Recensie

Recensie Boeken

Het 16-jarige meisje moest temidden van dronken mannen op de eettafel dansen, waarna ze voor altijd verdween

Russische geschiedenis De Amerikaan Alex Halberstadt schreef een memoir over zijn Russische familie en ontdekte dat een van zijn grootvaders een beul van Stalin was.

De grootvader van Alex Halberstadt als jonge agent van de geheime politie.
De grootvader van Alex Halberstadt als jonge agent van de geheime politie. Foto uit besproken boek

Op school in de Sovjet-Unie kreeg je in de eerste klas een boek te lezen over kinderen die uit liefde voor de communistische zaak de vreselijkste dingen deden. Een van die kinderen was Pavlik Morozov. Tijdens de collectivisatie van de landbouw, in 1932, gaf hij zijn vader bij de bolsjewieken aan, omdat hij een paar zakken graan had verstopt. Die vader werd voor straf doodgeschoten. De kleine Pavlik was een held. Maar zijn familieleden waren zo ontzet over zijn verraad, dat ze het ventje vermoordden. Na zijn dood werd Pavlik een martelaar, die alle andere kinderen ten voorbeeld werd gesteld.

Dat schoolboek heet De jonge helden van de Sovjet-Unie en het is niet zo vreemd dat de Amerikaanse schrijver Alex Halberstadt (Moskou, 1970) die titel heeft overgenomen voor zijn boek over zijn Russische familie. Al was het alleen maar omdat het wezen van het communisme erin wordt blootgelegd, waarin de wil van het collectief belangrijker is dan het welzijn van het individu.

De eerste negen jaren van zijn leven woont Alex Halberstadt in Moskou. Zijn vader, Vjatsjeslav Tsjernopyski, heeft filosofie gestudeerd, maar verdient grof geld als zwarthandelaar in westerse goederen, zoals popplaten en videorecorders. Zijn moeder, Anna Halberstadt, is psycholoog in een psychiatrische kliniek. Hun huwelijk is belabberd. Ook heeft zijn vader nachtmerries, waar nooit iets over wordt gezegd, maar die met zijn jeugd te maken hebben.

Als er in het najaar van 1978 zelfs geen vlees meer in de winkels te krijgen is, besluit Anna, die van Joodse komaf is, met haar ouders en zoon naar de Verenigde Staten te emigreren, wat dankzij een overeenkomst met de Amerikanen, die Joodse emigratie uit de Sovjet-Unie vergemakkelijkt, sinds 1974 mogelijk is.

Hun leven in New York verschilt weinig van dat in Moskou. Alleen wordt Halberstadt nu door zijn klasgenoten uitgescholden voor ‘communist’ of ‘Big Red’. Als hij ontdekt dat hij homo is en ervoor uitkomt, wordt hij door zijn vrienden met de nek aangekeken. En dan zijn er ook nog zijn zwarte buurjongens die hem op straat beroven. Bij elkaar genomen levert het schitterende passages op over de eerste jaren van een berooid migrantengezin in een vreemde omgeving.

Hip gay-stel

In Amerika interesseert Halberstadt zich niet voor zijn Russische wortels. Met zijn vader in Moskou heeft hij amper contact. Maar in 2004, hij is inmiddels schrijver, verandert dat.

Op een dag belt zijn vader hem op met het bericht dat hij via een achterneef uit Oekraïne een boodschap heeft ontvangen van zijn eigen vader, Vasili Tsjernopyski, met wie hij alle banden verbroken heeft. Halberstadt weet niet anders dan dat zijn grootvader dood is en herinnert zich van hem alleen dat hij bij de KGB werkte.

In zijn onlangs vertaalde roman zet deze Estse schrijver indringend neer hoe subtiel en gemeen het totalitaire Sovjet-regime een heel gezin weet te vernietigen. Lees ook: Verraden door je eigen zoontje

Hij spoort de inmiddels 93-jarige Vasili nu op en reist naar het Oekraïense Vinnytsja, waar hij met zijn tweede vrouw woont. In die stad ontdekt hij hoe er tijdens de Stalinterreur van de jaren dertig tienduizenden inwoners zijn geëxecuteerd en begraven in massagraven in het stadspark. Vervolgens blijken de Duitsers in 1941 ook nog eens 28.000 Joden te hebben vermoord. Die kennismaking met een van de wreedste hoofdstukken uit de geschiedenis van de Sovjet-Unie, waarin miljoenen burgers werden gearresteerd en minstens 700.000 geëxecuteerd, is behalve een compacte geschiedenisles ook de opmaat naar een verbijsterend en origineel verhaal. Even schiet Halberstadt hier uit de bocht door geloof te hechten aan een onbewezen complottheorie dat Stalins vrouw Nadezjda in 1932 geen zelfmoord heeft gepleegd, maar is doodgeschoten.

Na enige aarzeling vertelt Vasili zijn kleinzoon dat hij in 1935 in de Loebjanka, het Moskouse hoofdkwartier van de geheime politie, kwam werken. Zoals zovelen geloofde hij toen oprecht in ‘de moeilijke taak van het communisme en de noodzaak om af en toe een rotte plek uit het hart van de appel te snijden’.

Bacchanalen

In 1941 werd Vasili toegevoegd aan de eenheid die Stalin beveiligde. In het vervolg keek hij toe bij de bacchanalen van de Kremlin-elite.

Ook was hij in die jaren getuige van de ontvoering van een 16-jarig meisje door Lavrenti Beria, het hoofd van de geheime politie. Vasili zat bij hem in de auto toen het kind door een lijfwacht van de straat werd geplukt. Bij Beria thuis moest ze temidden van dronken mannen op de eettafel dansen, waarna ze voor altijd verdween. Vasili had haar willen redden, maar deed niets. Logisch, denk je dan, want als hij had ingegrepen was hij zelf vermoord. Wel voelt hij zich na al die jaren nog altijd schuldig over dat falen.

Toen Stalin in 1953 overleed, wilde Beria Vasili overplaatsen naar de leiding van een strafkamp in Oost-Siberië. Maar deze vroeg belet bij zijn baas en smeekte hem om in Vinnytsja te mogen wonen, zodat hij voor zijn ouders kon zorgen.

Op dat moment beseft Halberstadt dat een gewone lijfwacht zoals zijn grootvader nooit door de op dat moment machtigste man van de Sovjet-Unie zou zijn ontvangen. Hij dwingt Vasili nu een bekentenis af. Zijn grootvader blijkt helemaal geen onderknuppel te zijn geweest, maar een veel gedecoreerde majoor met vijfenvijftig man onder zijn bevel. In de Loebjanka deden ze niets anders dan arrestanten doodschieten. Beria heeft hem ‘als ordinaire moordenaar’ gebruikt, zegt Vasili. Het zijn representatieve woorden voor een hele generatie beulen, van wie de namen nog altijd onbekend zijn. Vasili vertelt hierna niets meer.

Dokterscomplot

Hierna richt Halberstadt zich op het Joodse deel van zijn familie, dat uit Litouwen komt. Het levert een geschiedenis op over de holocaust in Oost-Europa, zoals die al heel vaak is verteld. Je komt dan ook weinig verrassends tegen, al blijven de gruwelen die hij over de nazi’s en hun Litouwse handlangers vertelt onvoorstelbaar.

Dit deel wordt pas interessant als Halberstadt het heeft over het naoorlogse lot van zijn grootvader Semjon, een hoogleraar neurofysiologie in Vilnius. In Stalins nadagen en twee weken voordat hij zijn dissertatie moet verdedigen wordt hij als Jood ontslagen tijdens het zogenoemde dokterscomplot van Joodse artsen, die de Kremlin-elite zouden willen vermoorden. Na Stalins dood in maart 1953 spant hij een proces tegen de universiteit aan en krijgt hij zijn baan terug, die hij de volgende 27 jaar behoudt.

Semjon is de sympathiekste persoon uit het boek. Dat blijkt als zijn kleinzoon hem bekent homoseksueel te zijn en hij met veel empathie zegt dat dit een ‘heel normale abnormaliteit’ is.

In het slotdeel van zijn boek beschrijft Halberstadt het leven in de Sovjet-Unie van de jaren zeventig. De tijden zijn aan het veranderen. De jeugd wil Otis Redding horen, in jeans lopen en Bonjour tristesse lezen. Pas nu wordt duidelijk waarom zijn vader zo’n losbol is. Halberstadt zet die periode knap neer en kan daardoor eindelijk begrip voor zijn vader opbrengen. Het is iets wat die vader zelf niet lukt met Vasili. De door hem begane wreedheden zijn te groot om te vergeven.