Recensie

Recensie Boeken

20 schrijvers over het belangrijkste boek van 2020

Belangrijkste boek van het jaar Twintig bekende schrijvers, onder wie Geert Mak, Manon Uphoff en Pieter Waterdrinker, vertellen over het boek dat in 2020 de meeste indruk op hen maakte.
XF&M

Het corona-jaar 2020 heeft ieders leven drastisch verstoord. Alles is ineens anders geworden. Veroordeeld tot een thuisbestaan tussen vier muren, op veilige afstand van bejaarde ouders, vrienden en collega’s, boden boeken daarentegen meer troost dan ooit. Vooral omdat ze je in staat stelden om even aan de rauwe werkelijkheid te ontsnappen. Je zag het in de boekhandel. Eerst waren er klassieke pandemieromans, zoals De pest van Albert Camus of De stad der blinden van José Saramago, die herdruk na herdruk beleefden. Maar aangezien velen zich door zulke beklemmende verhalen nog opgeslotener voelden dan eerst, kozen ze algauw voor andere fictie en non-fictie, zoals geschiedenisboeken over Nederlands-Indië en biografieën van politici als Hans Wiegel.

Het zou me niet verbazen als er in 2020 meer gelezen is dan in de afgelopen jaren bij elkaar, ook al merk je dat niet meteen aan de omzet van de boekhandel, die in corona-tijden meer dan ooit te lijden heeft onder de concurrentie van online-boekenbesteldienst bol.com.

Om die redenen is het onbegrijpelijk dat juist nu het kabinet boekhandels niet als essentiële winkels beschouwt en ze op zijn minst een afhaalloket gunt. Dat boeken balsem voor de door corona gekwelde ziel zijn is blijkbaar nog altijd niet doorgedrongen tot het Binnenhof.

Om iedereen daar nog eens extra op te wijzen vroeg de boekenredactie van NRC aan twintig schrijvers, die het afgelopen jaar zelf een boek publiceerden, welk boek voor hen in 2020 belangrijk is geweest. Net als in voorgaande jaren leverde het verrassende titels op, van romans tot wetenschapsboeken, van politieke non-fictie tot psychologische studies.

Michel Krielaars, Chef Boeken

p.s. Wilt u in 2021 op de hoogte blijven van de beste nieuwe boeken? Schrijft u zich dan in voor onze wekelijkse Boekennieuwsbrief.

1. Arnon Grunberg
Hannah Arendt: Verantwoordelijkheid en oordeel

‘Als je handelen bestond uit het toepassen van algemene gedragsregels op specifieke gevallen zoals ze zich in het dagelijks leven voordoen, dan zul je merken dat je lamgeslagen bent, want dergelijke regels zijn nooit tegen de wind van het denken bestand’, schrijft Hannah Arendt (1906-1975) in haar verhandeling ‘Denken en morele overwegingen’, opgenomen in de bundel Verantwoordelijkheid en oordeel. Steeds komt zij terug op de uitspraak van Socrates dat het beter is kwaad te ondergaan dan kwaad te doen, een uitspraak die hij zelf nooit kon bewijzen. Moraal is een reeks aan verandering onderhevige gedragsregels, die ons volgens Arendt niet voor het kwaad zal behoeden, ons er zelfs heen kan voeren. Zij cirkelt liefdevol om Socrates heen. Hij noemde zichzelf een horzel en een vroedvrouw. Hij onderwees niets, hij wilde mensen slechts verlossen van hun meningen. Denken biedt geen garantie tegen het kwaad, in het denken zit altijd het nihilistische zaad, ‘nihilisme is slechts de keerzijde van de conventie.’ Arendt is omarmd door vooruitstrevende denkers, die zo bang zijn dat hun goede bedoelingen niet tegen denken bestand zijn dat ze preventief met denken zijn gestopt. Arendt kan een vaccin zijn tegen hen die menen het recept tegen het kwaad te kennen. Ook citeert ze het orakel van Delphi, die op de vraag van Zeno hoe hij het best mogelijke leven moest leiden antwoordde: ‘Neem de kleur van de dood aan.’

2. Eva Meijer
Bibi Dumon Tak: De dag dat ik mijn naam veranderde

Terwijl veel van wat vast leek dit jaar zonder mededogen afbrokkelde hervond ik het leesfanatisme dat me als kind van boek naar boek joeg. Om wat te begrijpen over het waarom, over hoe groot en klein in elkaar grijpen, en ook omdat ik behoefte had meegenomen te worden in een ander verhaal. In het midden van de zomer las ik De dag dat ik mijn naam veranderde van Bibi Dumon Tak. Daarin sterft het zusje van de hoofdpersoon aan kanker, waarna de hoofdpersoon haar neefjes niet meer mag zien. Dat verhaal is met duizend draden verbonden aan grotere verhalen: hoe we weerloos zijn tegenover de dood, hoe mannen impliciet en expliciet vaak nog de dienst uitmaken, de bureaucratie die onze tijd steelt, het absurde, de rollen die mensen spelen zonder erbij na te denken, de mallen waar ze zo gerieflijk ingezakt zijn. De verteller leidt ons via sprongen in de tijd door het verhaal van haar familie, laat heel precies en terloops zien hoe het een naar het ander leidt. Het is licht geschreven, vol poëtische beelden, bij vlagen heel grappig en misschien daarom zo hartverscheurend. In NRC werd het woedend genoemd: dat is het ook, maar het is meer. Binnenin de grootste machteloosheid blijken woorden te liggen, die het zusje niet kunnen redden, maar die toch de rollen omkeren en dit verhaal uit de tijd tillen. We zijn als mensen nietig en tegen weinig bestand. Maar we kunnen verhalen vertellen en ze opnieuw vertellen. En soms verandert dat alles.

3. Merijn de Boer
Sipko Melissen: De vierde mei

Het proza van Sipko Melissen is zo goedgehumeurd, dat je er automatisch vrolijk door wordt. Opvallend genoeg zijn zijn personages vaak juist een beetje tobberige types. In zijn nieuwste roman De vierde mei gaat het over de 69-jarige redactrice Altea DeWitt. Het boek verscheen tijdens de eerste coronagolf en was onverwacht actueel. Altea moet namelijk een manuscript beoordelen, waarin wordt beschreven dat de Dam tijdens Dodenherdenking leeg blijft. Niet vanwege een virus maar door een terroristische aanslag. Altea vindt dat het manuscript uitgegeven moet worden. Haar man vindt van niet: hij is bang dat het angsten en vooroordelen in de maatschappij zal aanwakkeren. Hun felle meningsverschil leidt tot de onverwachte twijfel bij Altea of ze wel bij haar man moet blijven. Terwijl ze door Amsterdam zwerft, vraagt ze zich af hoe haar leven verlopen zou zijn als ze elkaar nooit hadden ontmoet. De grootste aantrekkelijkheid van Melissens romans is dat hij zo enthousiasmerend over boeken, films en muziek schrijft, dat je die allemaal wilt lezen, zien en luisteren. Toen ik De vierde mei uit had, ging ik Wijlen Mattia Pascal van Pirandello en het verhaal ‘Een spring-in-’t-veld’ van Tsjechov lezen (schitterend!), de film Vanya on 42nd Street kijken en luisteren naar Barbara en Couperin. Dat is wat een boek van Melissen met je doet: je leest niet alleen een fijne roman maar je wordt ook op het spoor gezet van allerlei ander moois.

4. Ian Buruma
Harm Ede Botje en Mischa Cohen: Mijn meningen zijn feiten

Bij het lezen van de Baudet biografie Mijn meningen zijn feiten. De wording van Thierry Baudet, geschreven door Harm Ede Botje en Mischa Cohen, kon ik vaak niet helemaal het gevoel onderdrukken dat een heel boek over een in de schaal der dingen toch onbeduidende figuur misschien wat te veel van het goede is. Maar ik bleef toch doorlezen. Het is tenslotte een fascinerende case history; zo’n ambitieuze jongen uit Haarlem die volslagen uit de bocht vliegt en daar een groot aantal dwaallichten en wrokkige extremisten met zich mee in de modder trekt. Het is niet eenvoudig om voor zo’n dergelijk verhaal de juiste toon te vinden. Botje en Cohen slagen er wonderwel in. Zij honen niet, zij maken Baudet ook niet opzettelijk belachelijk (dat hoeft ook niet; een goede beschrijving is al meer dan genoeg), kortom, zij nemen hun onderwerp serieus. Koel, degelijk, tot in de puntjes onderzocht, en geschreven in simpel, duidelijk proza, hun boek leest als een waardige opvolger van het meesterlijke essay van Menno ter Braak uit 1937, Het nationaal-socialisme als rancuneleer. Als dit essay niet verleden jaar, maar in 2020 was herdrukt, met een prachtige introductie van Bas Heijne, had ik ook dit met plezier aangeprezen. Wat fictie betreft, heb ik eigentijdse publicaties dit jaar aan mij voorbij laten gaan. Ik zocht een vlucht uit de VS van Trump, covid, en identiteitspolitiek naar aantrekkelijkere plaatsen: Arthur Schnitzlers Wenen, het Parijs van Flaubert, het Tokio van Tanizaki. Ik hoop spoedig weer naar onze eigen tijd terug te keren.

5. Geert Mak
Anne Applebaum: De schemering van de democratie

Een historische oudejaarsavond van 1999. Een vriendengroep – journalisten, politici, wetenschappers – vierde feest in het Poolse landhuis van de Amerikaanse journaliste Anne Applebaum en haar man, Radek Sikorski. Polen stond op het punt zich aan te sluiten bij de westerse wereld, alles zou anders worden. De discussies waren intens, maar, schrijft Applebaum, we geloofden in de democratie, de rechtsstaat, de scheiding der machten en de EU. Nu, twintig jaar later, mijdt ze haar toenmalige oudejaarsgasten. En dat is wederzijds. Applebaum kent de liberaal-conservatieve elites van Polen, Hongarije, Engeland en de VS door en door, en gedreven loopt ze haar voormalige kennissenkring af. Ze botst nu met haar gasten van toen over democratische principes: sommigen werden handlangers en bereikten verrassend hoge posities. Bij autoritaire regimes staat immers niet talent voorop, maar loyaliteit. Ze botst over de waarheid: voormalige vrienden zwelgen nu in samenzweringstheorieën en dat ze liegen. En ze botst over de aard van hun conservatisme: hoe kon ‘reflectieve nostalgie’ – onderzoek naar het verleden, twijfel over vooruitgang – omslaan in ‘restauratieve nostalgie’ waarbij een ‘zuiver’ en fictief verleden met geweld wordt opgelegd? Dit is een razend actueel boek, politiek en tegelijk intens persoonlijk. Het verraad van de intellectuelen van Julien Benda, anno 2020 opnieuw geschreven.

6. Bette Westera
Roy Jacobsen: De onzichtbaren

‘Mensen […] vergeten dat als je eenmaal op een eiland woont, je er nooit meer wegkomt, omdat een eiland uit alle macht vasthoudt aan wat het heeft.’ De onzichtbaren van Roy Jacobsen beschrijft het leven van een eeuw geleden op een eiland voor de Noorse westkust. Door de ogen van de opgroeiende Ingrid krijgen we een inkijkje in het ruige leven op Barrøy. Ik las de roman kort na verschijnen in 2013 in het Noors, kocht een paar jaar later ook het tweede en derde deel van de trilogie en was blij verrast toen dit jaar – midden in coronatijd – deel 1 in het Nederlands verscheen. Mijn geplande reis naar Noorwegen ging van de zomer niet door. Teruggetrokken op mijn eigen corona-eilandje in Amersfoort herlas ik De usynlige in de fraaie vertaling van Paula Stevens en waande me opnieuw op Barrøy, waar Ingrids vader verlangt naar hechtere banden met het vasteland en een grotere aanlegsteiger bouwt, terwijl voor haar hardwerkende moeder het eiland best kleiner had mogen zijn. Intussen leert Ingrid van haar verstandelijk beperkte tante dingen die niemand op het vasteland meer kan. Inmiddels is de tweede lockdown een feit. Om me heen zie ik mensen uit alle macht vasthouden aan wat ze hadden. Ik zie mensen onzichtbaar worden. Ik zie ook mensen steigers bouwen. Zelf ben ik vaker dan ooit op mijn eigen eiland, waar ik regelmatig dingen ontdek die anders beslist ongezien aan me voorbij zouden zijn gedreven.

7. Vrouwkje Tuinman
Julian Barnes: Engeland, Engeland

Als anglofiel heb ik de laatste jaren groeiend medelijden met de mensen die wonen in dat droomland vol glooiende heuvels en vakwerkhuisjes, waar tot voor kort alles kon worden opgelost met een kop thee. Misschien had ik beter op moeten letten, want al in 1998 schreef Julian Barnes het satirische Engeland, Engeland. In die roman richt aartskapitalist Sir Jack Pitman op het Isle of Wight een soort Madurodam van Engeland op. Alles wat de Britten groot maakt(e) is daar te beleven. Ondertussen vervreemdt het echte Engeland van de rest van de wereld en zakt weg in armoede. Engeland, Engeland werd dit jaar heruitgegeven, vanwege de Brexit. In een nieuw voorwoord lijkt Barnes zelf ook geschrokken van hoe waar zijn roman is gebleken. Het boek speelt ‘ongeveer nu’. Ook in het echte nu stellen veel Britten, onder de noemer van vaderlandsliefde, zich onwetend en xenofoob op, terwijl een ander deel die vlag inzet voor geldelijk gewin en het verwerven van macht. Engeland, Engeland geeft een grotesk beeld van politici, zakenmensen en bureaufetisjisten, maar niet zo grotesk als we inmiddels dagelijks meekrijgen. Het is een vermakelijke, maar ook verontrustende spiegel: hoe anders zijn wij eigenlijk dan die gekke Britten, met hun zucht naar soevereiniteit? Het is dat we geen eiland zijn, maar beter dan veel van onze Europese broers en zussen lijkt een flinke groep zich al te voelen. Madurodam hebben we al.

8. Pieter van Os
Joseph Roth: Tarabas

In de biografie King Zog. Selfmade Monarch of Albania van Jason Tomes las ik hoe de vijf ongehuwde zussen van koning Zog I hun verveling verdreven. De ‘Zoglets’, zoals de Britse roddelpers hen noemde, reden met broerliefs open sportauto, de enige in het land, over het kleine stukje geasfalteerde weg dat het land toen rijk was. Op en neer. Het is slechts één van de honderden anekdotes uit het boek dat ik dit jaar in een steeds langzamer tempo las, om niet te snel op de laatste bladzijde te komen. Maar raad ik het iedereen aan? Ik bedoel: hoe goed zou ik het vinden als ik niet in Albanië zou wonen en niet een bovenmatige interesse in ’s lands geschiedenis zou hebben?

Bovendien: het boek is al uit 2003. Gelukkig las ik ook een echte aanrader, uit 1934: het in een nieuwe vertaling verschenen Tarabas, van Joseph Roth. Kenners zeggen dat je merkt dat hij deze roman in haast heeft geschreven, de pen door geldnood voortgestuwd. Mij deerde het allerminst. Het vergroot slechts mijn bewondering voor de rake beschrijvingen, zelfverzekerde terzijdes en fascinerende handeling. Onvergetelijk is de fysiek onaanzienlijke generaal Lakoebejt met ‘de kleine hellevuurtjes’ in zijn ogen. Of de door angst en intelligentie ingegeven kruiperigheid van de Joodse kastelein Kristianpoller, die moet meemaken hoe een Mariaverschijning in kalk tot een heuse pogrom leidt – door Roth beangstigend invoelbaar en meeslepend beschreven.

9. Anjet Daanje
Carlo Rovelli: Het mysterie van de tijd

Nu 2020 ten einde loopt, en ik terugkijk op het jaar, overheerst het gevoel dat dit het vreemdste jaar was dat ik ooit zal meemaken, een gevoel dat velen waarschijnlijk met mij delen. Alleen al aan het feit dat ik het afgelopen jaar probeer te overzien, liggen een bepaalde ordening van de werkelijkheid, en de aanname dat de tijd gelijkmatig verstrijkt, ten grondslag. Ons denken is doordrenkt van het begrip ‘tijd’, hoezeer besef je pas als dat begrip aan het wankelen wordt gebracht. Ik las het boek Het mysterie van de tijd van Carlo Rovelli. Hij is een theoretisch natuurkundige en filosoof die op een poëtische, bewonderenswaardig simpele manier uitlegt dat de tijd zoals wij die ervaren een illusie is die ieder mens met de paplepel krijgt ingegoten. Voor iemand in een rijdende auto verstrijkt de tijd meetbaar langzamer dan voor iemand die stilstaat, en voor iemand die beneden zeeniveau woont, zoals wij, verstrijkt de tijd langzamer dan voor iemand die boven op een berg woont. Er bestaat geen objectieve, universele tijd, en verbijsterender nog, op het niveau van het allerkleinste, de kwantumdeeltjes, bestaat er zelfs helemaal geen tijd, geen onderscheid tussen wat al is geweest en nog gaat komen. Natuurkundigen worstelen om die tijdloze kwantumwereld met onze door tijd gestructureerde werkelijkheid te verenigen. Er is veel wat we niet weten over de wereld waarin we leven, een wereld die, zo bleek in 2020, zelfs kan worden ontwricht door een nietig virus. Bescheidenheid past ons.

10. Philipp Blom
Robert McFarlane: Underland

Er was veel tijd om te lezen (en te schrijven) in dit vreemde en anderwereldlijke jaar dat we moesten doorstaan: reisboeken om te kunnen ontsnappen aan de eeuwige vier muren om je heen, milieu-literatuur om na te kunnen denken over het verleden van de mensheid en in het bijzonder over onze toekomst, filosofie, essays over de menselijke toestand, die zo veel heviger lijkt te worden beleefd nu oude gewoontes en behoeftes ons zijn ontnomen door golven aan beperkende maatregelen.

Dit alles, en nog heel veel meer, kwam ik tegen in Robert MacFarlane’s meesterlijke Underland. A deep time journey (Nederlandse vertaling Benedenwereld). Het boek is een ontdekking van de wereld onder onze voeten oftewel de absolute dieptes die daar gevonden kunnen worden in onderaardse kathedralen en machtige rivieren, in catacomben, tunnels en bio-archieven.

Robert MacFarlane doceert literatuur aan de universiteit van Cambridge. Maar zijn interesses bestrijken het gebied van mythes uit de Oudheid tot aan de moderne exacte wetenschappen, via Rainer Maria Rilke en Lucianus van Samosata. Het meest is hij echter geïnteresseerd in de mysterieuze werking van de natuur. Bijvoorbeeld wanneer hij nieuwe diepten onderzoekt en kritiek levert op de letterlijk oppervlakkige ‘platte kijk’ van de mensheid op de wereld, waarbij haar diepe en complexe lagen worden ontkend.

Underland is een geweldig boek om in te spitten, maar ook om je te blijven verwonderen over wat er in de wereld onder onze voeten aan de hand is. En dan is het ook nog geschreven in een immens dichte en levendige poëtische taal.

11. Miriam Rasch
Kris Pint: Meteorologie van het innerlijk

Op het eerste gezicht lijkt Meteorologie van het innerlijk van de Vlaamse cultuurfilosoof Kris Pint een hoogst oneigentijdse beschouwing. Pint neemt het weer – dat onderwerp dat altijd voorhanden is als je niet weet waar je het over moet hebben – als leidraad voor essayistische mijmeringen die particulier en wat geprivilegieerd kunnen voorkomen. Maar Pint is een meester in het verbinden van het persoonlijke met het politieke. Juist in een tijd van crisis en in een wereld in de ban van ‘de voortdurende shock van het nieuwe’ is reflectie en vertraging in potentie subversief.

Het gaat Pint bovendien niet om consequentieloos gedagdroom, maar om de weloverwogen articulatie van de eigen ervaring. Broodnodig in een klimaat waarin de mens gelijkstaat aan zijn dataprofiel, maar ook bijna ondoenlijk te midden van alle apps, pushberichten en notificaties, dit jaar aangevuld met dagelijkse corona-statistieken. Hoe ruk je je daaruit los? Hoe te begrijpen wat voorbijgaat, en steeds sneller?

Het weer kan helpen. Dat is van iedereen, gratis en voor niets in overvloed verkrijgbaar. Een spiegel van de ervaring. Hoe je vaart bij wind, middagzon of lage druk, zegt iets over wie je bent. Kennis die begint met kijken naar de wolken om de tijd te zien bewegen. En met lezen van wat anderen over dat verband tussen ik en wereld hebben beweerd. ‘Juist doordat ze niet meer passen in het heden, maken ze het mogelijk een andere verbeelding van dat heden te verkennen,’ schrijft Pint over zijn gidsen door de geschiedenis. Zo wordt het oneigentijdse helemaal van ons.

12. Bibi Dumon Tak
Olga Tokarczuk: Jaag je ploeg over de botten van de doden

Welke Poolse auteur ik beslist moest lezen wilde ik weten, toen ik in 2019 in Warschau voor het Big Book Festival bezocht. ‘Olga Tokarczuk’, antwoordde mijn vertaalster. ‘Vergeet de rest.’ Een aantal maanden daarna won Tokarczuk de Nobelprijs voor Literatuur. Ik kocht haar boeken. In Jaag je ploeg over de botten van de doden is de hoofdpersoon Janina Duszejko, een vrouw van in de zestig die in een afgelegen Pools dorp woont nabij de Tsjechische grens. In de winter, wanneer de toeristen zijn verdwenen, blijven alleen zij en een handvol dorpsgenoten achter. Het leven is er guur en hard. Nadat haar buurman is overleden, doet Janina een ontdekking die haar woede wekt. Een woede die haar zo overweldigt dat ze het gelijk aan haar kant weet. Want, zegt ze: ‘Woede zorgt ervoor dat je verstand helder en scherp wordt. Het lijdt geen twijfel dat alle wijsheid uit Woede ontstaat.’ Woede wordt daarbij telkens met een hoofdletter geschreven. Janina is een dierenvriend en na haar ontdekking besluit ze tegen iedereen die dieren krenkt ten strijde te trekken. Te beginnen bij de jagers. Ze krijgt daarbij onverwacht hulp van de dieren zelf. Ik las dit boek nadat bekend was geworden hoe onze omgang met dieren de wereld heeft laten kantelen. Beelden van Chinese dierenmarkten, van nertsenfarmen, van opgestapelde kippen, allen in kooien besmeurd met elkaars drek. Mijn Woede is sindsdien niet meer te temmen, en ik weet, net als Janina Duszejko, dat ik het gelijk aan mijn kant heb. Maar de vraag is: durf ik wat zij durft?

13. Esther Gerritsen
R. Muirhead e.a.: A lot of people are saying

Ik wilde begrijpen waarom mensen in bizarre complotten geloven. Waarom kiezers beweren dat de Amerikaanse president een verkiezing won die hij verloor. Waarom mensen zeggen dat de pandemie is verzonnen. Want al kwam het boek al uit voor Covid-19, en voor het verlies van Donald Trump, de beschreven mechanismen van de moderne complotdenkers zijn actueel. Ik hoopte wijzer te worden, en dat werd ik ook. Niet door de vele voorbeelden in A Lot of People Are Saying waarop mensen de realiteit ontkennen, maar door één korte zin: ‘Het is een aanval op de werkelijkheid.’ Dit was voor mij de zin van 2020. Waarom zou je de werkelijkheid aanvallen? Omdat die je niet bevalt natuurlijk. Waarom zou je een pandemie ontkennen? Waarom niet? Het gaat niet om de waarheid, het gaat erom dat het zo fijn zou zijn… als het waar was. En hoe meer mensen zich vastklampen aan dezelfde waanideeën, hoe werkelijker ze lijken te worden, legitiemer. Verbeelding is machtig en soms destructief. Maar we kunnen de mensen hun verbeelding niet ontnemen. Al zou je alle complotliteratuur van internet verwijderen, dan heb je nog steeds niet het verlangen verwijderd de werkelijkheid te ontkennen. En dat verlangen groeit. Het is op zichzelf eenvoudig, pas als mensen gelukkig zijn met de werkelijkheid zoals die is, hoeven ze die niet meer aan te vallen. Dus: ontmoet je een complotdenker, spreek hem dan niet tegen, maar maak hem gelukkig.

14. Oek de Jong
Marguerite Duras: De minnaar

De romans die ik dit jaar las: of korte romans of grote romans. Al jaren zijn dit mijn voorkeuren. Uiterste beknoptheid of de grote ruimte. Ik kreeg Marguerite Duras weer in mijn blikveld en herlas De minnaar (1984) en De pijn (1985). Meisje van vijftien in een verslindende verhouding met een Chinese jongeman in koloniaal Vietnam. Jonge vrouw wacht vlak na de oorlog op de terugkeer van haar man uit een concentratiekamp. Twee schokkende, autobiografische romans, meesterlijk in hun beknoptheid. De gekweldheid van Duras komt tot uitdrukking in haar haast verbeten, kortaffe vertellen. De grote roman is een genre op zich. Je zou wensen dat meer Nederlandse schrijvers, en vooral jonge schrijvers, de ambitie zouden hebben een grote roman te produceren. Ik herlas Wolf Solent (1929) van John Cowper Powys: liefdesgeschiedenis op het oude Engelse platteland en veel gedachten over wat door de moderniteit tot verdwijnen was gedoemd. Powys’ vermogen om cruciale maar bijna ongrijpbare gewaarwordingen toch onder woorden te brengen is gelijkwaardig aan dat van Proust. Hij gaat zelfs dieper en verder dan Proust. Ik krijg steeds meer plezier in de grote volksschrijvers van de negentiende eeuw, die ik vroeger een beetje snobistisch links liet liggen. Ik las Victor Hugo, De klokkenluider van de Notre Dame (1831), een heerlijke romantische maar ook veel omvattende vertelling, geschreven met die enorme energie en voorwaartse kracht die ook Balzac en Dickens bezaten. Tenslotte een hedendaagse grote roman: Onderwereld (1997) van Don Delillo, vaak beschouwd als zijn meesterwerk. Delillo vernieuwt de romanvorm, maar zonder de lezer te verliezen. De lockdown als leesbevordering. Zou het waar zijn?

15. Gerda Blees
José Saramago: Het verzuim van de dood

Mijn lievelingsboek van het jaar 2020 is Het verzuim van de dood, de roman van José Saramago uit 2005, die ons in crisistijd een vriendelijke lachspiegel voorhoudt. Het boek verhaalt van een fictief land in een crisis die het tegendeel lijkt van ‘onze’ crisis: in plaats van dat er veel méér mensen ziek worden en sterven, gaat er helemaal niemand meer dood. Maar het doorslaan van de balans van leven en dood in de richting van het leven is niet minder ontwrichtend: ziekenhuizen en bejaardentehuizen dreigen over te lopen en het lijden van de bijna-doden is groot, zodat de aanvankelijke blijdschap om de komst van het eeuwige leven al snel plaats maakt voor collectieve ontreddering. Met veel humor beschrijft Saramago de reacties van de regering, de premier, de media, de ‘interdisciplinaire commissie’ van filosofen en religieuzen die de situatie probeert te duiden, en de door de crisis geraakte beroepsgroepen: het zorgpersoneel, de levensverzekeraars en natuurlijk de begrafenisondernemers, die hun enige inkomstenbron in één klap zien verdampen. In een brief aan de regering stellen ze voor om voortaan officiële uitvaarten verplicht te maken voor dieren, die nog wel sterven, en flink te investeren in de omscholing van het uitvaartpersoneel die daarvoor nodig zal zijn. Het uitgangspunt van de roman is absurd; de manier waarop men de crisis het hoofd probeert te bieden is voor iedereen die 2020 meemaakte herkenbaar. Zie de mens, lijkt Saramago te zeggen, voel mee met haar collectief geworstel, maar lach er ook een beetje om.

16. Gerbrand Bakker
J.J. Voskuil: Het A.P. Beerta-Instituut (Het Bureau 4)

Als ik dit schrijf, heb ik net gelezen dat Maarten Koning tijdens het eten van zijn brood niet gegijzeld is door een Molukker met enorm veel bagage in de stoptrein van Ede naar Amsterdam. Het jaar is 1976. In drie zinnen zet hij de buitenwereld neer. Het A.P. Beerta-Instituut is deel 4 van Het Bureau, ik ben al aardig op streek. Ik lees de romancyclus voor de vierde keer, misschien ook wel om me ervan te vergewissen dat het jaar 2020 eigenlijk helemaal niet zo teleurstellend of akelig is. Ik verplaats me opnieuw in de tijd. In deel 5 wordt gevochten tegen kernwapens. Eigenlijk hoef je je hele leven lang niets anders te lezen, want elke keer is het weer fris en nieuw. Ik weet nog dat ik Nicolien haatte bij eerste lezing. Inmiddels houd ik van haar en haat ik Bart Asjes. Nu ontdekte ik dat in deel 1 Dieuwertje Blok geboren wordt en dat in dit deel héél kort de buurmannen opduiken uit het latere De buurman. Beerta zegt alleen nog maar dingen als: ‘Zjazzizniezjoez,’ als hij ‘Dat is niet goed’ bedoelt en reken maar niet dat Voskuil dat voor je spelt. Dat mag je zelf doen als lezer. Wat een geweldig idee eigenlijk: je hele leven lang alleen Het Bureau lezen. Met tussendoor Terloops, Buiten schot en Gaandeweg, om de gaten op te vullen die ontstaan als Maarten Koning kort meldt dat hij met vakantie gaat. Een schrijversbiografie is helemaal niet nodig. Tien boeken om je leven mee te vullen. Vol troost, humor, weemoedigheid, heimwee en stilistisch meesterschap.

17. Manon Uphoff
Nana Kwame Adjei-Brenya: Friday Black

Welke boeken die ik dit jaar las bleven bij, lieten niet los, hielpen me de eerste lockdown door? Een paar trokken duidelijke sporen. Toen op 25 mei met geweld een einde aan het leven van Georg Floyd werd gemaakt, waren het de verhalen uit Friday Black van Nana Kwame Adjei-Brenyah, die resoneerden. Dan is er Recollections of my non-existence van Rebecca Solnit. Essays waarin ze melancholie aan scherpte paart terwijl ze reflecteert op haar leven.

Ook twee gedichtenbundels raakten me: Big Data van Anne Vegter en Rennen naar het einde van de honger van Esther Jansma. Bij Vegter treffen we in drie delen het relaas van kapotte liefdes. Ingrid Jonker, Vegter zelf en Medea komen aan het woord.

In Rennen naar het einde van de honger gaat het om de verbondenheid met de wereld. Aarde, grond, water, lucht, bomen, alles is stof en grondstof tot betekenisvol leven.

Tot slot dan een roman. Jaag je ploeg over de botten van de doden van Olga Tokarczuk. Kalm en zelfverzekerd brengt ze het perspectief van een oudere vrouw met weinig maatschappelijke invloed. Ze lijkt iemand die geen grote betekenis kan hebben, maar zonder haar was het hele verhaal er niet geweest. Er zijn moorden gepleegd in haar dorp. Hebben de dieren zich gewroken op de jagers? Of keert de natuur zich eindelijk tegen de mens? Tocarczuk laat op wonderbaarlijke wijze zien dat de mens onderdeel is van die natuur. Dat de mens er bij en tussen hoort en dat dit altijd al zo geweest is.

18. Kim Ghattas
Witold Rybczynski: Home, A Short History of an Idea

Dit was het jaar van een overvloed aan tijd en tijdgebrek, van lezen zonder in staat te zijn tot focussen, van proberen te lezen terwijl je betekenis zocht. Ik lees meer dan gewoonlijk en minder dan gewoonlijk. Ik heb meer boeken ter hand genomen dan ik heb uitgelezen. En ik lees meer romans dan in voorgaande jaren om aan de werkelijkheid te ontsnappen. Ik sloeg een van mijn absoluut favoriete boeken open om de betekenis te herontdekken van de vier muren waar we zo’n groot deel van 2020 tussen hebben geschuild: Home, a short history of an idea van Witold Rybczynski. Een juweel van een boek dat begint met het uitleggen van de rol van Nederland in de opkomst van het familiehuis door ouders en kinderen onder een dak samen te brengen.

Ook ben ik net begonnen in The body keeps the score. Brain, mind and body in the healing of trauma van Bessel van der Kolk. Als iemand die de oorlog in Libanon heeft meegemaakt, ben ik altijd geïntrigeerd door de manier waarop een trauma mensen – en letterlijk het lichaam en het brein – vormt. Maar bij het zien van het enorme trauma dat de pandemie wereldwijd heeft veroorzaakt, van migrantenarbeiders tot artsen, van restauranteigenaars tot bezorgers, van India tot Amerika en schijnbaar bij elk land daartussenin, wil ik meer weten over de manier waarop we dit jaar te boven kunnen komen en we kunnen helen. Mijn guilty pleasure dit jaar was het herlezen van de detectives van Agatha Christie en Charles Exbrayat. Niet alleen zijn deze geestige thrillers een goede manier om te ontsnappen aan het dagelijks leven, maar temidden van zo’n grote onzekerheid is er iets diep bevredigenders dan het lezen van boeken die eindigen met een zekerheid dat het probleem is opgelost en de schuldige gevonden.

19. Christiaan Weijts
Philipp Blom: Het grote wereldtoneel

Het boek dat dit crisisjaar het beste in perspectief plaatst, doet dat bijna per ongeluk. Het begon als een klein gelegenheidswerk: de Salzburger Festspiele had historicus Philipp Blom gevraagd om een essay voor haar honderdjarig bestaan. In Het grote wereldtoneel verplaatst Blom zich in een aantal kantelmomenten in de westerse geschiedenis, turbulente episodes die hij beziet vanuit de kunsten en vanuit de metafoor van het podium, all the world’s a stage. Dat is even verhelderend als fascinerend. Neem de kleine ijstijd, die in Europa rond de vijftiende eeuw begon toe te slaan. Die zorgde ook voor een verandering in denken: voorheen waren geslaagde of mislukte oogsten een beloning of straf van God, maar de klimatologische veranderingen brachten dit geloof aan het wankelen, en maakte ruimte voor een wetenschappelijker, empirischer idioom, een nieuw verhaal, nieuwe verbeelding. Zulke crisismomenten noemt Blom de ‘omegafase’, een vacuüm waarin de heersende taal niet goed meer aansluit op de reële beleving, en er evenmin een adequaat paradigma meer is om de toekomst te verbeelden. Het gevolg: wilde pogingen, verwarring, paniek, propaganda, complottheorieën. Zo was de aardbeving van Lissabon in 1755 ook een ‘geestbeving’ die de weg opende naar het Verlichtingsdenken, aldus het slothoofdstuk over de coronacrisis die, samen met de klimaatcrisis, een vergelijkbaar effect kan hebben. Het is nog te vroeg om een nieuw verhaal op te stellen over onze menselijke relatie tot de aarde, maar we leven wel ‘aan het eind van een lang hoofdstuk uit de geschiedenis van de mens.’

20. Pieter Waterdrinker
Merijn de Boer: De saamhorigheidsgroep

Literatuur die voor mij 2020 het best samenvatte? Dat waren helaas tijdloze boeken die niets met de actualiteit te maken hebben. Ik heb een zwak voor het literaire werk van L.H. Wiener. Als persoon is hij schier onmogelijk. Na Louis Ferron, Jeroen Vullings, A.L. Snijders en anderen heeft hij ook mij als een glas tegen de muur kapot gegooid. Zomaar. Of de glazen Geerten Meijsing en Jeroen Brouwers nog heel zijn weet ik niet. Het moet als leraar, die Wiener was, moeilijk zijn leerlingen te hebben die soms slimmer, talentvoller zijn dan jij. Jessica Durlacher, Thierry Baudet, Willem Melchior – ze leerden allen van Wiener op het Stedelijk Gymnasium in Haarlem het How do you do?

Ik moest hieraan denken toen ik de roman De saamhorigheidsgroep las van Merijn de Boer, ook een oud-pupil van Wiener. Het bestaan van de wereldverbeteraars in de jaren ’80 wordt in de roman zowel op de hak genomen als liefdevol beschreven. Eén historisch foutje: als de personages bijeenkomen in café de Gnoom te Zandvoort om 06-sekslijnen te bespreken worden er bitterballen besteld. Ik woonde destijds bijna in die kroeg. Bitterballen werden er nimmer geserveerd.

Worden alle lichtheid, subtiele humor en menslievendheid in De saamhorigheidsgroep u te veel, sla dan Zeeangst open van de misantroop Wiener, waarin hij verhaalt over een zeiltocht vanuit Nederland naar de zuidkust van Engeland, samen met zijn vriendin Ant en poes Loes. Een mooi en aangrijpend boek in een mooi en aangrijpend oeuvre. Well done, Merijn. Braaf, aai, poot, boze Wiener.