Opinie

Hoop en vrees

De gedachten gingen terug naar het allereerste begin, toen de pandemie nog de kwaliteit van een hachelijk avontuur had, een avontuur dat slecht kon aflopen maar ook iets nieuws kon opleveren.
Tommy Wieringa

De column „De Gouden Gehaktbal” van Tommy Wieringa van zaterdag 27 februari 2021 vindt u onder deze link. Door een technische fout verwijst een deel van de digitale editie van 27 februari bij deze column ter onrechte door naar de column van 24 december die hier onder staat.

De gedachten gingen terug naar het allereerste begin, toen de pandemie nog de kwaliteit van een hachelijk avontuur had, een avontuur dat slecht kon aflopen maar ook iets nieuws kon opleveren. Misschien iets goeds zelfs. Het was een moment tussen hoop en vrees, verwarrend en verwachtingsvol.

Het duurde niet lang. Toen het virus een tijdje onder ons was verloor het zijn naakte objectiviteit en werd het een discussiestuk, iets wat per individu werd ingevuld naar zijn eigen politiek-maatschappelijke denominatie.

Covid-19 raakte, zoals dat heet, gepolitiseerd. Van iets dat ons allemaal bedreigde en verenigde, was het conflictstof geworden. De innige identificatie met de eigen mening smoorde algauw het relativeringsvermogen en de vrije gedachtewisseling. Het virus verdiepte niet alleen de gebruikelijke tegenstellingen tussen groepen maar vervreemdde ook vrienden en familieleden van elkaar. Zorgpersoneel ontving niet langer applaus maar scheldwoorden, wetenschappers werden niet langer vertrouwd maar bedreigd. Tijdens de laatste toespraak van de minister-president was te horen hoe buiten het Torentje mensen met een andere werkelijkheidsbeleving op potten en pannen sloegen. Voor saamhorigheid kwam wantrouwen in de plaats, verdraagzaamheid maakte plaats voor bitterheid en afkeer van elkaar; de perforatielijnen van de informatiemaatschappij.

Het geduld met de zwakkeren, de zieken en de ouderen was verrassend vlug op. Waarom moest de meerderheid van gezonden zich aanpassen om een minderheid van zieken te beschermen? Ten koste van wat allemaal? Het was de prijs niet waard. Drie miljoen coronadoden was bijvoorbeeld het stabiele genie Baudet bereid te accepteren om onze vrijheid te verdedigen, zei hij tijdens het Laatste Avondmaal met zijn discipelen. (Drie miljoen extra coronadoden was ook het aantal dat natuurwetenschappelijk tijdschrift Nature had genoemd als Europa geen maatregelen tegen het virus getroffen had.)

‘Ik weet het niet’, schreef Menno Wigman in het gedicht Grauzone, ‘Ik zie alleen de horde die een horde baart, de straten waar het ego ego kraait.’

De omgang met het virus bracht het lelijkste in de Nederlander naar boven: onze drang om de ander te kapittelen. Hem de maat te nemen en te corrigeren. Het was onmiskenbaar tijdens een wandeling door Amsterdam. Bij een verbouwing in de Jordaan bleef een man op de stoep staan kijken. ‘Ik zie dat u met z’n vieren aan het werk bent’, zei hij tegen een van de bestofte slopers. De sloper keek naar zijn collega’s daarbinnen. Ze waren met z’n vieren inderdaad, met hemzelf erbij. ‘Dat mag niet’, zei de man. De sloper keek hem aan, dacht na, schudde toen zijn hoofd en ging terug naar binnen.

Bij een oesterkraam op de Noordermarkt scholen vervolgens een paar jongeren voor de regen onder het kraamzeil. Onderwijl aten ze een oester, dronken witte wijn en hadden schik – niet op anderhalve meter natuurlijk, zoveel ruimte was er niet onder het zeil. De man voor mij, een dertiger met een hoornen bril, maakte zich los uit de rij, liep op ze toe en zei dat het geen pas gaf, om zich in deze tijd zo te gedragen. Of ze zich maar wilden verspreiden.

Ik dacht aan het jaar dat de jongeren achter de rug hadden, aan hun beperkte bewegingsvrijheid, het geestdodende digitale onderwijs, de kroegen en de feesten die ze niet bezochten – dingen die me op de lippen brandden toen de man zich weer in de rij voegde, maar ik zweeg. Ik zag een gruwelijk Droste-effect voor me, waarin iedereen die anderen de maat neemt zelf weer de maat genomen wordt – commentaar op commentaar, terechtwijzing op terechtwijzing. Een mille-feuille van frikkerige zedenpreken.

In ieder van ons is een ordehandhaver opgestaan; onder het juk van Covid-19 zijn we elkaar een BOA geworden. Een BOA met vermaningen op de lippen en een bonnenboekje in de hand. En zo gingen niet alleen de gedachten maar ook de verlangens terug naar het begin van het jaar, dat moment van angst en hoop en het korte oplichten van solidariteit, toen het eigenbelang voor even ondergeschikt was aan iets dat groter was dan wij.

Tommy Wieringa schrijft elke week op deze plek een column.