Gun jezelf het geloof in wonderen

Essay Het wonder van de walvismetro laat zien dat je leven veel minder dichtgetimmerd is dan je denkt, begrijpt Arjen van Veelen.

Het metrostel dat bij station De Akkers door een stootblok schoot.
Het metrostel dat bij station De Akkers door een stootblok schoot. Foto ANP/Robin Utrecht

„Geloof je in wonderen?”, vroeg een man me laatst op straat. „Nee, natuurlijk niet”, wilde ik antwoorden. „Want iets is pas een wonder als het onmogelijk kan gebeuren – en zoiets gebeurt dus ook niet.” Maar ik had haast, moest cadeaus kopen, en liep door.

Een paar straten verder schoot me echter die wonderbaarlijke gebeurtenis in Spijkenisse te binnen. Een week eerder was daar bij eindhalte De Akkers een metro door een betonnen stootblok geknald. Het beton was als een legoblokje weggestuiterd. De metro vloog de afgrond in, de bestuurder ging een wisse dood tegemoet – ware het niet dat-ie werd opgevangen door een kunstwerk in de vorm van twee walvisstaarten.

Was dat geen wonder?

In elk geval was het een goed verhaal. De foto’s van de bizarre crash reisden die ochtend al de wereld over, van Vlaanderen tot China. De bestuurder zat nog als verdachte in een politiecel, totaal in shock, niet beseffend dat hij door walvissen was gered, toen het op internet al grappen en grollen regende.

Hij dacht zeker dat-ie kon vliegen, haha.

Eindelijk kunst die het geld waard is, haha.

I want to break free, haha.

Enzovoorts. De spontane compositie ‘walvismetro’ werd van alle kanten geduid. Maar het leek vooral de perfecte visuele metafoor voor het jaar van het virus. Met de walvismetro kreeg het rampjaar zijn logo. Groetjes uit 2020.

Maar het leek me nog geen wonder. Gaandeweg de dag begon ik de metro zelfs irritant te vinden. De grollen bleven komen. Handige Harry’s kwamen met de eerste merchandise (mondkapjes met walvismetro-opdruk, een snijplank met daarop de walvismetro). In Spijkenisse zelf ontstond een volksoploop zoals te zien op gravures van zeventiende-eeuwse potvisstrandingen.

Gravure van een aangespoelde walvis/potvis op het strand tussen Scheveningen en Katwijk in een sprokkelmaand in de eerste helft van de zeventiende eeuw, Nederland.
Gravure van een aangespoelde walvis /potvis op het strand tussen Scheveningen en Katwijk in een sprokkelmaand in de eerste helft van de 17de eeuw.
Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad

Stom toeval

Hoewel ik maar een metrorit verderop woon, ging ik niet kijken. Milan Kundera heeft het in een van zijn romans over het verschil tussen ‘sprekend’ en ‘stom’ (als in: zwijgend) toeval. Die hele walvismetro leek me een typisch geval van stom toeval. Te gekunsteld voor een roman (of het moest er eentje van Harry Mulisch zijn).

Nee, dit was een je ne sais quoi waar ik niks mee kon, een betekenisloze rebus. Metro + walvis? Hooguit een teken dat kunst belangrijk is, dacht ik nog even. Maar gaf je een zacht trapje tegen die gedachte, stortte die al in. Want kunst doet er juist toe omdat die niet nuttig is. Kunst is geen vangrail. Bovendien was dit niet eens kunst. Twee infantiele walvisstaarten van polyester. Type rotondeversiering. Kitsch.

Indrukwekkend stevig gebouwd – dat wel. Maar dan was die walvismetro vooral een monument voor toegepaste natuurkunde en oerdegelijk, nuchter Hollands ambachtswerk.

En dan had je nog de wet van de grote getallen. Als er dagelijks honderden metro’s stoppen bij halte De Akkers in Spijkenisse, en dat jaar in jaar uit, dan zal vroeg of laat… toch?

Ik was veel te nuchter, denk ik nu. En ik kéék gewoon niet goed. Ik was zo koud en hard als de hijskraan die de volgende dag al de walvis en de metro uit hun innige verstrengeling trok. Het wonder werd alweer ontmanteld, de zedenpolitie van de ratio deed zijn plicht. En al gauw droogden de grappen op. Tot zo ver, deze geinige, vluchtige onderbreking van de coronasleur. (Want laten we wel wezen: voor de meeste mensen was 2020 geen rampjaar, maar vooral een saai jaar. Een jaar als een maandag – misschien had de naam ons al moeten waarschuwen: twintigtwintig, een jaar van herhaling).

Het wonder beklijfde kortom niet. Vroeger kon er geen walvis stranden of het volk zag al een goddelijk teken van nakende rampspoed. Dit keer ging er alleen even een onlinepetitie rond: ‘de walviswagon moet blijven’, als ‘monument voor de destructieve gevolgen van industrialisatie op onze natuur’. Een goed punt, maar de oproep stierf met slechts 386 handtekeningen.

Zelfs in 2012 bleven we nog weken stilstaan bij de tranen van bultrug Johannes (terwijl bultrugstrandingen doodgewoon zijn). En de klassieke foto van de stoomtrein die in 1895 door een stootblok knalde in Gare du Montparnasse te Parijs maakt nog steeds de tongen los. Maar nu was er een metro ontspoord, die ook nog eens op een walvis was gestrand, in een jaar van de pest – en men ging over tot de orde van de dag.

We verliezen de magie, het fabelachtige, de tover

Zouden wij een wonder nog wel herkennen, zelfs als het zich recht voor onze neus openbaarde? Waren we niet té dichtgetimmerd geworden, te rationeel, vroeg ik me opeens af. En ik googelde ‘onttovering van de wereld’.

Entzauberung in het Duits. Ook te vertalen als: ontgoocheling. Die term is honderd jaar geleden bedacht door socioloog Max Weber. Hij bedoelde zoiets als dit: als je overal een rationele, wetenschappelijke verklaring voor zoekt, levert dat uiteraard veel voordelen op – hogere levensverwachting, maanraketten, metro’s, de pil –, maar je verliest ook wat. Namelijk de magie, het fabelachtige, legenden – kortom de tover, de hele sféér op aarde.

Ja, we leden aan onttovering. Daardoor was die Spijkenisser walvisverschijning parels voor de zwijnen. Okay, de RET had een onderzoek ingesteld naar het ‘incident’ op de ‘eindpuntvoorziening’. Maar het kon maanden duren voor daar iets uit kwam. De bestuurder zelf wilde het hele gebeuren het liefst „achter zich laten”, zei de advocaat (haar cliënt trof geen blaam, benadrukte ze, de man kwam ook schoon uit de drugs- en speekseltest). De krassen op de polyesterlak werden al diezelfde week weggelakt. Alsof de paranormale sporen meteen moesten gewist.

Tovervis

Ik besloot toen mijn eigen onderzoek maar in te stellen. En al meteen stuitte ik op een wonder.

Het ging om de architect Maarten Struijs. Een sympathieke pensionado die erkende dat de levensreddende staart er, als het aan hem lag, niet gekomen was. Ja, hij had bijna twintig jaar geleden, toen hij coördinerend architect was, een staartje laten zetten op een maquette. Een soort woordgrap, dit heette tenslotte het staartspoor, een rangeerterrein waar de metro’s overnachten. Die maquette liet hij op een inspraakavond zien aan omwonenden, maar op een volgende maquette liet hij de staart weer weg. De architect zelf vond zo’n staart veel te realistisch, hield meer van abstractie (denk: de Rothko Chapel in Houston). Een walvis op zijn ontwerp vol strakke lijnen, lichtval en weerkaatsing – dat sloeg als een tang op een varken.

Maar de buren zeiden meteen: „Waar is onze staart?”

Nu het wonder. Architecten hebben vaak grote ego’s. Maar Struijs, die toch zeer geliefde en prijswinnende ontwerpen op zijn naam heeft, gunde het de mensen wel. En hij liet zelfs twee staarten neerzetten.

Op een bijna twintig jaar oud filmpje, vlak na de oplevering, praten bewoners over hun walvissen. „Een van de mooiste kunstwerken die ze ooit in Spijkenisse hebben neergezet”, zegt een vrouw zonder blikken of blozen. „Het meeste is abstract, dit is werkelijk prachtig!”

Het filmpje raakte me. Dit was al een tovervis, ver voordat die metro erop viel.

Volgens Max Weber mag de wereld dan onttoverd zijn, maar daarmee is de behoefte aan betovering niet verdwenen. Als je niet oppast, zoeken mensen hun heil bij de betovering door communisme of fascisme. Of ze zwemmen in de fuik van een orthodoxe religie. De truc is natuurlijk om zinsbegoocheling te vinden die geen kwaad kan. Bijvoorbeeld de goede magie van kunst en literatuur. Of een walvisstaart.

Lees ook: Gered door een walvisstaart

Ik denk dat die omwonenden Weber intuïtief begrepen: die staarten zijn een stootblok, een sierlijke krul die de al te strakke lijnen van de ratio onderbreekt. Tot hier. Had het ook een olifant of een giraffe kunnen wezen? Ik denk het niet: de tijdgeest vroeg specifiek om een walvis.

Eeuwenlang hadden we walvissen als monsters gezien. Spoelde er één aan, dan was dat altijd een slécht teken. Na de wetenschappelijke revolutie werd onze blik materialistisch: we zagen ze vooral als grote zakken olie en spek. Nog tot in 1964 had ons land walvisvaarders. We hadden ze bijna uitgemoord, de dino’s van de diepzee.

De kentering kwam door toeval: spionage naar Russische onderzeeërs leverde als bijvangst walvisgeluiden op. De zakken spek maakten muziek. In 1970 verscheen het album Songs of the humpback whale (1970). Een reusachtig succes. „Opeens zagen mensen de walvis als ‘zingend wezen’ in plaats van als bron van margarine”, aldus walviskenner Luke Rendell in een interview met de Correspondent.

Nederland dankte de walvisvloot af; in plaats daarvan gingen Greenpeace en anderen jagen op de laatste walvisvaarders. En toen die inspraakavond in Spijkenisse plaatsvond, was de walvis inmiddels op het hoogtepunt van roem, symbool van natuurbescherming en van de New Age.

Door toeval werden de staarten extra sterk geconstrueerd en getest in windtunnels en met brandproeven. Vlak daarvoor waren er problemen met de net nieuwe Erasmusbrug: bij harde wind ging die brug vervaarlijk trillen. Zoiets wilde de gemeente niet nog eens. De staarten werden ontworpen door een bedrijf dat ook werkt voor de Efteling, las ik, zoals de attractie Droomvlucht – what’s in a name?

Een wegduikende walvisstaart is een glimp van het mysterie dat ons ontglipt

Enfin. Ik kwam tot de volgende tussenrapportage: metro’s ontsporen bijna nooit, laat staan op een plek waar een stootblok staat dat loszit; waar een afgrond achter gaapt; waar twee walvisstaarten staan omdat een architect een woordgrapje had gemaakt, waarna bewoners staarten eisten en waarop die staarten werden uitgevoerd met een extra sterke laag van 6 mm glasvezelversterkte polyesterhars, waardoor het kon gebeuren dat de bestuurder in metrostel 5351 straks de Kerst meemaakt.

De keten van toevalligheden die hadden geleid tot de redding van een mensenleven werd zo lang, dat de vraag in me opkwam hoe lang de reeks nog moest worden voor ik domweg mocht concluderen dat het hier ging om een wonder. Of kon dat nu al, was mijn definitie van wonder niet veel te rigide? Een wonder is iets dat niet kan – dus dat kan niet. Ja, dan houdt het op. Maar is een wonder niet eerder: een zeldzame toevalligheid die tot ons spreekt?

Dan moest ik uitzoeken wat de polyester staarten precies zeiden. Voorlopig kon ik ze even slecht verstaan als die mechanische, zingende vissen met flappende staart op een houten plankje, die in het begin van dit millennium heel populair waren als wanddecoratie – precies de tijd waarin de metro werd gebouwd, trouwens. Als ik wilde horen wat de vissen zongen, dan moest ik ter plekke zijn, ik moest dat polyester aan de praat krijgen.

Foto ANP/Robin Utrecht

Bedevaart

In de metro op bedevaart naar halte De Akkers luisterde ik Songs of the humpback whale, een soort gedempt, ritmisch loeien en huilen, alsof bij de buren walrussen seks hebben. De liederen raakten me niet, wellicht omdat ik me er niet open voor stelde, maar waarschijnlijk omdat ik inmiddels Spijkenisse binnenreed.

Als je een stadslandschap wilt zien waar je de onttovering van Max Weber kunt verfilmen, ga dan naar Spijkenisse. Een uitgestrekte zee van laagbouw. De context doet er toe: de walvisstaarten van twaalf en veertien meter hoog behoren er al bijna tot de hoogste constructies.

En de slaapstad is al een onopgemerkt wonder op zich. In 1950 was hier nog niets (nou ja, een boerengehucht van 2.500 mensen). Nu wonen er dertig keer zoveel, bijna 80.000 zielen, maar vrijwel niemand heeft er wortels die dieper steken dan één of twee generaties. Men slaapt hier. Werken doet men in Rotterdam, in de haven en bij Shell. Shoppen doet men ook in Rotterdam. (Er is een gloednieuw winkelcentrum in Spijkenisse maar dat staat grotendeels leeg.)

Toen ik uitstapte bij halte De Akkers werd ik begroet door bordjes die zeggen wat hier allemaal níét kan. Niet samenscholen! Niet met je winkelwagen weglopen! Niet „zonder redelijk doel” in de parkeergarage zijn!

Spijkenisse is zo’n plek waar al weinig kon, nog voor er corona was.

Een lege plek, ja – maar leegte geeft ook ruimte, zoals verveling verlangen schept.

Het is geen toeval, bedoel ik, dat in Spijkenisse één van de grootste kerkgebouwen van Nederland staat, de Dome, van Levende Steen Ministries (Wekelijks is er een Supernatural Healing Meeting; ‘Kom en verwacht een wonder van God!’).

Het is geen toeval dat partijen als Forum en PVV, die visioenen schetsen van een fantasie-Nederland, hier samen bijna de helft (40 procent) van de stemmen haalden.

Het is óók geen toeval dat juist in deze culturele woestenij, de piramide oprijst van één van de wonderlijkste en fraaiste bibliotheken van Europa: de glazen Boekenberg.

Spijkenisse is een open plek. Wagenwijd open voor elke betovering, zowel de kwade als de goede. En zoals de bliksem inslaat op de hoogste plek, zo slaan wonderen toe daar waar men er open voor staat.

Vanaf de halte is het nog enkele honderden meters wandelen naar de staarten. Op het viaduct staan overal camera’s, het wonder moet goed gefilmd zijn. De polyester flapstaarten zweven boven mijn hoofd in een blauwe hemel. Lantarenpaalgrijs met bovenop groene algenaanslag. Ik volg het grijs dat naar beneden duikt, in een bruine zuurstofarme waterplas, waar ook de betonnen poten van het viaduct in verdwijnen.

But far beneath this wondrous world upon the surface, another and still stranger world met our eyes as we gazed over the side”, zo heet het in de walvisroman Moby Dick. Maar hier is het water troebel. En in de wereld om me heen passeren joggers, hijgen honden aan lijnen, rollen kinderwagens voorbij, zoveel gewone levens trekken voorbij met hun gewone routines, hun vaste loopjes – heel even roert het water zich, maar het is een eend.

Dit was al een tovervis voordat die metro erop viel

Niets te zien hier. En zo hoort het: walvissen zijn de laatsten der mystieke dieren, juist omdat ze zich niet laten zien. Je kunt niet even naar de dierentuin. En zelfs de uitverkorenen die wel walvissen aanschouwden, zagen meestal slechts een vin, een flard, een wegduikende staart. Walvissen zijn suggestieve dieren, je moet ze aanvullen met geloof.

Een wegduikende walvisstaart, begrijp ik opeens, staat voor alles wat buiten de waarneming valt, het is een glimp van het mysterie dat ons ontglipt. De walvisstaart is de wuivende groet van God.

„Misschien was het wel een wonder”, zei de architect toen ik hem vroeg wat zijn lezing van de gebeurtenissen in Spijkenisse was. Ik weet niet hoe letterlijk ik die woorden moet nemen (hij vertelde me ook over Foucault en zijn boek over Magritte, de pijp die geen pijp is). Maar waarom niet, dacht ik, waarom zouden we het onszelf niet gunnen om in wonderen te geloven. Hoe moeilijk kan het zijn? De mensheid heeft het altijd al gedaan. En nog. Er zijn in Nederland ongeveer honderd Lourdes-grotten. Miljoenen mensen kopen loten, geloven in horoscopen.

Geloven in wonderen

Of zijn wij hoogopgeleide krantenlezers soms bang om als dom te boek te staan, te worden uitgelachen als wappies in de fabeltjesfuik? Maar juist grote geesten houden altijd een raampje open, juist de zuivere rationalisten zullen wetenschap nooit ‘heilig’ noemen. Sir Isaac Newton was alchemist. Marie Curie een magiër. Nikola Tesla? Praatte met marsmannetjes. De bioloog Carl Linnaeus speurde naar zeemeerminnen – en hoe kun je het hem kwalijk nemen als je weet dat de blobvis en axolotl ook echt bestaan. Of googel voor de grap eens op ‘Venezolaanse poedelmot’.

Echte grote geesten staan open. Kleine geesten zijn koppig. Denk aan die meneer van het RIVM die vasthield aan zijn advies om géén mondkapjes te dragen. Het zij hem vergeven, blikvernauwing lijkt wel de ziekte van de tijd. Ambtenaren staren naar een vinkje, in plaats van naar een mens, en zeggen ‘computer says no’. Journalisten komen niet meer buiten maar staren zich blind op facts en data. Wetenschappelijke hotemetoten dragen de oogkleppen van hun specialisme. We gaan aan starheid ten onder. Afgelopen jaar was een tijd van blind geloof in wetenschap – en hé, dat leverde vaccins op! – en tegelijk bloeide het Querdenken, ging kwakzalverij mainstream. Logisch, als je bedenkt dat onttoverde mensen tover nodig hebben. En dat je mensen niet moet dwingen voor het één of het ander te zijn als zelfs Newton niet bang was om beide tegelijk te belijden.

We hebben kiertjes nodig in de werkelijkheid. Wonderen maken barstjes in het huis dat we zelf dicht hebben getimmerd, zo goed geïsoleerd dat zuurstofgebrek dreigt. Ze zijn essentieel voor scheppende kracht, voor vindingrijkheid en vernuft. Ook voor sjeu, ja, de bezieling. En wonderen zijn een antidotum tegen fatalisme. Essentieel om niet te wanhopen nu de mensheid afkoerst op het ravijn, de klimaatcatastrofe.

Geloven in wonderen is weinig anders dan erkennen dat de werkelijkheid zoveel rijker aan mogelijkheden is dan we nu kunnen overzien. Een Rubik-kubus kan zich in ruim 43 triljoen verschillende puzzeltoestanden bevinden, schreef NRC laatst, maar al die puzzels zijn met maximaal 20 draaiingen op te lossen.

Zo staan er in de coulissen van elk mensenleven miljarden scenario’s klaar, wachtend tot wij ze opmerken en gaan spelen.

Het beroemdste walvisverhaal ooit gaat over een wonderlijke ontsnapping. De koppige profeet Jona werd midden op zee overboord gesmeten (gejonast, ja). Hij dacht dat hij doodging, maar een grote vis slikte hem op, zegt de Bijbel, en spuwde hem heelhuids aan land, zeewier nog in het haar.

Hij kreeg een tweede kans, kwam met de schrik vrij. Net als de bestuurder, de profeet uit Spijkenisse. Hoe leef je verder nadat je door een walvis bent gered? Waarschijnlijk in het bevrijdende besef dat je leven minder dichtgetimmerd is dan je dacht. Dat is de boodschap van de walvismetro. Daarom is Spike City voor mij voortaan een heilige plaats.

Na het uitloopspoor stopt de bebouwing van Spijkenisse. Hier eindigt de beschaving, begint de grasvlakte. Of nu ja, een prachtig negentiende-eeuws polderlandschap met koeien, hazen, kiekendieven. Aan de horizon, temidden van het groen, staat een witgepleisterd spits kerkje met houten opbouw dat zo in een graanveld in Iowa had kunnen staan. Een fata morgana uit een andere tijd. Net alsof dit de bestemming was waar de metrobestuurder heen wilde zweven toen hij uitbrak uit de monotonie van zijn robotbestaan.

Nee, zo ging het niet, dat weet ik ook wel, stelletje factcheckers, maar laat het me nou geloven. Echt. Het einde is open, er is geen stootblok aan dit leven.