Opinie

Billie Holiday en de pooiers

Frits Abrahams

Opvallend veel beroemde zangeressen lieten hun leven verpesten door foute mannen. Bekende voorbeelden zijn Doris Day, Maria Callas, Ella Fitzgerald, Amy Winehouse en, vooral, Billie Holiday. Dat blijkt ook uit Billie, een nieuwe biografische film over Holiday door James Erskine, die ik onlangs op internet zag.

Het is een goede documentaire, ook al werpt hij geen uitgesproken nieuw licht op Holiday, een jazz-zangeres die al in 1959 op 44-jarige leeftijd overleed, maar dankzij de kwaliteit van haar muziek nog steeds niet vergeten is. Een interessant aspect van deze film is de invalshoek: geluidsopnamen van interviews met bekenden van Holiday, afkomstig van de New Yorkse journalist Linda Lipnack Kuehl, die een boek over Holiday wilde schrijven. Kuehl stierf, officieel door zelfmoord, in 1978 nog voordat ze het boek had voltooid. Fragmenten van de opgenomen gesprekken vormen de rode draad door de film van Erskine.

Billie is in zekere zin een ontluisterende film, omdat hij nog sterker dan voorgaande films en boeken de duistere kanten van dit leven laat zien. Het was bekend dat Holiday problemen had met drank, drugs en mannen, maar Erskine is onbarmhartiger in het tonen ervan. Hij laat door mensen uit haar omgeving ook zwaardere termen vallen. Sommigen noemen haar een masochist en zelfs een psychopaat, zonder dat voldoende te onderbouwen.

Holiday was vooral een labiele vrouw, getekend door seksueel misbruik in haar jeugd en later door het racisme dat ze op haar tournees door Amerika ondervond. Ze was al als teenager een poosje prostituee en liet zich ook de rest van haar leven vaak overheersen door pooierachtige schoften, die haar (vele) geld inpikten en haar mishandelden als ze in opstand kwam. Ze leerde er nooit van en liet de ene pooier door de andere opvolgen.

In haar autobiografie Lady sings the Blues uit 1956 heeft ze het vooral gemunt op haar manager John Levy, met wie ze een relatie had. Ze had na dat boek nog drie jaar te leven, waarin ze een huwelijk aanging met ene Louis McKay, die in haar autobiografie nog juichend als nieuwe manager wordt binnengehaald. Ook hij mishandelde haar en profiteerde van haar.

Er bestaat een geluidsopname van een telefoongesprek (niet in deze film!), waarin hij tegen een kennis aankondigt dat hij Billie zal aftuigen: „Als ik een hoer heb, dan wil ik geld van haar, en anders wil ik niets met zo’n wijf te maken hebben.” Hij kon tevreden zijn: na haar dood kreeg hij de rechten op haar werk.

Vorig jaar kocht ik in de ramsj een prachtig fotoboek: Billie Holiday at Sugar Hill. Twee jaar voor haar dood mocht de fotograaf Jerry Dantzic Holiday volgen in de weken dat ze optrad in de club Sugar Hill in Newark, New Jersey. Ze lijkt een vrouw van uitersten. Uitgelaten poseert ze met Louis McKay (!), met haar hondje (ze was dol op honden) en met het kindje van vrienden, maar op het podium en in de kleedkamer is ze de bittere melancholie in eigen persoon, haar gezicht gekerfd door de verwoestingen van een leven dat bijna achter de rug is.

Haar song ‘Don’t explain’ is typerend voor haar leven, vertelt ze in de film van Erskine. In die song zegt ze tegen haar overspelige, teruggekeerde man: „Hush now, don’t explain/ there ain’t nothing to gain/ I’m glad that you’re back/ don’t explain.”