Foto David van Dam

Interview

‘Toen mijn pa in Nederland aankwam sliep hij onder een vrachtwagen, zonder vrienden, zonder familie, zonder geld’

Kati Piri Europarlementariër Kati Piri (PvdA) maakt de overstap naar Den Haag. Daar moet het raam op de buitenwereld open, vindt ze. „Mijn overleden Hongaarse vader zou apetrots zijn geweest.”

Voor een coronaproof gesprek op anderhalve meter mag Kati Piri de werkkamer van partijgenoot en PvdA-leider Lodewijk Asscher lenen. Aan de wand hangen portretten van Joop den Uyl en een streng kijkende Willem Drees.

In Brussel groeide Piri (41) de afgelopen zeven jaar uit tot een zelfverzekerde Europarlementariër die vlot en vrijuit sprak over ‘haar’ dossiers – Turkije, Brexit, de aanval op de rechtsstaat. Nu maakt ze, met een zesde plek op de PvdA-kieslijst, de overstap naar Den Haag. Een kleiner politiek toneel, maar met veel fellere schijnwerpers.

Haar stage bij Frans Timmermans, toen nog Kamerlid, was haar eerste politieke leerschool. Al snel maakte Piri, geboren uit Hongaarse ouders, de overstap naar Brussel, eerst als medewerker van de PvdA-delegatie in het Europees Parlement, vanaf 2014 als Europarlementariër.

Vorig jaar mei werd de PvdA met zes zetels onverwacht de grootste Nederlandse partij in het Europees Parlement. Het ‘Timmermans-effect’, klonk het. Het leidde in het Haagse hoofdkwartier van de PvdA tot een herwaardering van Europese, internationale thema’s, maar ook van collega’s ver weg.

Was de Europese verkiezingsoverwinning een keerpunt voor de PvdA?

„Die gaf een enorme boost. Sowieso aan al die jonge partijgenoten van wie er veel al tien jaar bij de partij zaten en nog nooit een overwinning hadden meegemaakt. De uitslag bewees dat Nederlanders veel minder naar binnen gekeerd zijn dan je zou denken als je in de Tweede Kamer rondloopt.”

Naar binnen gekeerd: geldt dat niet ook voor uw eigen PvdA?

„Nou, met mij op plek 6 en een oud-minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 3 [Lilianne Ploumen, red.] streef je toch duidelijk ook naar een internationaal profiel.”

Als minister van Sociale Zaken in Rutte II was Asscher vaak negatief over de EU. Arbeidsmigratie leidde tot verdringing op de arbeidsmarkt.

„Ik denk dat we iets te vaak alleen maar kijken naar wat Brussel zou moeten doen, en niet naar wat we in Nederland zélf kunnen doen. Het is echt niet zo dat Europese regels voorschrijven dat we mensen moeten uitbuiten of op vakantieparken moeten huisvesten. We moeten de malafide uitzendbureaus aanpakken. Ik heb contact met Hongaren die hier werken en ik schaam me kapot onder wat voor omstandigheden dat gaat.”

Oud-PvdA-leider Diederik Samsom was vaak in Brussel te vinden. Asscher was daar bijna nooit.

„Dat is niet waar. Lodewijk en ik vlogen ons suf, van hoofdstad naar hoofdstad, om Timmermans aan de man te brengen. Asscher heeft de rechtsstaat hoog op de agenda helpen krijgen bij Europese zusterpartijen.

Hoeveel persoonlijke medewerkers heeft u in Brussel?

„Vier.”

Hoeveel heeft u er straks in Den Haag?

„Ik geloof anderhalf, hooguit twee.”

Hoe erg is dat?

„Je kunt je parlementaire werk veel beter voorbereiden op het moment dat je meer ondersteuning hebt. In Den Haag zal ik dus veel meer zelf moeten gaan doen.”

Wat is nou echt zo’n onderwerp waar in Den Haag te weinig aandacht voor is?

„Turkije is een goed voorbeeld. De publieke opinie is sterk zwart-wit. Alsof de autocratische president Erdogan alle Turken vertegenwoordigt. Natuurlijk heb ik me ook fel uitgesproken tegen Erdogan, daarom ben ik nu persona non grata in Turkije. Maar tegelijk vind ik dat we er moeten zijn voor activisten en journalisten die al jaren gevangen zitten. Je ziet dat je voor het harde verhaal, tegen Erdogan, heel veel steun krijgt in Nederland. Maar als je zegt ‘we moeten óók het maatschappelijk middenveld blijven steunen’, dan is dat meteen heel lastig.”

Twee jaar geleden maakte u de documentaire ‘Achter de facade van Orbán’ over de Hongaarse premier. Is de kijk op Hongarije ook zwart-wit?

„Ja. Ik maakte die film omdat ik weet dat Hongarije zoveel meer is dan Orbán, omdat veel Hongaren juist zó trots zijn om bij de EU te horen. Terwijl ik als politicus in de Nederlandse media telkens vragen krijg als: ‘Waarom zijn die Hongaren zo homofoob en antisemitisch? Waarom hebben we ze indertijd laten toetreden?’ Dus zijn we gaan filmen, om ook dat andere verhaal te vertellen.”

Raakt dit u ook persoonlijk?

„Wat dacht je? Ik spreek vloeiend Hongaars, mijn hele familie woont er. Ik was een meisje van tien jaar toen in 1989 de Muur viel. Ik herinner me mijn pa voor de tv. Hoe emotioneel hij werd. Dat had ik nog nooit gezien, en het gebeurde daarna ook niet vaak meer. Maar op dat moment pakte hij me vast en zei hij: ‘Dit moet je zien, Kati, dit is geschiedenis.’ Toen ik als jonge stagiair in de Tweede Kamer werkte kwam Geert Maks boek In Europa uit. Er was optimisme over de aanstaande uitbreiding van de EU met Midden- en Oost-Europese landen. Maar toen ik zelf eenmaal politicus was, was die interesse helemaal weg.”

Welke rol speelt uw familiegeschiedenis in uw politieke ambities?

„Een zeer sterke rol. Mijn ouders zijn opgegroeid op het Hongaarse platteland, in armoede, onder een communistisch regime. Mijn pa vluchtte op zijn vijftiende, hij fietste in drie uur vanuit West-Hongarije de grens over naar Oostenrijk. Hij heeft er tot aan zijn dood nooit over kunnen praten. Later, als we als gezin naar Hongarije reisden, zei pa bij het naderen van de Hongaarse grens: we zijn weer in dat Donkere Land. Ook al was het hartje zomer. Maar donker stond voor: onvrij. Hij heeft nooit een Hongaars paspoort willen aanvragen. Zolang dat land geen democratie is, hou ik mijn Nederlandse paspoort, hield hij vol. Tot zijn dood, vijf jaar geleden.”

Wat voor lessen trekt u hieruit?

„Je ziet nu om ons heen hoe fragiel democratie is. Vrijheid, en je kans pákken – dat heb ik van huis uit meegekregen. Toen mijn pa in Nederland aankwam sliep hij onder een vrachtwagen, zonder vrienden, zonder familie, zonder geld. Later kreeg ie een studiebeurs. Hij heeft keihard geknokt om zijn kinderen kansen te geven. Ik herinner me hoe de gang in ons huis in Utrecht altijd volstond met zakken met kleren, de opbrengst van inzamelingen in de buurt. Daarmee reden we elke zomer naar Hongarije, de auto puilde uit! En daar gingen we, naar het Donkere Land. Ik moest een traantje wegpinken toen ik mijn mooie plek op de Kamerlijst te horen kreeg, mijn vader zou apetrots zijn geweest.”