Opinie

Het oneindige universum op een kerstkaart

Maxim Februari

Dit is de tijd van het jaar om chocola van de dingen te maken. De keuken in. Op zoek naar een recept. Er is zoveel nieuws waaruit je moeilijk wijs kunt worden en we zijn omgeven door zo vele vreemde gebeurtenissen dat het geruststellend werkt als je de hele zooi in een kom mietert en de mixer er doorheen haalt. Er iets van brouwt.

Zo stond ik in deze donkere dagen met een groot koksschort voor in de keuken en probeerde ik met een slagroomklopper een gladde substantie te maken van alle ingrediënten die ik had verzameld. Op het fornuis brandde af en toe wat aan, uit de oven kwam zo nu en dan rook, maar dan mompelde ik opgewekt de woorden van de Zweedse kok uit de Muppet Show. Gersh gurndy morn-dee burn-dee, burn-dee, flip-flip-flip-flip-flip-flip-flip-flip-flip. Alles onder controle.

Hoog boven het huis, hoog boven de zwarte rivier, heerste duisternis. Het ondoordringbare heelal waarop je geen vat krijgt met het menselijk brein en waarvan we volgens de deskundigen slechts vier procent kennen, de rest is niet te zien en niet te begrijpen. Ik probeerde er nu eventjes niet aan te denken. De lampjes boven de pannen op het fornuis waren net voldoende om te zien wat recht voor me lag.

Juist smeet ik nog maar eens vrolijk een paar handen met bloem in de kom toen er werd aangebeld. Het was de postbode met een kerstkaart. Haastig, mijn hoofd vol recepten, mijn vingers vol cacao, boter en suiker, scheurde ik de envelop open en de eerste zin die ik las was een dichtregel, of liever gezegd, het waren twee regels uit een gedicht. „Some stars are large and some are small, And some are quite invisiball.”

Het was duidelijk, ik was niet de enige lezer die rondliep met diep ontzag voor het onkenbare dat ons dagelijkse gewoel omgeeft. Eerder in de week had er al een prachtig gedicht over de eeuwigheid bij de post gezeten van de dichter Søren Ulrik Thomsen. „Daar kwam het dan, het suizen van de winter…”

De verwarming rommelde, de oven piepte, het donkere glazuur voor de chocoladetaart borrelde over en met de kerstkaart in mijn kleverige vingers rende ik terug naar de keuken om het vuur onder de pan lager te zetten. Bij een stukje kerstkrans aan de keukentafel peinsde ik over de eeuwigheid en al die verre sterren die niemand kan zien.

‘Daar kwam het dan”, zegt de dichter Thomsen in de vertaling van David Grabijn. „Daar kwam het dan, het suizen van de winter/ en ik lig in het donker blij te luisteren/ naar het huilen van de sneeuwstorm door Bartholinstraat/ en probeer de tijd tegen te houden/ en tegelijk het ogenblik te laten zweven…”

De post had me dit jaar veel van zulke gedichten bezorgd, perspectieven die tijdlozer zijn dan het onze. En daarnaast nog allerhande fascinerende brieven over andere intelligenties dan de onze. Over de andere dieren, bijvoorbeeld, die de wereld anders beleven, die hun eigen interpretatiekader hebben en dus hun eigen onbegrijpelijkheden en onbegrip. Over kunstmatige intelligenties, die we zelf maken en die we niet langer begrijpen, ook al denken we van wel.

En nu had iemand me een kerstkaart gestuurd over al deze dingen tegelijk. De kaart kwam met een citaat uit Freddy and the Men from Mars van Walter R. Brooks, een boek uit 1954 over een pratend varken, marsmannetjes, nepmarsmannetjes en een ruimteschip. Vreemde wezens, dieren en dingen, ongekende perspectieven op tijd en ruimte.

Dat het varken Freddy met mensen kon praten, bleek nog wel het minst wonderlijke element te zijn uit dit boek. Er was ook een verre planeet en een circus en dan was er nog Mrs. Peppercorn, die tevergeefs probeerde zes marsmannetjes te imponeren met een slecht gedicht over het universum. „Some stars are large and some are small, And some are quite invisiball.”

Zo had iedereen me het hele jaar door berichten gestuurd, zakken post, stapels post, karrevrachten post. Bekentenissen, gedichten, verwijten, theorieën, onbegrepenheden en onbegrijpelijkheden. Ik dacht niet dat het vandaag nog ging lukken er iets fatsoenlijks van te bakken, maar dat gaf ook eigenlijk niet. De keuken rook naar cacao, boter zat tegen de muren, overal sabayon, bosbessen, meel en ondanks de chaos was de keuken een gul Zweeds kerstbuffet, een Julbord van boodschappen en brieven.

Weer werd er aangebeld. Een jongeman bracht me de laatste zak post van de dag. Zijn silhouet stak tenger af tegen het invallende duister en achter zijn rug speelde het carillon aan het eind van de straat Stille Nacht. „Quiet night”, aarzelde de jongeman. „’k Wait ’t ook nait”, antwoordde ik. En daarna stonden we een paar seconden lang vol onuitgesproken innigheid naast elkaar en we staarden omhoog de eeuwigheid in.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.