ik wil daar nu niet veel over zeggen, want dan geef ik te veel weg. Maar bij kunst is het belangrijk dat je weet of iets echt is of niet. In mijn eigen huis heb ik ook reproducties hangen. Ik weet dat het niet de originele werken zijn, dus ik waardeer het omdat ik het gewoon mooi vind. Wanneer ik daarin bedrogen zou worden, wanneer iets als echt wordt gepresenteerd terwijl het dat niet is, dan zou ik dat erg vinden. Iets presenteren als echt vind ik erger dan dat iets niet echt is.”

Maar als je het niet weet, is er ook geen probleem, legt Tony in uw roman uit.

„Ja, hij denkt dat er bij vervalsingen waarvan niemand weet dat het een vervalsing is, een win-winsituatie ontstaat: het schilderij is terug, de vervalser verdient eraan en er is iemand die het verloren gewaande schilderij terug heeft. Wie wordt er in zo’n geval slechter van? Dat is geen gemakkelijke vraag. Ik wil die opwerpen in de roman en er morele keuzes aan verbinden.”

In uw boeken draait het vaak om de grenzen van morele keuzes. Wat ik me dan afvraag is: waarom onderzoekt u dat in romans? Als advocaat kon u echt verschil maken als het om morele kwesties gaat, maar als romanschrijver niet. Waarom heeft u voor het schrijverschap gekozen?

„Nou, als advocaat moet je ook niet de illusie hebben dat je echt de wereld verbetert of verandert. Als het goed is kan je iets positiefs betekenen voor je cliënt. Als je veel zaken doet, kan dat voor veel mensen, dat is wel waar, maar… Ik heb daar niet echt een kant-en-klaar antwoord op. Ik ben 25 jaar lang advocaat geweest en ik had het gevoel: het is wel goed zo. Ik wilde op een andere manier bezig zijn met wat me boeit.

„Natuurlijk kan je bij boeken zeggen: who cares. Ik weet alleen niet of ik het ermee eens ben. Ik ben zo optimistisch om te denken dat wanneer mensen door romans gaan nadenken, de wereld iets beter wordt. Je kan met een boek niet de wereld veranderen, maar ik vind het niet onbelangrijk te bedenken wat een boek wél kan betekenen. Als mensen daardoor over dingen nadenken, dat kan volgens mij nooit kwaad. Een zaak is grijpbaarder dan een boek schrijven, dat wel.”

Lees ook dit profiel van Britta Böhler uit 2007: Linkse politiek met ‘juridische vlam’

Bij u ging het natuurlijk niet om zomaar cliënten. U had enkele van de meest spraakmakende zaken van de afgelopen decennia, waarbij het niet alleen ging om de verdediging van uw cliënt, maar ook om maatschappelijke vragen, zoals: wanneer spreken we van terrorisme?

„Ja, dat klopt. Maar dat wil nog niet zeggen dat boeken schrijven iets onbelangrijks is. Als ik dat zou vinden, zou ik het niet moeten doen. Na 25 jaar ben ik gestopt, niet omdat ik verbitterd was, zoals je dat kunt hebben als je iets lang doet. Ik ben gestopt zonder meteen te denken: het is allemaal nutteloos. Het is een positieve keuze geweest die ik maakte: ik wilde gewoon iets anders doen.”

Natuurlijk kan je bij boeken zeggen: ‘who cares’. Ik weet alleen niet of ik het daarmee eens ben

In uw roman komt een personage voor dat zegt dat de wetgeving is opgesteld vanuit witte machthebbers. Heeft hij gelijk?

„Jazeker. Dat moet je in het Westen goed beseffen als je vanuit het idee van universele mensenrechten werkt. Dat betekent niet per se dat dat allemaal slecht is, maar je moet je er wel van bewust zijn dat je bent gevangen in je eigen context. Bij alles wat je doet moet je oog hebben voor de betrekkelijkheid van het eigen perspectief.”

En die betrekkelijkheid is in een roman duidelijker neer te zetten dan in een rechtszaal?

„Ja, je hebt een ander instrument wanneer je fictie schrijft. Sommige dingen zijn beter over te brengen. Als schrijver mag je dingen zeggen die je cliënt schaden, als advocaat mag dat niet. Als schrijver ben je niet gebonden aan ethische regels, dat geeft meer vrijheid. In mijn roman gaat het ook om de vraagtekens die je kan plaatsen bij de keuzes van Tony en Elias. De vraag is: waar gaat het heen? Tony heeft verwerpelijke ideeën, maar hij is ook interessant en intelligent in de keuzes die hij maakt. De vraag waar het in mijn roman ook om draait is de vraag waar we voor kiezen: kiezen we voor experts als Elias of voor types als Tony?”

En voor wie gaan we in de nabije toekomst kiezen?

„Ik ben iemand die altijd hoopvol is. Mijn hoop is dan ook dat experts niet verdwijnen, maar ik ben realistisch genoeg om te weten dat het type Trump geen eenmalige verschijning is. Ik denk wel dat er genoeg mensen zijn die dit beseffen en blijven nadenken, om ervoor te zorgen dat de Eliassen onder ons niet allemaal zullen verdwijnen.”

De roman gaat ook om de fascinatie voor vermissing. Als iets vermist is, is dat dan ook een gemis?

„Bij voorwerpen is dat anders dan bij mensen. Je kunt bij mensen iets dat in het verleden is verdwenen of tot een breuk heeft geleid niet zomaar weer oppakken. Je moet niet alleen iets herstellen, je moet iets nieuws opbouwen. Het hangt er vanaf hoe je iets in de context van de tijd kan plaatsen.”

Ik vraag het ook omdat als iets echt een gemis is, is dan alles geoorloofd om dat op te heffen?

„Dan kom je terug bij waar we het eerder over hadden, of het erg is wanneer ik zou denken dat een werk dat ik in mijn huis heb hangen echt zou zijn terwijl het een replica is. In de roman gaat het om een werk van Franz Marc, dat veel waarde heeft. Maar of het echt een gemis is? Als het om mensen gaat, is er wellicht meer geoorloofd, dat is een ander verhaal. Die grijze zone ligt voor iedereen anders. Hoe ver kun je in ethisch opzicht gaan om een gemis op te heffen?”

Dat schilderij van Marc is door Göring ‘gekocht’ en sinds 1945 verdwenen. Is de vervalsing die in uw roman gemaakt wordt ook te interpreteren als het nemen van wraak op de Tweede Wereldoorlog en het onteigenen van kunst?

„Ja, dat kan je inderdaad zo zien – dat je het wieder gut macht als het ware. Maar dat gebeurt dan eigenlijk toch niet echt, want het is niet het origineel. Zulke vragen zijn uiteindelijk niet te beantwoorden, maar wel leuk om te stellen.”

Hoe staat u tegenover de Nederlandse houding in de restitutie van nazi-roofkunst?

„Er wordt nog steeds heel moeizaam gedaan over het teruggeven van geroofde kunst. Dat geldt ook voor koloniale roofkunst. Over de vraag ‘waar hoort iets’ is in Nederland nog niet genoeg nagedacht, zoals in veel landen overigens nog niet. In Duitsland zijn ze daar verder in, maar door de historische bagage kun je niet snel moeilijk gaan doen over het teruggeven van kunst. Het lijkt erop alsof men in veel landen denkt: nou het is nu zo lang geleden, laat het maar, het hangt nu al in het museum. Terwijl het in feite neerkomt op: het ding is gewoon gejat, het hoort daar niet en moet terug; klaar. Er bestaat in het recht natuurlijk zoiets als verjaring, maar er kan ook een emotionele binding zijn, en die verjaart niet. In de roman heeft Elias een emotionele binding met de geroofde kunst uit zijn familie. Hij zou wat er wordt teruggevonden nooit verkopen. Tony begrijpt daar niets van en die verkoopt wat er terugkomt juist zo snel en duur mogelijk. Hij hecht echter wel veel waarde aan nostalgie. Dat zie je vaker: mensen die aan het verleden hechten, roepen even hard dat je ergens een streep onder moet kunnen zetten. Mensen zijn eigenlijk gewoon raar.”

In de roman worden juridische mogelijkheden ingezet voor politieke doeleinden.

„Ja, de juridisering van onze wereld is opvallend. Vaak denken we dat alles bij de rechter kan worden opgelost en zijn we teleurgesteld dat er grenzen zijn aan de reikwijdte van het recht. In mijn roman draai ik het om, daar staat de politiek in dienst van het juridische.”

In het dagelijks leven gebeurt dat ook steeds meer, of is dat te kort door de bocht?

„Vaak is het zo dat het erom gaat wat het beste uitpakt. Voor mijn gevoel is zijn er wel veel minder duidelijke grenzen tussen de politiek en het rechtssysteem. De verhouding tussen die twee is niet meer gebaseerd op een structuur of een systeem, maar op een opportunistische blik op wat op dat moment beter uitkomt.”

Is dat opportunisme erger geworden?

„Ja, ik denk het wel. Als je minder of geen vertrouwen hebt in structuren, ongeacht of dat nu in politieke structuren is of in politici als bestuurders of in experts, dan verdwijnt het afwegingskader als je iets wil beslissen. Opportunisme helpt dan, wat moet je anders? Je moet wel ergens een basis hebben voor een beslissing, dus dat is een consequentie van het feit dat er een daling is van het vertrouwen in structuren en systemen.”

In uw afscheidsrede van de UvA zei u dat het niet meer vanzelfsprekend is dat een advocaat een moreel kompas is. Hangt dat hiermee samen?

„Deels, maar juridisering betekent ook dat advocaten op veel meer gebieden bezig zijn. Het werkterrein is uitgebreid als je dat vergelijkt met zo’n vijftig jaar geleden. Er worden ook andere dingen verwacht, de cliënten zijn mondiger geworden. Dat is geen slechte ontwikkeling, maar het risico is wel dat advocaten té veel mee gaan in klanttevredenheid. Dat kan ertoe leiden dat je als advocaat niet meer de ethische afwegingen maakt die je als advocaat zou moeten maken in je onafhankelijke positie. Er verandert een hoop, maar ik zou het jammer vinden als de ethische kant van het werk van rechters, officieren van justitie of advocaten helemaal geen rol meer speelt.”

Wat betekent het wanneer Kamerleden kritiek gaan uitoefenen op uitspraken van rechters, of beweren dat de rechters zelf niet deugen?

„Het helpt natuurlijk niet als politici het wantrouwen bevestigen door te zeggen dat een rechterlijke uitspraak ‘belachelijk’ is. Het is niet zo dat een rechter niet iets belachelijks kan doen, natuurlijk niet, maar iets kan niet belachelijk zijn puur en alleen omdat je het er niet mee eens bent. Dat is dat hele idee van opportunisme. Een opportunist zegt dan niet: ‘ik vind het belachelijk’, maar ‘het ís belachelijk’. De politiek kan helpen bij het terugwinnen van het vertrouwen in structuren, maar sommige politici willen dat niet, die drijven op wantrouwen.”

En dan zijn we terug bij de kern van de roman?

„Ja.”