Opinie

Het jaar van Covid-19 en ander leed: op zoek naar de menselijke maat

De ombudsman

Jammer, dacht ik. Is „ze” zeggen nu ook al doorgedrongen tot NRC? Op straat, op feestjes en elders hoor je al vaak genoeg dat „ze” weer iets hebben bedacht: een product, uitverkoop, vaccinaties, verkiezingen. Ook in het NOS Journaal, dat eens meldde: in Engeland gaan „ze” naar de stembus. Wie, de Engelsen? Nee maar.

Op de voorpagina van NRC las ik vorige week in een kopje dat „ze” elders al gaan prikken tegen Covid-19, maar „wij” nog niet.

Ja, en? Het brengt het nieuws toch dichtbij ‘de mensen’?

Nou, ooit waren „we” en „ons land” taboe bij NRC. Het moest zijn: Nederlanders en Nederland. Dat is allang veranderd en inderdaad, lezers zo aanspreken kan lotsverbondenheid scheppen, of ten minste suggereren. Dat kan goed werken in artikelen in Leven, of in persoonlijke getuigenissen en columns (let op, ik ga het straks ook doen). Maar in nieuwsverhalen creëren „ze” en „we” een lapidaire wij/zij-tegenstelling en suggereren ze kleinheid of onmacht tegenover een boze buitenwereld: „ze” doen maar. Het zou me trouwens niet verbazen als het anonieme koppel in de media is opgerukt na de aardschok van Pim Fortuyn, toen de media massaal in paniek begonnen rond te tasten naar ‘het volk’.

Zeg, wat is dit op de valreep voor chagrijn, ombudsman? Het was maar één klein kopje!

Klopt, en hopelijk blijft het een uitzondering. Maar het brengt me, bij wijze van kerstoverpeinzing, wel op een dilemma waar ook NRC dit jaar als nooit tevoren mee te maken kreeg: de spanning tussen empathie of inleving, die het nieuws ‘dichtbij’ moet brengen, en distantie die feiten en cijfers voorop blijft stellen.

Dat speelt bij uitstek in het ongekende corona-nieuws dat dit jaar heeft beheerst. Die berichtgeving heeft per definitie tegelijk een ‘kille’ medisch-wetenschappelijke en een ‘warme’ menselijke kant. Bovendien, journalisten schrijven er niet alleen over, ze krijgen ook in eigen kring vaak te maken met het virus.

Waar ligt dan de balans tussen afstand en betrokkenheid? Die vraag wordt nog versterkt door de sceptische beweging die ook in Nederland op gang is gekomen en die de ernst van het virus ontkent – alleen „ze” worden immers ziek – of zich keert tegen de ‘buitenproportionele’ maatregelen.

Een krant moet zijn lezers dan natuurlijk allereerst tijdig en zo betrouwbaar mogelijk informeren. In corona-tijden betekent dat ook: het ongeduld trotseren van media-critici die van alles zeker denken te weten, of het nu gaat om sterftecijfers, aerosolen of de chip die Bill Gates bij ons zou willen implanteren, zoals koortsachtige complotdenkers beweren.

Terugblikkend op het hele jaar vind ik het indrukwekkend hoe de krant daarin is geslaagd, onder uitputtende omstandigheden.

Tegelijk is er het menselijke verhaal. Op de Canadese televisie klaagde een ziekenhuisarts dat mensen geen goed „mentaal beeld” hebben van wat doodgaan aan corona betekent: sterven in angst, ademnood, liggend op je buik, alleen of met een kort afscheid via de iPad.

De arts vertelde het om mensen op te roepen zich aan de maatregelen te houden. Maar ook journalistiek is zijn pleidooi terzake. Ook hier gaat het al maanden om de cijfers, die „moeten omlaag”, of „gaan de verkeerde kant op”.

Begrijpelijk, maar statistiek wekt geen empathie. Juist daarom waren de ‘frontberichten’ op NPO2 zo belangrijk: voorbij de curves of staafdiagrammen gaat het om mensen. Ook andere media, overal ter wereld, deden pogingen om de pandemie persoonlijk invoelbaar te maken.

NRC bracht ontroerende necrologieën van overledenen – en die wil ik hier graag nog eens onder de aandacht brengen. Wie ze leest, wandelt niet door een herfstig bos vol ‘dor hout’ of ‘dwarrelende bladeren’, maar belandt in een beklemmend doolhof van geknakte levens. Ook een fotoreportage uit een ziekenhuis en artikelen over quarantaine hielpen mij (en naar ik hoop andere lezers) om een ‘mentaal beeld’ te vormen van wat corona aanricht.

Zulke concrete verhalen zijn tegelijk ook een welkome aanvulling of correctie op de tegeltjeswijsheid van filosofen dat doodgaan ‘bij het leven hoort’ én op de harde nuchterheid van corona-sceptici die oproepen om kwetsbare groepen af te schermen zodat „we” verder kunnen gaan met ons leven. Klinkt soms niet eens onredelijk, maar zoals ik lang geleden in een heel ander verband schreef: ergens tussen de vrijheid van de tapkast en de gelijkheid van de brancard is hier de broederschap uit zicht geraakt.

Tot slot nog iets over een ander dossier, want het zoeken naar een balans van empathie en distantie is niet alleen van belang bij corona. Ook bijvoorbeeld in de opzienbarende #metoo-verhalen van NRC het afgelopen jaar.

Door #metoo worden slachtoffers van seksueel geweld of ‘grensoverschrijdend gedrag’ niet meer a priori gewantrouwd omdat hun verhaal ‘toch niet te bewijzen’ zou zijn, maar serieus genomen. Dat is winst, zoals het ook wel degelijk mogelijk blijkt zulke verhalen te verifiëren. Maar ook dan blijft per geval de journalistieke vraag: hoe vertel je dit verhaal en waar leg je het perspectief en accent? Op de ‘kille’ feiten of op de ‘warme’ beleving?

Moet met andere woorden een #metoo-verhaal – ook als het zoals onlangs gaat over de falende klachtprocedure aan een grote universiteit – standaard worden verteld alsof de lezer de beweerde aanranding in real time meemaakt? Dat is geen ‘stilistische’ kwestie, zoals Nicolaas Matsier terecht in een brief schreef. Stijl is hier inhoud. Je zou bij #metoo verwachten dat de lezer al wél een ‘mentaal beeld’ heeft om zich bij de feiten iets voor te stellen.

Ja, zonder dat „ze” ermee wegkomen, natuurlijk.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.