Waar een wil is, is een zijweg

Wilskracht Je kunt wilskracht trainen, maar zonder bezieling en zelfrespect is het alsof je een auto uit de modder trekt, ontdekte Christiaan Weijts.

Illustratie Frann de Bruin

Er was een tijd dat ik geloofde in lijstjes. Duizend woorden per dag schrijven. Veertig kilometer fietsen. Twee boeken per week lezen. Meestal ging zoiets gepaard met de aanschaf van speciale notitieboeken, pennen, racefietsgadgets, met het weggooien van aanstekers of het leegvegen van het bureaublad.

Er gaat een machtige werking uit van onbetreden sneeuw. Of van aangeharkte grindribbels in zentuinen.

Mijn kinderen zijn in staat om in alle vroegte te ruziën over wie er als eerste zijn mes mag steken in dat gladde oppervlak van een verse pot pindakaas.

Ik snap dat allemaal.

Ik snap ook wat er misging met die goede voornemens, en ik licht er eentje uit, omdat die zo allegorisch is voor het hele proces. Pianospelen.

Als kind heb ik de basis daarvan redelijk geleerd, maar toen ik het rond mijn vijfentwintigste weer wilde oppakken, hoorde ik steeds die stem van generaal Ratko Mladic tegen kolonel Thom Karremans in Srebrenica: „Je bent een waardeloze pianist.” Dus schafte ik een complete editie aan van Bachs Wohltemperierte Klavier, een systematische scholing, oplopend in moeilijkheidsgraad.

Braaf deed ik wat de lifehack-sites en zelfhulpliteratuur voorschreven. Zo wist ik bijvoorbeeld dat ik mijn doel moest opsplitsen in kleine, realiseerbare deeldoelen, die me zouden motiveren om het allerhoogste te behalen. Acht maten per dag. En die dan totaal perfectioneren. Deed ik dat consequent en met ijzeren regelmaat, dan was ik binnen een jaar of twee meesterpianist.

Bij schrijfwerk heb ik vaak de pomodorotechniek toegepast. Je taken opsplitsen in blokken van vijfentwintig minuten, gevolgd door een korte pauze. Eerst alleen de opzet van die ene scène. Pauze. Dan alleen naar de dialoog kijken. Pauze. Het geheel redigeren. Pauze. Enzovoorts.

Ga niet én de complete Bach instuderen én stoppen met roken én duizend woorden per dag tikken én naar Hoek van Holland fietsen

Achter de piano stuitte ik echter op drie problemen, waarvan de eerste zich al manifesteerde na anderhalve week. De klad kwam erin, ik had het er zogenaamd te druk voor. En ook die woordenteller raakte maar zelden de duizend aan.

Ik werd er somber van. Waarom lukte me zoiets eenvoudigs niet?

Dat een lijst met voornemens de slechtst denkbare manier is om je wilskracht te trainen, wist ik toen nog niet. Streef nooit meerdere doelen tegelijk na. Van wilskracht heb je namelijk maar een beperkte voorraad, zo leren allerlei onderzoeken.

In zijn boek Willpower (2011) beschrijft de Amerikaanse psycholoog Roy Baumeister een experiment dat hij met zijn studenten in Florida deed. Hij bakte verse chocolate chip cookies en in diezelfde, heerlijk ruikende ruimte verdeelde hij de studenten in twee groepen. De ene helft mocht alleen van een bosje radijsjes eten dat naast de schaal koekjes lag. De rest mocht naar hartelust snoepen.

Meteen hierna moesten ze allemaal dezelfde legpuzzel maken. Er zat alleen, zoals altijd bij dit soort experimenten, een wreed addertje onder het gras: de puzzel was onoplosbaar.

Baumeister en zijn team testten hoe lang de proefpersonen door zouden ploeteren, hoe sterk hun wilskracht was. Studenten uit de koekjesgroep bleven gemiddeld negentien minuten puzzelen. De radijseters hielden het na acht minuten al voor gezien. Zij hadden hun reservoir aan wilskracht opgebruikt tijdens het weerstand bieden aan de chocoladeverleiding.

Het laat zich raden bij welke testgroep wij dit jaar collectief zijn ingedeeld. De virusmaatregelen maakten radijsknagers van ons allemaal en alleen al daarom zijn goede voornemens voor 2021 zinloos.

Het kan zelfs schadelijk zijn, als ik Baumeister mag geloven. Wie voor zijn werk de hele dag moeilijke beslissingen moet nemen, kan impulsen in zijn vrije tijd lastiger onderdrukken, stelt hij. En hij noemt allerlei gevallen, #metoo’s uit de buitencategorie bijvoorbeeld, zoals Bill Clinton die het met een stagiaire aanlegde. Hij kwalificeert die gevallen als een ‘beroepsrisico’ voor mensen op zulke posities. Ze verbruiken overdag hun wilskracht en worden daarna ‘beslissingsmoe’.

Goed. Maak dus geen goede voornemenslijst. Ga niet én de complete Bach instuderen én stoppen met roken én duizend woorden per dag tikken én naar Hoek van Holland op en neer fietsen, want dan eindig je in februari onverbiddelijk als een Dominique Strauss-Kahn die zich aan kamermeisjes vergrijpt.

Men neme dus één doel. Stoppen met roken deed ik op 21 juni 2009. Ik had weinig anders aan mijn hoofd. Ik had zo’n vijftien jaar gerookt, en was er in een dag of vier mee klaar.

Een van de redenen was dat ons eerste kind op komst was. Ik had een maand eerder mijn rijbewijs gehaald. We hadden een huis gekocht. Stap voor stap op weg naar een nieuwe levensfase, en dat motiveerde mij om dat zonder roken te doen.

Wat ontbrak – en wat in al die zelfhulpboeken over wilskracht ontbreekt – was het element van de werkelijke begeestering

Daar zat het tweede probleem met dat pianospelen. Wilde ik het wel echt? Ik merkte dat ik niet alleen afweek van het oefenschema, maar ook naar een ander repertoire greep. Na een frustrerende sessie met zo’n krankzinnig vierstemmig Bachstuk, waarin je dus, als een jongleur, twee melodielijnen per hand moest zien te dragen, ontspande ik vaak met wat eenvoudigere, heerlijk speelse sonates van Bachs tijdgenoot Scarlatti.

Op een avond keek ik heen en weer tussen beide muziekboeken en dacht: ik ben toch eigenlijk gek ook. Waarom zou ik mijn vingers tegen heug en meug pijnigen op stukken die honderden, duizenden pianisten in deze wereld beter kunnen spelen dan ik?

Wat ontbrak – en wat in al die lifehacks en zelfhulpboeken over wilskracht ontbreekt – was het element van de werkelijke begeestering.

Vaak lijkt wilskracht gelijkgesteld te worden aan doorzettingsvermogen, volharding. Daarmee ontbreekt het vurige, onstuimige element dat van oudsher het karakter is van de wil. Zonder passie is wilskracht zoiets als een auto uit de modder proberen te rijden. Je stookt de brandstof op terwijl de wielen maar blijven spinnen.

Het probleem is alleen dat het zo verdraaid lastig is om te weten wat je echt wilt. Het is net als bij personages in boeken en films. Die streven naar iets – een geliefde, een baan, een megadeal – maar komen er gaandeweg achter dat onder die wil een fundamenteler verlangen ligt, naar waardering, intimiteit, enzovoorts. Je kent het eigenlijke doel niet, en moet dus meebewegen, totdat het klikt en klopt, alsof er een cijferslot openspringt.

Wat in kleffere werelden ‘je hart volgen’ heet, kun je ook opvatten als een meebewegende houding

Waar een wil is, is vooral een zijweg, naar een andere, onderliggende wil. Ik dacht Bach te willen beheersen, omdat hij de vermeende gouden maatstaf was, maar wat ik eigenlijk wilde – en daar kwam ik via zijn Italiaans-Spaanse tijdgenoot achter – was pianospelen zoals anderen zingen onder de douche, of zoals ik gedichten hardop voorlees: contact maken met die eigenzinnige sfeer, die speelse lyriek. Pianospelen kon weer echt spelen zijn.

Al vanaf het eerste moment dat ik een Scarlatti-sonate hoorde (in een opname van Horowitz’ legendarische concert in Moskou), was ik verkocht. Dit is het! Waarom iets je raakt, weet je bij dit soort initiële schokken niet. Toch zul je ze moeten volgen, die impulsen, nagaan wat ze willen vertellen, hoezeer onze rationele, formele, op werk georiënteerde maatschappij dat ook ontmoedigt.

Wat in kleffere werelden ‘je hart volgen’ heet, kun je ook opvatten als een meebewegende houding, de bereidwilligheid om zijwegen in te slaan als ze intuïtief goed voelen, als ze nieuwsgierigheid en passie opwekken.

Het derde probleem is dat begeestering weliswaar het uitgangspunt moet zijn, maar dat er geen enkele bezigheid is die zo vervullend is dat je die voortdurend overlopend van vreugde verricht.

Voor romanschrijvers is dat een vertrouwde kwelling. Je werkt jarenlang in afzondering aan een boek, waar niemand actief op zit te wachten. Zo’n project moet met begeestering beginnen, maar kan alleen met doorzettingsvermogen worden voltooid. Heel veel is domweg je ergens doorheen werken.

Wilskracht kun je trainen, als een spier, stelt Roy Baumeister in Willpower. Zoals het reservoir een voorraadje is dat aan verschillende wilsactiviteiten kan opgaan, kun je het ook bijvullen met verschillende activiteiten. Dwing je jezelf bijvoorbeeld om in volledige zinnen te spreken en niet langer ‘yeah’ te zeggen, maar ‘yes’ (ja, hij heeft een Amerikaans publiek voor ogen) dan doorbreek je je gewoontes en vul je het vat met wilskracht, die je daarna ook voor andere zaken kunt inzetten.

Zo ontwikkelen sporters allerlei op dwangneuroses lijkende gewoontes en rituelen. Ook bij cabaretiers zie je dat. Kijk alleen maar naar de indringende documentaire Nog eentje dan over Jochem Myjer, die compleet van zijn stuk raakt als iets in zijn minutieuze pre-stage-voorbereidingsritueel ook maar een fractie verstoord raakt.

Wat wil ik met dat volschrijven van velletjes papier? Ik weet het nog steeds niet precies

Het is dus de combinatie van een begeesterd middellangetermijndoel (het volgende boek voltooien) én een getraind doorzettingsvermogen. Maar ook hiervoor geldt wat Michel Houellebecq in zijn pamflet Rester vivant (1991) opmerkt: „U zult het deel dat u tot schrijven aanzet nooit precies leren kennen.”

Maar hoe zit het met het langetermijndoel? Wat wil ik met dat volschrijven van velletjes papier? Ik weet het nog steeds niet precies, maar werd gedwongen er opnieuw over na te denken nadat mijn laatste roman een vernietigende kritiek kreeg in deze krant (daarna volgden elders meer dan genoeg positieve recensies, maar dat wist ik op die bewuste vrijdag de dertiende nog niet). Ik was nogal uit het veld geslagen door wat voelde als een aanslag op mijn werk.

Na een paar dagen durfde ik weer in mijn boek te bladeren. Ik las een paar passages, stelde verrast vast dat het niets aan kracht verloren had, het was zelfs een fractie beter dan in mijn herinnering. En ik dacht: ik ben toch eigenlijk gek ook. Ik laat mijn goede gevoel toch niet verzieken door één zo’n recensie.

In de tussentijd had ik een bundel met onlangs vertaalde essays van Joan Didion gelezen, met name het stuk getiteld ‘Zelfrespect’ (geschreven in 1961) resoneerde op zowat alle fronten. Ze beschrijft haar teleurstelling over het niet toegelaten worden tot een prestigieuze studentenvereniging, waarna een hele streng aan fiasco’s haar geestesoog passeert. Dan ontdekt ze dat zelfrespect niet met goedkeuring van anderen of reputatie te maken heeft maar met leven naar je eigen waarden, „een zekere taaiheid, een soort morele onverschrokkenheid”, „de bereidheid om verantwoording te nemen voor je eigen leven”.

Waarom wilde ik een virtuoos Bach-vertolker zijn, duizend woorden per dag schrijven? Blijkbaar deed ik het voor een of ander onzichtbaar oog, waarbij ik zulke maatstaven veronderstelde. Zolang de legitimering ergens extern ligt, blijf je een speelbal van de wispelturigheid van die buitenwereld. Sta je voor je eigen waarden, dan is er nog steeds die achtbaan van slagen en falen, maar je neemt er zelf de verantwoordelijkheid voor.

Recensies zijn dan zoiets als zonnig of guur weer. Ze hebben zeker invloed op je gemoed, maar niet diepgaand, want daar is je wilskracht verankerd in zelfrespect. Dat is geen arrogantie, al is het daar voor de buitenwereld waarschijnlijk mee te verwarren. Maar het lijkt me eerder een vorm van nederigheid, van eerlijk je eigen motieven, je prestaties en tekorten onder de loep nemen, en daarnaar handelen. „Mensen die zichzelf respecteren accepteren het risico”, schrijft Didion.

Didion stelt dat zelfrespect een vorm van discipline is, „een zichzelf opgelegde geestesgesteldheid die niet kan worden geveinsd, maar wel kan worden ontwikkeld, getraind en bijgeschaafd”. Zonder zelfrespect, besluit zij, vraagt elke ontmoeting te veel van ons, „sloopt onze zenuwen, put onze wilskracht uit”.

Dit kan weleens de essentie van wilskracht zijn. Die groeit als je hem traint als een spier, en ook een doel voor ogen hebt waar je warm voor loopt. Maar het echte krachtvoer krijgt hij door die diepere houding van zelfrespect.

Met die grondhouding kunnen doelen ook steeds speels verschuiven – Bach wordt Scarlatti. Ze moeten dat zelfs, omdat het eerlijke zelfonderzoek je steeds nieuwe impulsen zal geven, die weer nieuwe zijwegen openen. Die zijn fascinerend, maar ook wat griezelig en ongewis. Dan is er moed nodig om het risico te nemen.

Wilskracht is dan een vorm van nieuwsgierigheid.