Siri Driessen bij het Auschwitzmonument van Jan Wolkers in het Amsterdamse Wertheimpark.

Foto Roger Cremers

Interview

De waarde van een reis naar het slagveld

Siri Driessen | cultuurwetenschapper Waarom reizen mensen naar voormalige oorlogsgebieden? „Ik was verrast hoeveel verschillende redenen mensen hebben.”

Een Nederlandse veteraan bezoekt Bosnië, waarheen hij als ambulancechauffeur was uitgezonden tijdens de Balkanoorlog. Hij ontmoet een man die hem grijnzend vertelt dat hij nog kanonskogels op de blauwhelmen heeft afgevuurd. De ex-Dutchbatter schrikt, maar krijgt daarna een veilig en vrolijk gevoel omdat de man is doorgegaan met zijn leven en zelfs grappen maakt over hun gezamenlijke verleden. Ontmoetingen als deze geven de getraumatiseerde veteraan meer rust dan een medicijn ooit heeft gedaan.

Lees hier over de aanbeveling van de commissie-Borstlap om terugkeerreizen voor veteranen te betalen

De reizen van de ambulancechauffeur naar Bosnië – hij heeft er meerdere gemaakt – zijn een zeer uitgesproken vorm van ‘oorlogstoerisme’. Hierbij bezoeken vakantiegangers plekken waar tijdens oorlogen veel mensen zijn omgekomen of omgebracht, zoals de verlaten loopgraven in Noord-Frankrijk of de voormalige vernietigingskampen in Polen. Dit ‘dark tourism’ groeit. Het voormalige concentratiekamp Auschwitz trekt elk jaar meer bezoekers.

De hedendaagse oorlogstoerist gaat niet op pad om de heroïek van het slagveld te herbeleven, zoals in de 19de eeuw, of om massamoorden te herdenken, zoals in de 20ste eeuw, maar om het eigen leven te verbeteren en te verdiepen met soms heftige ervaringen. „Mensen zien reizen sowieso steeds meer als een manier om zich te ontwikkelen, als iets dat goed kan zijn voor de mentale gezondheid. Bezoekers van ‘dark places’ hebben daarnaast ideeën als ‘op de plek zelf krijg ik een ander beeld van het verleden dan uit een boek’. Of de – fascinerende – behoefte om emotioneel geraakt te worden”, zegt cultuurwetenschapper Siri Driessen.

Wat oorlogstoeristen drijft en wat de reizen hun opleveren heeft Driessen onderzocht voor haar proefschrift, waarop ze onlangs is gepromoveerd. Daarvoor interviewde zij behalve Bosnië-veteranen ook Nederlandse militairen-in-opleiding, die een bezoek aan een slagveld combineren met een oefening, en Duitse jongeren die zomerkampen beleggen in regio’s waar de nazi’s massaal joden vermoordden. Daarnaast deed ze participerend onderzoek door in Bosnië twee keer mee te lopen met de Marš Mira, de jaarlijkse vredesmars ter herdenking van de massamoord op de moslims in Srebrenica, nu 25 jaar geleden.

Het verbaasde me erg dat die mars ook toeristische trekjes bleek te hebben

Daar werd haar aandacht getrokken door een groepje dat poseerde bij een wegwijzer. Ze oogden als vakantievierende wandelaars met hun laarzen en nordicwalkingstokken. „Die plek is een heftige confrontatie met de geschiedenis, met kapot geschoten huizen en massagraven”, vertelt Driessen. De vredesmars volgt ook de omgekeerde route van de dodenmars in 1995, waarbij moslims werden gedeporteerd en duizenden niet overleefden. „Bij de mars lopen veel nabestaanden mee en mensen die zelf de dodenmars hebben gelopen. Dus het verbaasde me erg dat die mars ook toeristische trekjes bleek te hebben.”

Hoort dat ongemakkelijke gevoel bij het oorlogstoerisme?

„Voor mijzelf zeker. In het begin voelde ik ook een aarzeling als mensen mij vertelden dat ze naar Auschwitz waren geweest. Ik dacht: zo’n plek moet niet het slachtoffer worden van massatoerisme. Tijdens mijn onderzoek heb ik dat idee bijgesteld. Ik was verrast hoeveel verschillende redenen mensen hebben om die plekken te bezoeken en dat ze daaraan zoveel waarde toekennen.”

Veel Bosnië-veteranen vinden het belangrijk om zelf te zien of het land er uitziet zoals ze het zich herinneren. Bij sommigen speelt nostalgie een rol, zegt Driessen: „Het verlangen naar een tijd waarin je veel meemaakte met vrienden en waarin duidelijke regels en structuren bestonden.” De ambulancechauffeur vindt troost in een gesprek met een Bosniër, die hem zegt: „Je hebt gedaan wat je kon. Het was niet genoeg. Maar anderen waren er niet en jij was er wel. En nu ben je weer hier. Dat laat zien dat je dit serieus neemt.”

Ik wilde juist graag groepen onderzoeken die niet zo makkelijk als toerist zijn te plaatsen

Contact met de lokale bevolking lijkt vaker te helpen. Wanneer vooral?

„Met name bij veteranen die vaker terugkomen. De eerste keer willen ze een mooi en rustig Bosnië zien, in de hoop dat zij daaraan iets hebben bijgedragen. Dan vertellen mensen daar over de spanningen in Bosnië, waar het politiek en economisch niet goed gaat. Dat is confronterend en teleurstellend. Maar die blik helpt om grip te krijgen op de geschiedenis en hun rol daarin. Zo kunnen ze hun eigen verleden in perspectief plaatsen, krijgen ze meer rust. Ze zijn er ook trots op dat ze daar vrienden hebben gemaakt. Sommigen gaan er heel vaak naar toe. Een veteraan was erbij tijdens de val van Srebrenica en wil van die gebeurtenis deel blijven uitmaken. Hij is tien, vijftien keer terug geweest.”

Lees hier over schuldgevoelens die veteranen kwellen

In hoeverre kun je deze veteranenreizen nog toerisme noemen?

„Lastig, maar ik wilde juist graag groepen onderzoeken die niet zo makkelijk als toerist zijn te plaatsen. In de terugkeerreizen zitten overigens wel degelijk toeristische elementen. De veteranen boeken een kampeerreis via een reisbureau of gaan in Kroatië aan het strand zitten. Daarna trekken ze een paar dagen Bosnië in om hun plekken te bezoeken, met motieven die helemaal niet toeristisch zijn. Over die motieven waren sommigen gesloten; dan zeiden ze dat ze uit ‘nieuwsgierigheid’ gingen en moest ik flink doorvragen. Veteranen die indertijd jong waren, praten makkelijker over wat ze toen hebben meegemaakt.”