Recensie

Recensie Boeken

Een bizarre roman over een Disney-medewerker

Joost Oomen In de bizarre roman Het Perenlied van debutant Joost Oomen (1990) jubelt groente, zingt fruit en buitelt een roze dolfijn, dit alles in een afwisselend decor van onderaardse werelden, ontploffingen, vreugdekreten en ook wel wat gekerm.

In de bizarre roman Het Perenlied van debutant Joost Oomen (1990) jubelt groente, zingt fruit en buitelt een roze dolfijn, dit alles in een afwisselend decor van onderaardse werelden, ontploffingen, vreugdekreten en ook wel wat gekerm. Is het een sprookje, is het een aanklacht? Nee, het is Het Perenlied, een buitelende beeldenboel – of ja, het is allebei. Wie begint te lezen valt van de ene verbazing in de andere en zoekt naarstig naar houvast, in sprankelende zinnen waar klank, ritme en associaties haast even belangrijk blijken te zijn als betekenis. Toch is het ook een verhaal, over een aantal eenzame zielen dat houvast vindt in verbeelding.

Een man trekt weg uit New York, waar hij in een van de Twin Towers werkte in een kantoor van Walt Disney. Op het moment van de aanslagen is hij juist naar buiten gelopen, om een pruim te eten en soep (bietensoep) te halen voor zijn geliefde, een collega genaamd Chad Westwick. Hij blijft leven, maar Chad komt om. Bij het ‘Disney 9/11 Recovery Programme’ in Florida krijgt hij een nieuw huis. Verscheurd door verdriet plant hij er bieten, daarvan maakt hij soep, boven die soep ejaculeert hij. Uit de soep wordt vervolgens een paarse dochter geboren: de Bietenkoningin. De vader blijft op zoek naar Chad, maar je volgt ook de zoektocht van Bietenkoningin naar iemand die, net als zij, paars is. Van buiten of vanbinnen: Het Perenlied gaat ook over zielsverwantschap.

Waarschuwing

Maar vooral gaat de roman over opmerkzaamheid, over de luister van al wat is. Schoonheid gaat overal in schuil, heet het, in een koeienvlaai, een gelatinepudding of een Pritt-stift. Voor wie dat opmerkt is ‘het Perenlied’ hoorbaar, een ‘helder’, ‘heilig’ lied ‘als de druppel honing die van de punt van een in honing gestoken zakmes druipt’.

Dit klinkt een beetje stichtelijk, en dat is het ook. Je zou er haast overheen lezen, maar hoe merkwaardig deze roman ook is: er is een duidelijke moraal in aanwezig. Het Perenlied is een waarschuwing, om verder te kijken dan je neus lang is, je niet in de luren te laten leggen. Het pure perenlied wordt ‘lomp en luidruchtig’ overstemd door een valse versie: ‘Een neplied vol namaaksuiker. Met aangeharkte paden, over doorberekende achtbaanrails’. Zoals in de films en pretparken van Disney dus.

Heersers van alle tijden en werelden zouden de opmerkzaamheid en gevoeligheid van hun onderdanen voor schoonheid willen reguleren. Ze trachten de vervoering in een vorm te gieten, beheersbaar te houden. Een fresco is mooier dan een modderpoel, een compositie van Mozart dan koeiengeloei, een marmeren standbeeld dan een kiezelsteen. Men moet houden van danstheater, niet zwijmelen bij bijvoorbeeld een ‘kapotte paraplu’. Deze dwang kan ontaarden in vals sentiment, in voorgekookte ‘joepiemomenten’, in een nepleven in een schijnwerkelijkheid. Deze nadrukkelijke boodschap maakt de uitzinnige roman Het Perenlied uiteindelijk toch een beetje braaf, vreemd genoeg.