Marathonloper Michel Butter.

Foto Olivier Middendorp

Interview

Marathonloper Michel Butter moet wennen aan een leven dat niet alleen om hem draait

Marathonloper Michel Butter (35) zag door corona zijn inkomsten opdrogen en moest zich gaan richten op ander werk. Daardoor trainde hij minder en kwam er een vroegtijdig einde aan een twintigjarige carrière. NRC rende met hem door de duinen van Castricum.

Hoor hem eens lopen, nu het nog kan, nu het nog lijkt alsof het tempo een makkie blijft en gehijg de boel niet overstelpt. Het gaat van tak-tak-tak. De schoenzolen beroeren het asfalt maar kort, ze kaatsen tegen het oppervlak als de poten van de gekko die over het water sprint. Reactief lopen. De weg te snel af zijn. De ondergrond geen grip laten krijgen.

Bij de landing doet de hiel niet mee, dat zou alleen maar tijd en energie kosten, omdat het lichaamszwaartepunt dan over een dood punt heen moet alvorens de voorwaartse beweging hervat kan worden. Het eerste grondcontact gaat via de buitenkant van de middenvoet, afrollend naar de voorvoet, de bal, en dan de tenen, die nog een laatste zet geven onderweg naar boven, als de knie geheven wordt voor een nieuwe pas. Het stelsel van spiertjes in de voet, de achillespezen, de opgetrokken tenen – ze weten niet beter dan dat ze zich schrap moeten zetten als wandelen rennen wordt. Het resultaat van meer dan tienduizend uren loopscholing, krachttraining, en kilometers door de duinen. Efficiëntie er zo diep ingesleten dat het een automatisme is geworden.

Als springveren zijn de benen aan het ritme gewend geraakt, in de afgelopen twintig jaar werden ze almaar sterker, tot ze door enthousiasme overvraagd werden, bezweken, en tijd nodig hadden om te herstellen. Dat heeft weleens maanden gekost, waardoor een hiaat in de loopbaan ontstond, maar eenmaal op krachten gingen ze verder waar ze gebleven waren, aangestuurd door het intrinsiek gemotiveerde wezen van de marathonloper dat focus en toppresteren als sleutelwoorden in het weefsel verankerde en het maximale uit de capaciteiten wilde persen, om grenzen te verleggen. Dan ging het weer van tak-tak-tak.

Beluister ook de eindejaarsaflevering van NRC Vandaag: Het jaar waarin marathonloper Michel Butter moest stoppen met topsport

Het hofje uit naar links, rechtdoor en weer twee keer links, een route als een hoefijzer maar dan rechthoekig. De waterkoude is er eentje die de botten intrekt en er pas onder de douche weer uit wil, tenzij er gelopen wordt, door de mist die de wereld nauw en overzichtelijk maakt, druppeltjes op het voorhoofd achterlaat en de ademhaling saboteert. De marathonloper lacht erom, vindt het wel een lekker weertje eigenlijk.

Hij wijst naar de atletiekbaan op links, waar hij toevalligerwijs pal naast een woning heeft gekocht en zodoende veertig seconden voor aanvang van de training in zijn schoenen kan schieten en via een hek aan de zijkant nog op tijd kan komen. Tot januari wordt hij voor dat leven betaald. Daarna is hij topatleet af. Hij moet nog wennen aan het idee. Een training overslaan kan nu eigenlijk al ongestraft. Zonder schuldgevoel. Maar dat wil nog niet.

Daar, aan de overkant op de provinciale weg, is het keerpunt van de Egmond halve marathon, de wedstrijd waar hij groot werd en waar hij volgende maand afscheid van zijn sport zou nemen, als het virus daar geen stokje voor had gestoken. Het virus dat er ook al voor zorgde dat zijn laatste kans om zich olympisch te kwalificeren eind maart in rook opging.

Acht seconden

Toen de premier zei dat evenementen tot honderd man niet konden doorgaan en de collegaminister op zijn beurt dat dat nog wel tot 1 juno zou gaan duren, zakte de grond onder zijn voeten weg. Hij was klaar voor de gevraagde marathon in 2 uur 11 minuten en 30 seconden. De laatste test ervoor was goed. Maar die topvorm kon hij niet verzilveren. En zo zouden de Spelen aan hem voorbijgaan. Net als in 2016, toen hij de limiet voor Rio op acht seconden miste – een prestatie overigens waar hij met zeer veel trots op terugkijkt omdat hij in de voorbereiding en de uitvoering op het moment suprême geen procent had laten liggen, en gerust kon vaststellen dat die acht pietluttige tellen in ruim 42 kilometer hoe dan ook onoverbrugbaar waren geweest.

De teleurstelling maakte plaats voor opluchting toen bekend werd dat Tokio met een jaar zou worden uitgesteld. Dat bood nieuwe kansen om zich te plaatsen. In het najaar van 2020 en het voorjaar van 2021. Maar de kalender bleef leeg. De ene na de andere marathon werd afgelast.

Niet lopen betekende ook geen start- of prijzengeld. Hij zag het al gebeuren dat hij zijn hypotheek niet meer betalen kon. Er zat niets anders op dan over zijn maatschappelijke carrière na te denken, sterker nog: daar werk van te maken. Zonder dat hij het zelf doorhad, verlegde hij steeds wat minder subtiel de accenten in zijn leven. Hij gaf lezingen, clinics, startte daarin een bedrijfje. Ging meer werken en minder lopen. Het ene leven maakte plaats voor het volgende, vervroegd door Covid en de daaruit vloeiende financiële onzekerheid. De schoorsteen moest wel roken. Bovendien voelde hij zijn lichaam strammer worden. Op zijn 35ste jaar is de marathonloper in de herfst beland.

Bij het nationaal kampioenschap over 5.000 meter, de titelrace die hij meer dan eens won, werd hij bijna een rondje ingehaald door de koploper. Dat is onprettig onderweg naar de Spelen. Een goed gesprek met zijn coach volgde. Zat die limiet er nog wel in? En als hij al 2.11.30 zou lopen, wat zou dat dan waard zijn? Een vijftigste plek, een achterhoedegevecht? Dat wilde hij niet. In bed viel de berusting als een deken over hem heen. Aan een carrière kwam een einde. En dat was goed zo.

Scherp naar links hier, langs het pannenkoekenhuis de duinen in, roepend voorbij een groep senioren die een doorgang over het bospad verspert. Deze zachte ondergrond bevalt hem het best, is prettig voor zijn spieren. Hij komt er ook graag met zijn vriendin en twee dochtertjes. Wandelen, ravotten, op boomstammen klimmen. Het is goed dat het weldra niet meer alleen om hem draait, zegt hij. Dat hij na het avondeten niet langer tot aan het ontbijt in de hoogtetent verdwijnt. Dat hij wat meer vader en partner gaat zijn.

Bekers werden euro’s

Hij wil nog een afscheidswedstrijd, een serieuze loop, niet een door het virus weggemoffelde race voor elitelopers op een verlaten industrieterrein. Dan kan hij iedereen bedanken; de fans, microfonisten, de collega-atleten en wedstrijdorganisatoren, omdat ze allen op hun eigen manier bijdroegen aan een carrière die twintig jaar geleden hier in Noord-Holland begon, met kleine loopjes op zondag. Dan speurde zijn vader in het befaamde trimloopboekje naar wedstrijdjes, belde de organisatie met de vraag of er toevallig ook een beker te winnen viel. Niet? Pa zocht door tot het antwoord ja was. Bekers werden euro’s, vijfhonderd op een goed moment. Dat betekende het einde van de bijbaan. Bij de groothandel had hij daar een maand voor moeten werken. In het lopen lag zijn toekomst. Hij moest van zijn ouders nog wel even zijn havo afmaken. Die wijze les leverden hem later nog eens twee masterdiploma’s op.

Met een beste marathontijd van 2.09.58 is hij de vierde Nederlander ooit. Hij kan terugkijken op veertien nationale titels. Het was een mooie tijd, zegt hij. En dan barst zijn stemgeluid. De stiltes vult hij op met langgerekte eh’s. Hij gaat de intensiteit van het topsportersbestaan missen. De lekkere aandacht die hem ten deel viel als de schijnwerpers op hem gericht werden en hij liet zien wat er van hem verwacht werd, of net niet. En de vrijheid om te doen en laten wat hij wil. Zomaar een maand naar Kenia. Hij zal het missen om gewoon te lopen. En verder niks.

Michel Butter is met een beste marathontijd van 2.09.58 de vierde Nederlander ooit. Foto Olivier Middendorp

Hij wil graag een afsluitende receptie en hoopt dan dat ze beelden van zijn hoogtepunten laten zien. Van de marathon van New York, de meest prestigieuze ter wereld, waar hij drie jaar geleden na 25 kilometer aan kop ging, zo de Queensborough Bridge af en First Avenue op, waar een kabaal aanzwol dat zijn stoutste dromen overtrof. Geniet hiervan, zei hij tegen de Vlaamse loper naast hem. Dit kon zomaar eenmalig zijn. En dat was ook zo. Alle puzzelstukjes vielen in elkaar. Vorm, wedstrijdverloop, mindset. Hij had zijn tegenstanders in de smiezen. Wilden ze versnellen? Moesten zij weten. Na driekwart wedstrijd was hij het zuinigst met zijn energie omgegaan. Wat een machtig gevoel gaf dat. Een marathon zoals een marathon hoort te zijn, met een zesde plek als resultaat. Nooit werd het nog mooier dan op die novemberdag. Zo puur, zo intens.

Sporten zal hij blijven doen. Lopen maar ook steeds vaker fietsen tegenwoordig, met de jongens van Noord-Hollands Best, (oud-)profrenners uit de buurt die hem plagen met zijn rijwiel omdat hij van nature geen fietser is. Hoor ze honen als zijn voorvering weer eens kuren vertoont en er bij elke pedaalslag energie via de veerweg het omgewoelde duinzand in verdwijnt. Er komt een dag dat hij hen te kakken zet. Die competitiedrang zal wel blijven.

Want trainen zorgt voor structuur in zijn dag, o zo belangrijk voor een brein dat toen het nog jong was maar niet tot rust wilde komen, zelfs niet met een slaapmiddel in de vorm van oogdruppeltjes, aangeraden aan twee ouders die ’s nachts geen oog meer dichtdeden. Het mannetje liep pardoes tegen tafels en stoelen op, maar slapen ho maar. Sporten bracht wel soelaas. Daarin kon hij zijn energie kwijt. Judo, voetbal, en uiteindelijk in domweg rennen.

Maïspap zonder ketchup

Hij liep over de uithoeken van de wereld, van Moskou tot de stoffige leegte van de Riftvallei, de plek waaraan hij zijn hart verloor en in acht jaar tijd van mzungu (blanke) een beetje in Keniaan veranderde. Waar hij twee keer per jaar een maand op een houten bed sliep, poepte in een gat, en ontbeet met ugali, de maïspap waar hij nooit ketchup bij gebruikte en daar respect mee afdwong. Waar hij een bad nam met een teiltje warm water, waar hij een man eens twaalf uur lang op een steen zag zitten en leerde dat een dag soms niet meer hoeft te zijn dan het tellen van auto’s. Van de leegte raakte hij gefocust, van het primitieve groeide hij als mens, en dus ook als loper. Hij heeft er soms heimwee naar. Dan zit hij thuis op de bank, alles wat hij liefheeft om hem heen, en dan verlangt hij toch naar Kenia; de cultuur, de blijmoedige mensen. Het is zijn tweede thuis geworden en hij gaat er terugkeren. Maar nooit meer als topatleet. En dat voelt ontheemd.

Hij heeft een beetje gejokt. Het half uur is al voorbij, zal wel driekwartier worden. Tak-tak-tak. Hij hijgt niet eens, heeft adem over om honderduit te vertellen, aan dertien kilometer per uur. Kinderspel voor de marathonloper. Het gaat kriskras door het duingebied bij Castricum over groene, rode en blauwe wandelpaden. Hij loopt geen twee keer hetzelfde stukje maar achteraf blijkt toch vaak dat hij dezelfde ronde heeft gemaakt. Koud is het al lang niet meer. Er gaan handschoenen uit. Lachend vraagt hij of het nog wel gaat. Het pannenkoekenhuis is onherkenbaar geworden.

Naast tak loopt stamp, en hij heeft het zwaar. Tachtig kilo is vier zakken aardappelen zwaarder dan zestig. Maar gewicht zegt niks. Souplesse is key. Het laatste stuk gaat in stilte, op zijn voorspraak. Net als in Kenia, als honderd van de beste marathonlopers de ochtend uit lopen en alleen het roffelen van de schoenen te horen is. Focus op de ademhaling. In, uit, in, uit. Met aandacht gaat zelfs stofzuigen beter. Rechts, rechts, rechtdoor. De voortuin is nog ver. Doorlopen tot de streep die er niet ligt. Dan het horloge indrukken. Op de knieën steunen. Een boks. En gezamenlijk vaststellen dat de dag heerlijk begonnen is, zo.