De afwas als ultieme vorm van mindfulness

Afwas De vaat doen is niets om je op te verheugen. Of toch wel? Geef de afwas aandacht en je leert jezelf kennen.

Illustratie Frann de Bruin

Gek eigenlijk. Afgelopen jaar hoorde je zoveel mensen over brood bakken, over uitgebreid koken, over lekker lang tafelen. En hoe tevreden en rustig ze daarvan werden. Hoe zen. Nooit hoorde je eens iemand over wat daarna komt: de afwas. Een aanrecht vol vuile vaat is collateral damage. De tafelgenoten maken zich uit de voeten en de sloof blijft achter met de rotzooi. Niets om op Instagram te zetten, niets om je op te verheugen.

Wat een gemiste kans.

In bijna ieder meerpersoonshuishouden in Nederland staat een vaatwasser. Maar die is soms vol, of hij draait net, of er zijn dingen die er niet in mogen. Dan is er afwas. En waar afwas is, is een weg naar mindfulness. Een kans om vol toewijding een taak te volbrengen die je met een beter gevoel achterlaat dan waarmee je begon. En het mooie is: je hoeft er niet voor te reizen, je hebt er geen speciale vaardigheden voor nodig en het kost geen extra tijd, want je moest het toch al doen. Je hoeft er alleen maar anders naar te kijken.

Je afvragen ‘waar ben ik mee bezig’ helpt je om er niet snel vanaf te willen. Als je tijdens de afwas met je aandacht ergens anders bent, verspil je je tijd. Maak de afwas de belangrijkste taak in je leven en het is een diepe, vreugdevolle ervaring.

Dat laatste bedenk ik niet zelf. Zenboeddhist Thich Nhat Nanh zei het, en de Amerikaan Peter Miller schreef het op in zijn boekje How to Wash the Dishes.

Of je echt alleen maar aan de vaat zou moeten denken, daar kun je over twisten. Juist de balans tussen aandacht voor de afwas en aandacht voor gedachten en gesprekken die tijdens de afwas spontaan opborrelen, kan een reden zijn om bijna uit te kijken naar dit moment. En voor sommigen om zelfs nooit meer een vaatwasmachine in huis te willen. De borden in het verse schuim laten glijden en intussen de dag doornemen of kleine fricties bespreken, zonder dat het een praatsessie wordt. Je afvragen wat er nou misging bij die vervelende vergadering. Sommige mensen hebben acht uur onafgebroken slaap nodig om de dag te verwerken, afwassers hebben de helft al voor bedtijd gedigesteerd.

Je kunt mindfulness proberen af te dwingen door nieuwe gewoontes aan te leren: elke avond yoga of ademhalingsoefeningen. Maar routines ontwikkelen is moeilijk. En zoals iedere zenboeddhist weet: verbinding, zelfinzicht, bewustzijn en zingeving haal je niet uit nieuwe en meer ervaringen, maar uit al het kleine dagelijkse dat er al was en je al deed.

„De afwas”, schrijft Peter Miller, „laat je van alles zien. Je merkt in welke gemoedstoestand je verkeert. Je zorg of je ongeduld, je aandacht of afleiding. Ineens zie je jezelf scherp.”

En alles om je heen. Niet alleen de man of vrouw naast je (waarom zo kletteren met de pannen?), maar ook de dingen die door hun herkomst of trouwe dienst een ziel hebben gekregen. Die stoofpan van je ex-schoonmoeder, die houten spatel uit Parijs, die mok van je oude werk. Ze roepen iets op dat om een liefdevolle behandeling vraagt.

Om voldoening uit de afwas te halen zou je niets nodig moeten hebben. Maar dat is niet zo. Dat weet iedereen die op vakantie weleens met koud water, een te klein teiltje, zonder kwast en met een vochtige theedoek heeft afgewassen. Dan wordt het een opgave. Een kansloze missie. De strepen en vlekken die achterblijven, wrijven de mislukking er nog eens extra in.

Hoe belangrijk goed materiaal is, bewijst het boekje De afwasborstel, een Hollands drama van oud-NRC-redacteur Rob Biersma, dat hij schreef nadat hij in 1989 werd bedolven onder de lezersbrieven, toen hij een artikel over de afwas had geschreven, in het bijzonder over de afwasborstel. Een goedkoop plastic borsteltje beviel hem beter dan de klassieke houten Lola-borstel. Verder gaf hij hoog op over de Sorbo Clean-boy, een schuursponsje op een steeltje (inmiddels uit de Sorbo-collectie).

Lezers waren boos, stemden in, wisten beter en wisten meer. Over het watergebruik, het afwasmiddel (‘de fles moet van stevig stug plastic zijn’), de noodzaak om na te spoelen als de vaat uit het sop komt – want dat deed Biersma niet! Onvergeeflijk! En over de borstel dus, die toch echt een Lola moest zijn. Of een Jordan. Of een Sorbo Afwas-boy, een soort Clean-boy maar dan met een afwasmiddelreservoir in de steel. Biersma was met zijn Afwasborstel duidelijk in het leven van lezers getreden.

Water is leven

De tips die Biersma gaf, waren al tamelijk gedetailleerd. Zoals: het water moet zo’n 50 graden Celcius zijn. Het recente handboek van Miller doet er nog een schepje bovenop. Elk detail wordt uitgelicht en krijgt betekenis. Dat begint al met de kom (geen teil), „het middelpunt van de operatie”. Een roestvrijstalen beslagkom moet het zijn, die niet de hele gootsteen vult, zodat je ernaast kunt voor- en naspoelen. Het afwaswater – dat je tussendoor een aantal keer ververst, maar niet te lichtvaardig, want „water is leven” – bescherm je met alles wat in je vermogen ligt. Geen restjes koffie, geen vet, geen borden vol etensresten.

Over het afwasmiddel is hij opvallend onuitgesproken – wat voor jou werkt. Maar bij de spons komt het er dan weer wel op aan. Een spons van natuurlijke cellulose moet het zijn, na gebruik goed uit te spoelen met koud water om zure luchtjes te voorkomen. De sponsdoekjes, waarmee hij ook afwast, laat hij om onverklaarbare redenen door zijn dochter uit Zweden opsturen. Een goede theedoek, schrijft Miller, is heel persoonlijk.

Wel heeft hij een voorkeur voor linnen, prijst hij Finse doeken, en is hij precies in het gebruik: er zijn werkdoeken voor alles, en mooie doeken, met een bijzonder patroon of weefsel, alleen te gebruiken voor het afdrogen of om mee te serveren. Per afwasbeurt gebruikt hij twee of drie theedoeken, met een natte klets wordt het niks.

Opvallend is dat hij niets zegt over de beste borstel, de scrubber, terwijl je die in de VS toch ook in soorten en maten kunt kopen. Misschien vindt hij het gewoon niet zo belangrijk, of in elk geval minder belangrijk dan Rob Biersma.

Of het ligt aan de Amerikaanse afwascultuur. Niet dat er buiten Nederland geen afwasborstels gebruikt worden, zoals Nederlanders soms denken. Maar zo’n centrale rol als hier heeft de borstel in maar weinig landen. De spons, hoewel veel meer dan de borstel een bron van bacteriën, is in de meeste landen dominant, ook in de Verenigde Staten.

En uiteindelijk, hoe belangrijk goed gereedschap ook is, doen de spons en de borstel de afwas niet. Die doe je zelf. Je zult zelf de regie moeten voeren, de juiste keuzes op het juiste moment moeten maken, opstoppingen zien te voorkomen, tirannieke objecten zoals een barbecuerooster of kaasfonduepan weten aan te pakken. Zodat de afwas in plaats van een hindernisbaan vol obstakels één vloeiend geheel wordt.

De kunst is om de flow vast te houden tot het laatste lepeltje in de la ligt, het fornuis gepoetst, het aanrecht gedroogd, de kraan gewreven tot hij glimt. „De afwas is een daad van elegantie en ritme”, schrijft Miller. Het laatste eerbetoon aan de maaltijd.

How to Wash the Dishes, Peter Miller, uitgeverij Roost Books, 128 blz., 12,99 euro. De Afwasborstel (1990) van Rob Biersma is antiquarisch te krijgen.