Recensie

Recensie Boeken

Hoe maken we dit jaar nog iets van de Kerst?

Geerten Meijsing In een wereld die uitnodigt tot weemoed en misantropie doet Meijsing een hartelijke poging tot zalving van de ziel, door zijn kerstverhalen glans te geven.

Landsmeer bereidt zich voor op Kerstmis.
Landsmeer bereidt zich voor op Kerstmis. Foto Melissa Fenijn

Het is toevallig dit jaar voor iedereen, en niet slechts voor de eenzamen en armlastigen, een ter zake doende vraag: hoe maken we nog iets van de Kerst? Het antwoord van Geerten Meijsing (1950), de verhalenbundel Zeven kerstvertellingen, stuurt ons in een behartigenswaardige richting. In de afgelopen 25 jaar schreef Meijsing, schrijver van weleer te Syracuse, deze vertellingen, die in geringe oplagen gedrukt werden voor liefhebbers; nu zijn ze gebundeld, zeer tijdig.

Want in een wereld die uitnodigt tot weemoed en misantropie doet Meijsing een hartelijke poging tot zalving van de ziel, door zijn kerstverhalen glans te geven. Troostend met zwarte humor, wanneer hij terloops over kerstdisgenoten noteert hoe zij bijeenhokken ‘zoals het redeloze vee op deze donkere nachten dicht bij elkaar gedrongen in de stallen staat te wasemen en te ruften’. Meijsing geeft de guurheid en ellende alle ruimte, maar biedt toch ook iets van warmte – door de schoonheid van de taal.

Het huis geurt naar ‘hars van de dennenboom, geuren van de haard, de panettone die op de schouw op temperatuur komt’, al dienen we niet weg te zwijmelen: de brandende lampen en verwarmingen en gaspitten ‘jagen de elektriciteits- en gasrekeningen op’. Dat is de opmaat naar het kerstigste verhaal, ‘De kerstpijp’, waarin de smart bitter is maar de warmte vurig. Het is dickensiaans in zijn melodramatisch register: in een arm, kinderrijk gezin bereidt het kroost zich voor op een Kerst zonder cadeaus en ‘dure eterij’, want hun vader, de alleenstaande (straat)muzikant Pasquale, is berooid. De kleine Theresa bekokstooft iets om hem, van haar zuurverdiende penningen, het fijnste cadeau geven dat hij als pijproker kan wensen: een kerstpijp. Dat lukt, en hoe: doordat Meijsing zo stijlvast is (de kinderen ‘lachten verguld’), ook in bijzaken (er duikt ‘een dienderskoppel’ op, ‘in blauw dekkleed, de joppers afgezet met nepbont voor de winter’), werkt dit verhaal helemaal.

Smakelijke herinneringen

Een heel ander register bespeelt Meijsing in ‘Eenden uit de vijver’, dat vol staat met smakelijke jeugdherinneringen en aardige eendenwetenswaardigheden, maar draait om de traditionele kerstdis in het ouderlijk huis – en de clandestiene herkomst daarvan. Eenden waren de ‘vriendjes’ van de verteller, maar boezemden hem ook angst in, ‘deze drijvende vogels met hun snaterbek, waarmee ze allemaal tegelijk in lachen uitbarsten zodra er eentje wat heeft gezegd’ – een dubbelzinnige, paradoxale rol die Meijsing door het hele verhaal laat terugkomen, en de vertelling boven de anekdotiek uittilt. Want ooit luidden de eenden ook het einde in van zijn jeugd, zijn onschuld. ‘Ik vond het een groot offer voor de onschuldige vrede van het kerstfeest.’

In het merendeel van deze zeven vertellingen is de toon mijmerend (terecht: ‘Het is bij uitstek ook een periode, die aangehouden tijd van weinig licht en lange avonden, om terug te kijken’), maar zonder ronduit mopperig te zijn, want veranderen zal er toch nooit iets (goede voornemens zijn onzin) en de schone kunst van het bedachtzaam, klinkend en weelderig formuleren maakt de klachten zoet.

Als de decemberdagen ‘ongemakkelijk en bedrukt’ maken, moet er iets gebeuren, zoals in ‘De Noord-, Zuid-Limburgse Amateurmodellen’: de verteller, zoals steeds een alter ego van de schrijver, arrangeert voor kerstavond een bupsje modellen om te fotograferen. Dit langste verhaal is ook weer een terugblik die anekdotes, digressies, een portret van de verteller en een analyse van diens vriendschapsverleden samenbrengt – en legt dankzij die laatste component ook weer iets wezenlijks bloot.

Dat verbindt de betere verhalen: zo blikt de verteller in het reisverhaal ‘Kerstkinderen’ gloedvol terug op de autorit die hij maakte met de moeder van zijn dochter; in de ontknoping blijkt dat de uitweidingen over astrologie en Gabriele d’Annunzio er niet voor niets stonden. De minste verhalen (de laatste twee) ontberen zo’n ‘beloning’ van een ontknoping, waardoor de uitweidingen iets oeverloos behouden – de beschreven vereenzaming lijkt de schrijver enigszins op te breken. Alsnog blijft er genoeg moois te lezen: ‘Diep ademhalen, en dan rust – zo ga ik deze laatste dagen van het jaar door het leven.’

Lees ook: Ook dit jaar zijn de huizen versierd met kerstverlichting