Voor Columbus werden Cariben in twee golven bevolkt

Paleontologie De bevolkingsomvang van de eilanden in het Caribisch gebied is voor 1492 nooit groot geweest. Wel waren er veel onderlinge contacten.

Kuna-indianen op een van de San Blas-eilanden, aan de Caribische kust van Panama. Na de kolonisatie door de Spanjaarden bleef dit indianenvolk alleen nog bestaan op deze eilandengroep.
Kuna-indianen op een van de San Blas-eilanden, aan de Caribische kust van Panama. Na de kolonisatie door de Spanjaarden bleef dit indianenvolk alleen nog bestaan op deze eilandengroep. Foto Marc Guitard

Twee golven van immigranten hebben in de prehistorie de Caribische eilanden bevolkt, voordat de eilanden vanaf 1492 bezet werden door Spanjaarden en een groot deel van de indiaanse inwoners door ziekte en mishandeling stierf.

Opvallend is dat er in de prehistorie vrijwel geen genetische menging is geweest tussen de eerste golf van indiaanse kolonisten, die van 6.000 jaar geleden stamt, en de tweede, die 2.500 jaar geleden arriveerde op de eilanden. Alleen op Cuba bleef nog ruim duizend jaar een populatie van die eerste kolonistengroep voortbestaan.

Dit blijkt uit een grootscheepse analyse van de genetische variatie van 263 mensen die tussen 3.100 en 400 jaar geleden begraven waren op Caribische eilanden. Het onderzoek onder leiding van de bekende paleogeneticus David Reich (Harvard Medical School) is vorige week gepubliceerd in Nature. Het is een verdere verfijning en flinke uitbreiding van een dna-onderzoek onder 93 oude skeletten door een andere groep, dat afgelopen zomer verscheen.

Voor de geschiedenis van de Cariben lost dit onderzoek een paar klassieke raadsels op. Uit het dna-onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat de eilanden niet gekoloniseerd zijn vanuit Noord-Amerika, zoals in het onderzoek van afgelopen zomer nog leek.

Introductie pottenbakken

De eerste, ‘Archaïsche’ golf die 6.000 jaar geleden begon, blijkt afkomstig ergens uit Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika – preciezer konden Reich en de zijnen de oorsprong niet bepalen. En de tweede golf, de ‘Keramische’ genoemd omdat zij het pottenbakken op de eilanden introduceerden, komt uit het noordoosten van Zuid-Amerika, met een genetische connectie met de huidige sprekers van de Arawak-talen daar.

Een andere verheldering is dat de bevolking van de eilanden nooit bijzonder groot is geweest. Dat leiden de onderzoekers af uit de relatief grote genetische verwantschap op de verschillende eilanden. Dat wijst op een kleine bevolkingsomvang, terwijl er eerder wel schattingen zijn geweest van vele honderdduizenden inwoners van de grote eilanden in het gebied. Voor Hispaniola en Puerto Rico gezámenlijk schatten de onderzoekers nu de precolumbiaanse bevolking op hooguit dertigduizend.

Ze schrijven ook dat het erop lijkt dat mensen toen in het Caribisch gebied bijna altijd wel een of meer voorouders deelden die maar een paar honderd jaar eerder leefden, hetgeen ook wijst op relatief veel onderling contact. Opmerkelijk is dat de bevolking zich daarvan bewust lijkt te zijn geweest: uit de genetische analyse blijkt namelijk ook dat nauwe verwanten samen zelden of nooit kinderen kregen. Het neef-nicht-huwelijk lijkt taboe te zijn geweest, geen onverstandige maatregel in zo’n nauw verwante bevolking.

Geheel nieuwe bevolking

Bij huidige inwoners van Cuba en Puerto Rico zijn nog sporen van de precolumbiaanse bevolking terug te vinden. In het paleo-dna is ook een uniek mitochondriaal type gevonden, dat alleen via de moeder overerft. En ook dát type bleek nog steeds te bestaan: bij ten minste één persoon uit Puerto Rico.

Dat er bij het verschijnen op de eilanden van een nieuwe keramische cultuur ook een geheel nieuwe bevolking het heft in handen neemt, is een fenomeen dat doet denken aan een bijna gelijktijdige verandering in Europa. Sinds een paar jaar is dankzij paleogenetisch onderzoek, óók door David Reich, bekend dat het begin van de Klokbekercultuur, vanaf 4.500 jaar geleden, samenging met een grote – honderden jaren durende – migratie van steppevolkeren naar het westen, die ongeveer de helft van de genetische signatuur van de huidige Europeanen leverden (de andere helft is afkomstig uit een eerdere migratie, toen landbouwers uit Anatolië Europa koloniseerden, slechts een paar procent van de genetische signatuur gaat terug op de jagers-verzamelaars uit de IJstijd. Vrijwel alle mannelijke Y-chromosomen in Europa zijn zelfs afkomstig van die ‘Yamnaya-migratie’ vanaf de Pontische en Oekraïense steppen.

Net als op de Caribische eilanden leidde die migratie op Brittannië – óók een eiland – zelfs tot de verdwíjning van de oudere neolithische signatuur. Dat niet iedere culturele verandering hoeft samen te gaan met migratie blijkt overigens ook uit het huidige onderzoek op de Cariben. Want látere veranderingen in aardewerkstijl op die eilanden werden ook voorheen wel in verband gebracht met nieuwe migraties, maar daarvoor zijn in het paleo-dna-onderzoek nu juist weer géén aanwijzingen gevonden.

Lees ook over de Europese klokbeker-migratie: De steppe-invasie in de Bronstijd