Ilja Leonard Pfeijffer en Stella Seitun

Foto Michele Borzoni

Interview

‘Aan een ander denken is geen modieuze gedachte’

De verhalen van 2020 68 dagen zat Ilja Leonard Pfeijffer met zijn vriendin Stella Seitun in quarantaine in haar Genuase appartement van dertig vierkante meter. Op haar suggestie werd hij er chroniqueur van de coronapandemie. Aan het eind van het jaar verhuisden ze naar een palazzo.

Daar stond Ilja Leonard Pfeijffer in de Tempel van Venus, op het Forum Romanum, met uitzicht op het Colosseum. Het was 3 oktober – de Italiaanse vertaling van zijn roman Grand Hotel Europa werd gelanceerd. Op de plaats van het beeld van Venus, in een metershoge nis, stond nu de schrijver met zijn lange haren, stralend uitgelicht, en hij sprak Italiaans alsof hij nooit anders had gedaan.

In Duitsland, ook in oktober, werd Grand Hotel Europa de nieuwe Der Zauberberg genoemd. Zelf heette hij de nieuwe Thomas Mann. En die nieuwe Thomas Mann sprak Duits alsof hij nooit anders had gedaan. In Nederland won hij níet de Libris Literatuur Prijs, maar kreeg hij wel een Gouden Boek voor het tweehonderdduizendste verkochte exemplaar van Grand Hotel Europa. En op zondagavond 23 augustus was hij bij de VPRO de laatste zomergast van het seizoen. Kortom: de tijd dat Ilja Leonard Pfeijffer moest puzzelen of een optreden in Sneek te combineren viel met een optreden in Sluis is voorbij.

Het terras van een Italiaans restaurant in Leiden, maandagmiddag 24 augustus. Stella – zijn vriendin, zijn minnares, zijn muze, zijn alles – legt een spits wijsvingertje bij de piccoli piatti op de menukaart en glimlacht. Ilja glimlacht terug en zegt tegen ons: „Ze wil dat ik sla neem.” Stella: „Ilja houdt erg van kaas en vlees en dolci, van panna en cioccolato, vooral van panna en cioccolato. Hij eet daar een beetje te veel van.” Ilja: „Sinds ik niet meer drink, ja. Toen ik nog dronk, at ik nooit toetjes.” Hij bestelt vitello tonnato, maar zonder brood. Daarbij een dubbele espresso en een fles water. Hij steekt een sigaret op.

Voorheen werkte hij in Leiden, als classicus c.q. graecus, aan de universiteit, en zijn huis daar heeft hij gehouden. Hij woont nu in Genua, in Stella’s appartement van dertig vierkante meter aan de Piazza delle Erbe, in de oude binnenstad. Hij woonde een paar etages boven haar toen ze elkaar leerden kennen, en in zijn autobiografische Brieven uit Genua schreef hij hoe hij haar op een avond zag lopen, „afschrikwekkend mooi” en „volkomen onbereikbaar”. Hij zat eenzaam in de regen onder een lekkende parasol de ene cocktail na de andere te drinken en nodigde haar uit om bij hem aan zijn tafeltje te komen zitten. Tot zijn verbazing zei ze ja en nog voor hij wist hoe ze heette was hij hopeloos verliefd op haar. Dat was in 2015.

Stella Seitun (41): kunsthistorica, gepromoveerd op het werk van de zeventiende-eeuwse Italiaanse beeldhouwer Francesco Fanelli, dochter van een gepensioneerde hoogleraar patristiek (studie van de vroegchristelijke literatuur) en een gepensioneerde neuroloog, eeneiige tweelingzus van een radioloog, Sara.

Over die neuroloog, haar vader, vertelt ze dat die in december vorig jaar al overtuigd was van de ernst van de ziekte die toen net in Wuhan was uitgebroken. „Hij begon vast mondkapjes te bestellen.” Ze lacht. „Mijn vader is een beetje paranoïde. Hij overdrijft altijd alles.” Ilja: „Bij elke willekeurige ziekte geeft hij een diagnose met alle mogelijke bijverschijnselen, die erop neerkomen dat je dood zult gaan.” Stella: „Wij hielden hem voor de gek. Hij zei: dit wordt een pandemie, wacht maar.”

Horrorfilm

In maart was het lachen hun wel vergaan. Genua, een van de zwaarst getroffen steden van Italië, veranderde in het decor van een post-apocalyptische horrorfilm (Ilja’s woorden) en het was Stella die toen bedacht dat Ilja een column over hun leven zou gaan bijhouden. Dat deed hij, vier maanden lang elke dag in NRC, nu gebundeld in een boek, Quarantaine.

Elke dag vertaalde Stella de column met hulp van Ilja en Google Translate in het Italiaans en mailde die naar een steeds grotere groep vrienden. Ze zegt dat ze nu pas goed de importanza van Ilja’s werk ziet. „Je hebt een schrijver nodig om te begrijpen wat er gaande is en er betekenis aan te geven.”

Ilja zit tevreden te knikken en zegt: „Dingen verzinnen om de werkelijkheid te beschrijven is één ding. Maar de werkelijkheid beschrijven zonder dingen te verzinnen is er ook.”

Dingen verzinnen om de werkelijkheid te beschrijven is één ding. Maar de werkelijkheid beschrijven zonder dingen te verzinnen is er ook

De werkelijkheid in huize Stella gedurende de eerste golf van de pandemie: dat zíj er wel van genoot om binnen te zitten en niet naar haar werk te hoeven – in Enrico Galleria d’Arte aan de Via Garibaldi – en zelf te koken en kaarsen bij het eten aan te steken, en dat híj hard zijn best moest doen om niet depressief te worden. „De logische reactie op een lockdown”, zegt hij, „is om je niet meer aan te kleden en niet meer je haar te kammen en alles te verwaarlozen.” Wat de oude Ilja, zeggen wij, de Ilja van vóór Stella, zeker gedaan zou hebben. „Een lockdown zonder Stella”, zegt hij, „zou voor mij rampzalig zijn geweest. Moet je je voorstellen dat ik nog had gedronken, 68 dagen in een stad met alle kroegen dicht. Ik weet niet hoe ik dat had overleefd.” Thuis drinken? „Néé”, roept Stella, die niet alles verstaan heeft. „Ilja mag nóóit meer drinken.” Waarop Ilja even grinnikt en voor de zoveelste keer zegt hoe blij hij met haar is.

Nog meer werkelijkheid: dat er in háár een extremist (zegt Ilja) bleek te schuilen die de flessen met desinfecteermiddel desinfecteerde en de pakjes sigaretten die ze naar haar moeder bracht, en liefst ook nog de sigaretten één voor één, en dat in hém de man ontwaakte die zijn eigen nonchalance ten aanzien van hygiëne goedmoedig onderdrukte ter wille van de bangste in huis. „Dat moet”, zegt hij. „In een pandemie moet de minst bange zich aanpassen aan de bangste.” Hij noemt het de essentiële les die iedereen nu zou moeten leren. Dat je in zo’n situatie niet naar jezelf toe moet redeneren. Dat je onderdeel bent van een maatschappij en de ánder moet beschermen.

Dus is hij het helemaal met Stella eens als zij in augustus op het terras in Leiden vertelt over de Italianen die na de lockdown niet wisten hoe snel ze met vakantie moesten gaan. „Alle strandtenten, alle snelwegen, alle disco’s waren in juli alweer vol”, zegt ze. „Betaald met de bonus die ze van de politiek kregen om de economie aan te zwengelen.” Ilja: „Vorige week is het eerste cruiseschip weer vertrokken uit de haven van Genua. Het werd gevierd als een overwinning.” Stella: „Ze varen naar Livorno, naar Napels, naar Palermo, naar Malta, allemaal rode zones. Dat je risico neemt voor je werk, dat snap ik nog wel. Wij zijn nu ook naar Nederland gereisd. Maar voor vertier?” Ze is diep teleurgesteld, zegt ze, dat mensen hun hedonistische levensstijl niet voor een poosje kunnen opgeven om de gezondheid van hun medemensen te redden, en misschien die van henzelf.

Dertig jaar neoliberalisme heeft ons geleerd dat consumeren het doel van ons leven is. Dus moeten we niet raar opkijken als we dat zo snel mogelijk weer gaan doen

Nu neemt de schrijver van Grand Hotel Europa weer het woord, de roman die de verbeelding is van die hedonistische levensstijl, van het massatoerisme dat er het gevolg van is, van de verwording van een heel werelddeel tot een uitpuilend Anton Pieck-museum slash pretpark. Hij zegt: „Dertig jaar neoliberalisme heeft ons geleerd dat consumeren het doel van ons leven is. Dus moeten we niet raar opkijken als we dat zo snel mogelijk weer gaan doen. We zijn geconditioneerd door de filosofie dat we moeten denken als een ondernemer en onze eigen genoegens moeten nastreven. Aan een ander denken is geen modieuze gedachte, geen kwaliteit. Altruïsme heeft geen waarde in een evangelie dat egoïsme predikt.”

Zo. Ironisch: „Bij het schrijven van mijn roman heb ik niet aan een pandemie gedacht als gevolg van het maniakale reizen over de wereldbol. Dat had ik in mijn rol van ziener natuurlijk wel moeten bedenken.”

Hij bestelt nog een dubbele espresso. We herinneren hem aan een eerder interview met hem en Stella, in april 2019, waarin hij zei dat er zonder Stella geen Grand Hotel Europa was geweest. Nu zegt hij: „De beste ideeën komen allemaal van Stella.” Stella schudt nee en zegt iets in het Italiaans, dat door Ilja als volgt wordt vertaald: „Ze zegt dat ideeën niet tellen, ideeën zijn van iedereen. Het gaat om de uitvoering, om de vorm die ze krijgen. Maar dat ben ik niet helemaal met haar eens. Ideeën tellen wel en ik ben haar heel dankbaar voor alle ideeën die ze me geeft. Dat Grand Hotel Europa aan Stella is opgedragen is niet om lief te zijn. Het is kosmische rechtvaardigheid.”

Ilja Leonard Pfeijffer en Stella Seitun Foto Michele Borzoni

Kluizenaar

Even terug naar de aarde. Hebben ze de afgelopen dagen Ilja’s ouders nog bezocht? Die wonen in Voorburg. Ilja: „Eergisteren. We zijn in de tuin gebleven.” Stella: „Iedereen omhelst elkaar weer, maar wij doen dat niet.” Ilja: „Heel onnatuurlijk, maar ja. Mijn vader is ziek. Hij heeft zoveel ziektes dat hij zeer kwetsbaar is.”

Stella’s vader, die de pandemie voorzag, is niet ziek, maar wel oud, en een kluizenaar. Sinds december is hij niet buiten geweest. Haar moeder, die gescheiden van hem leeft, heeft een verminderde immuniteit en is tot de zomer niet buiten geweest. Toen werd ze zo gek van het binnen zitten dat ze, zodra het weer mocht, met vier mondkapjes voor haar gezicht van de Piazza San Lorenzo naar de Piazza Matteotti schuifelde om staande in een barretje – zitten was nog verboden – een kopje koffie te drinken. „Tachtig meter”, zegt Ilja. „Ze was bekaf.” Stella en hij waren mee.

En zij? Zijn zij niet gek van elkaar geworden, 68 dagen opgesloten op die 30 vierkante meter aan de Piazza delle Erbe? Ze kijken elkaar aan en zeggen: „Nee.” Geen ruzie? Of kan Ilja dat niet in het Italiaans? Ilja: „Ik maak sowieso nooit ruzie, ook niet in het Nederlands.” Stella: „I fight alone.” Ze doet alsof ze schreeuwt. „Ilja’s gewoontes zijn, eh, of waren… Hij was gewend om alleen te leven, als een beer in zijn grot.”

Dat vindt Ilja erg grappig om te horen. Hij lacht en draait een nieuwe sigaret. „Stella heeft me wel een beetje moeten opvoeden.” Dus hij schreeuwt nooit terug? „Nee. En ik wil het ook niet leren.” Denkend aan Brieven uit Genua zeggen wij dat hij op papier wel polemieken aangaat. „Dat is anders. Ik vind ruziemaken niet productief en ik ben er niet goed in, misschien omdat ik te veel empathie heb. Ik beredeneer meteen waarom de ander boos op mij is en dan snap ik het eigenlijk wel, en wordt het niks meer met mijn boosheid.” Een schrijverseigenschap, zegt hij. Schrijvers leven zich de hele dag in hun personages in en zijn gevoelig voor alle standpunten. Hij kijkt naar Stella. „Ik zou niet weten waarom ik ooit boos op jou had moeten zijn.”

Stella, haar hoofd iets schuin: „Ik zal je toch weleens hebben teleurgesteld?”

Ilja: „Niet dat ik me kan herinneren.” Tegen ons: „Ze heeft weleens een slechte bui, als ze vroeg moet opstaan of als ze gefrustreerd is. Dan kan ze heel onredelijk worden en boos op de hele wereld, inclusief mij. Maar ik ken haar en ik vind het” – hij kijkt weer naar Stella – „wel grappig.” Al kan Stella hem in potentie veel pijn doen, zegt hij. Hoe? Door op te houden zijn muze te zijn? Zijn schrijverschap de nek om te draaien? „Dat zal ze nooit willen. Het zal ook niet mogelijk zijn.”

Zij stelt zich soms een totaal vernietigde wereld voor, waarin alleen mijn kantoor nog overeind staat. En daar zit ik dan te schrijven.

Stella begrijpt zonder zijn vertaling wat hij zegt. „Onmogelijk”, zegt ze, „dat Ilja niet meer zou schrijven.”

Ilja: „Het is mijn anker en mijn reddingsboei. Zegt zij.”

Stella: „Het is zijn identiteit.”

Ilja: „Zij stelt zich soms een totaal vernietigde wereld voor, waarin alleen mijn kantoor nog overeind staat, met mijn bureau. En daar zit ik dan te schrijven.”

Zijn kantoor is binnenkort niet meer aan de Piazza delle Erbe, maar tweehonderd meter daarvandaan in een vijftiende-eeuws palazzo (achter een negentiende-eeuwse façade) aan de Piazza San Lorenzo, tegenover de kathedraal. En vlak bij Stella’s moeder. Het wordt nog verbouwd, maar de architect heeft beloofd dat het af is als ze donderdag terug zijn uit Nederland. Dan gaan ze verhuizen. Hopen ze. „Hij zou ons elke dag foto’s sturen van de vorderingen”, zegt Ilja, op zijn telefoon kijkend. „Tot op heden hebben we niets ontvangen en niets gehoord.” Hij kan er wel om lachen. Twee jaar zijn ze nu bezig en pas onlangs, zegt hij, ontdekten ze dat hij het huis alleen maar voor haar wilde – „Stella verdient een mooie omlijsting” – en zij alleen maar voor hem.

Si, si, si”, zegt Stella. „Solo per lui.”

„We hadden het dus”, zegt Ilja, „net zo goed niet kunnen doen.”

Het nieuwe appartement, tweehonderd vierkante meter, voorheen bedrijfsruimte, was eigenlijk niet te koop toen ze het voor het eerst bezichtigden. Veel gedoe, maar nu is het van hen en straks, zegt Ilja, wonen ze ver boven hun stand. Stella laat foto’s zien. Beschilderde plafonds, met mozaïek ingelegde vloeren, marmer in alle mogelijke kleuren. Zij heeft de meubelen gekocht, op veilingen via internet. Ze kent nu, zegt ze, Ilja’s stijl. Barok, bladgoud, krullen. Grand Hotel Europa.

Ilja: „Vrolijk.”

Stella: „Een pastiche.”

Ilja: „Maar niet zozeer mijn stijl. Het is wat het huis wil.”

De eettafel komt uit Ierland, de zitbank uit Schotland, zijn nieuwe bureau uit België, de bijpassende troon (Ilja’s woorden) uit Triëst. Denkt hij dat hij nog één woord kan schrijven als hij daar straks op zit? „Ik hoop het niet”, zegt hij. „Ik hoop dat ik met pensioen kan.” Grapje.

Lees ook: Onze recensie van Grand Hotel Europa, uit december 2018

Te weinig zuurstof

Op vrijdagmiddag 27 november zitten ze in Stella’s appartement aan de Piazza delle Erbe, tegenover elkaar aan tafel bij het raam. Soepstengel, glaasje water. „Volgende week verhuizen we echt”, zegt Ilja. „En dan willen we de komende tien jaar geen werkman meer zien.”

We zijn op bezoek via FaceTime, naar Genua reizen zat er niet in. Stella vertelt dat het in het ziekenhuis waar haar zus Sara werkt de afgelopen weken wel oorlog leek. Honderden patiënten op bedden in de gangen, te weinig zuurstof, alles vies en vuil. Haar vader zit nog steeds binnen, nu al bijna een jaar. En haar moeder? „Die gaat soms naar buiten voor een wandeling.”

De vader van Ilja is overleden. We lazen het eind oktober in een van de sonnetten die Ilja Leonard Pfeijffer voor NRC schrijft. Ik zag een foto van een leraar in de krant. Zijn ogen straalden en zijn handen / verduidelijkten alle rafelranden van wereldbeelden. Leraar zijn heeft zin. / Mijn vader was zo’n leraar. Toen we voor de uitvaartdienst uit oude foto’s / kozen, zag ik hem voor de klas in net zo’n pose: de kids verrijkt door wie ik / thans verloor. / Ik dank hem dat hij mij steeds heeft geleerd dat dogma’s en prinzipienreiterei / een zwakte zijn. De twijfel maakt ons sterk. / De foto die de krant gepubliceerd had, was van Samuel Paty. Ook hij is dood. / Ook hij geloofde in zijn werk.

Ilja: „Hij werd opgenomen voor een klein dingetje, een wond die was gaan ontsteken, en opeens ging hij hard achteruit. We hebben het eerste vliegtuig naar Nederland genomen. Stella vond het vanzelfsprekend om mee te gaan en daar ben ik haar dankbaar voor. Ik durfde het haar niet te vragen. Mijn vader was niet meer bij bewustzijn. Daar zaten we dan met de hele familie rond zijn bed te luisteren naar de ademhaling die steeds slechter werd. Uiteindelijk is hij toch nog vredig ingeslapen.” De enige ziekte die zijn vader níet had, zegt Ilja, was Covid.

Lees ook: ‘Ik ben razend op Ilja’s verleden’

Dat was op 17 oktober. Op 16 oktober waren Ilja en Stella in Venetië voor de presentatie van Grand Hotel Europa, en dat was een rel geworden. De presentatie zou in het Ateneo Veneto zijn, een eeuwenoud instituut voor wetenschap en literatuur, maar op het laatste moment werd die afgezegd. Een zekere Paola Marini, ex-directrice van de Galleria dell’Accademia, had zichzelf herkend in een van de personages in de roman en was zo verbolgen dat ze er bij het Ateneo op had aangedrongen het evento te annuleren. „Op zichzelf”, zegt Ilja, „was het niet zo knap van haar dat ze zichzelf herkend had, want dat personage heet in het boek ook Paola Marini en is directrice van de Galleria.” En nee, het portret van de fictieve Paola Marini is niet vleiend. Ze is de baas van Clio – het personage dat sprekend op Stella lijkt – en doet er alles aan om een congres van Clio in Venetië te frustreren. En als dat congres toch doorgaat, strijkt zij met de eer. Ilja: „Ik heb haar neergezet als een typische baronessa, iemand die misbruik maakt van haar machtspositie, en het grappige is dat de echte Paola Marini dat bevestigt door een openbare boekpresentatie te frustreren.” Maar deze keer, zegt hij, krijgt het spel van feit en fictie misschien een vervelend staartje. Haar advocaat heeft een brief aan zijn uitgever gestuurd.

Kende Ilja haar toen hij over haar schreef?

„Nee. Ik had haar naam gegoogeld. Ik weet eigenlijk niet waarover ze klaagt. Ik schrijf gewoon de waarheid. Er is alleen een klein chronologisch probleem: dat ik eerst de waarheid schrijf en dat zij er daarna pas blijk van geeft dat het de waarheid is.” Ironisch: „Het is het lot van de ziener.”

Dat hij in Duitsland met Thomas Mann zou worden vergeleken, had hij dat ook voorzien? Op pagina 300 laat hij de fictieve Ilja Leonard Pfeijffer met zijn fictieve uitgever Peter Nijssen over het boek praten dat hij aan het schrijven is: dat het een liefdesverklaring moet worden aan Europa vanwege wat het ooit was, en dat het vanwege wat het ooit was onder de voet wordt gelopen door de laatste en definitieve barbaarse invasie. En dan concludeert de uitgever: „Een soort Der Zauberberg van de eenentwintigste eeuw.”

„Haha”, zegt de echte Ilja Leonard Pfeijffer. „Toen ik dat schreef, had ik de Duitse vertaling en de recensies natuurlijk al in mijn hoofd.” Echt? „Nee, maar ik kan niet ontkennen dat ik in Grand Hotel Europa met opzet de aandacht vestig op de overeenkomsten tussen mijn boek en Der Zauberberg.”

We vragen of hij al een nieuwe roman begonnen is. Hij zegt: „Ik sta deze weken nog in de promotiestand. En ik heb ook maar een beetje vrij genomen voor het nieuwe huis.”

Maar in januari pakt hij zijn vulpen…

„…en begin ik aan de rest van mijn carrière. You ain’t seen nothing yet.”