Vrij zijn is… bonsaibomen knippen

Vrij Hoe breekt Nederland uit de sleur? Deze week: bonsai knippen.

Foto Folkert Koelewijn

Een sportief ogende man staat in de deuropening van een nieuwbouwhuis in Spijkenisse. Tom van Wanum (65) is geen atleet of voetballer. Maar als schooltuinmeester werkt hij wel vaak buiten. En ook als amateur veldbioloog op Voorne-Putten, waar hij onder andere roofvogels telt, is hij graag in de openlucht. En dan is er nog zijn eigen achtertuin.

Door de keukendeur reizen we van de grijze Hollandse wereld naar Japan. De kleine tuin is strak ingedeeld, met grind en flagstones op de grond, en achterin een tafel met zorgvuldig geplaatste bonsaibomen.

Bonsai is Japans voor plant in pot, zegt Van Wanum. Doel is het kweken van een kleine boom die eruitziet als een volgroeid exemplaar. De bonsai hier op tafel voldoen aan strenge schoonheidsnormen. Stam, takken, bladeren, wortelpartij: voor alle onderdelen zijn regels. Zelfs voor de pot.

Japanse monniken keken de kunst af in China. Al in de dertiende eeuw legde de Japanse priester-dichter Kokan Shiren in een essay de esthetische standaarden voor dwergbomen en miniatuurlandschappen vast.

Met sommige bomen (wie durft er nog boompjes te zeggen?) is Van Wanum al twintig jaar bezig. Veel leerde hij bij Bonsai Vereniging Rijnmond, die maandelijks bij elkaar komt voor ‘boombesprekingen’ of ‘werken aan een eigen boom’. Bij de opstelling denkt de vrouw van Van Wanum mee, een bonsai wordt getoond met een gezelschapsplantje, een rol met een Japanse prent of een bijzondere steen. En denk erom: bonsai hebben een voorkant, net als een schilderij.

Een bonsai heb je al vanaf twee tientjes bij het tuincentrum. „Maar die vind ik niet mooi.” Zelf kocht Van Wanum zijn ‘startbomen’ bij speciale kwekers, die ze uit China en Japan importeren. „Bomen met kleine blaadjes zijn geschikt, of coniferen. En ze moeten goed tegen snoeien kunnen.” Hij is niet een man van oosterse wijsheid of diepere betekenissen. Vraag hem naar soorten, groeiwijzen, verzorging. „Bepaalde iepensoorten zijn geschikt, en jeneverbessen. Of azalea’s, als die in bloei staan heb je een bal van bloemen.” Uit zaad kweekt hij vingerhoed bonsai. „Die zijn maar een paar centimeter: meidoorntjes, taxussen, lijsterbessen.” Van Wanum vlecht bomen langs metalen draden. Eentje laat hij meegroeien met de wind. „Als ik uit mijn werk kom zet ik mijn tas neer en dan ga ik naar de bomen.”

Hij wijst op een conifeer die in het midden staat: Japanse cypres of Chamaecyparis obtusa. „Die kreeg ik vijftien jaar geleden toen een lid van de vereniging overleed. Hoe oud-ie is weet niemand. De conifeer won prijzen op de Show van het Westen en ging naar Polen voor een wedstrijd.”

En daar komt toch de filosofie om de hoek kijken: „Bonsai heeft ook met doorgeven te maken. De boom blijft, ook al is het baasje dood.”