Van Oosterpark tot het geheimzinnige Nescioville

Literaire plekken Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Wie aan Nescio denkt, denkt aan Amsterdam; heel Oost is aan hem gewijd. Er is geen schrijver, denk ik, die op zoveel plaatsen in de stad geëerd wordt. En dat alles dankzij een handjevol verhalen en een paar zinnen.

Als ik aan Nescio denk, denk ik aan de Sarphatistraat: ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ De zin heeft zijn eigen plaquette. Een alinea uit Titaantjes heeft zelfs zijn eigen beeldhouwwerk: ‘Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschreven tegenwoordig.’

Het Oosterpark is, denk ik, het middelpunt van het oeuvre van Nescio, maar vandaar uit kan het stevig uitwaaieren, naar Schellingwou in Buiten-IJ, richting Wijk aan Zee in In een lange dag en in het Natuurdagboek naar wat Nescio ‘het eigen gebied’ noemde.

Het Natuurdagboek begint op 14 februari 1946, een woensdag en eindigt op dinsdag 27 december 1955. ‘Een beroerte maakte in januari 1956 een abrupt einde aan de tochten en aan de notities’, schrijft Lieneke Frerichs in haar ‘Verantwoording’. Soms beschrijft zo’n notitie de stad: ‘17 november [1948]. Lentedag in de stad. Alles eetbaar. De heele voorste helft van de Ruysdaelkade opgegeten (staande op de brug in de Stadhouderskade bij het Museum).’

Vaak wordt er in Amsterdam een tochtje gemaakt: ‘31 oktober [1949]. Met [kleinzoon] Koosje met lijn 9 en 3 naar het terrein bij de „Groentenveiling”. Schitterend koud weer, alles blonk en tintelde. Met de Haarlemsche Tram van den „Krommert” naar de Paleisstraat. Voor ’t eerst van mijn leven onder de peristyle van het paleis doorgelopen. Poffertjes gegeten op den Nieuwendijk. Met bootje van Bergmann heen en weer over het IJ. Zon en golven en opspattende druppels.’ Soms gaat hij iets verder weg: ‘19 januari [1947]. Nog voorjaar. Gisteren bloeide de kornoelje in het „Wertheimparkje”. Om half twaalf op de fiets naar Ouderkerk. Zonnig dorp voor de brug. Ook bij de Hervormde Kerk en het Jodenkerkhof geweest.’

En zo wordt Amsterdam steeds groter: Diemen, Muiden, Muiderberg, Abcoude, Baambrugge, Loenersloot, Nigtevecht en Nederhorst den Berg, en het geheimzinnige Nescioville, waarvan niemand precies weet waar precies het zich bevindt, hier of daar, of overal. Op 7 april 1953, als Nescio in Groningen bij zijn dochter en zijn kleinkinderen logeert, voltrekt zich het drama: ‘Om 6 uur is Mariussie doodelijk aangereden op de Nieuwe Heereweg, dichtbij huis (…). Buren kwamen het vertellen. Bob stond net pannekoeken te bakken. Tusschen 5 en ½ 6 had ik hem en Nelletje nog „Het leelijke jonge eendje” voorgelezen.’

Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.