Opinie

Gelijke beoordeling zorgt voor ongelijkheid

Column Cecile Janssens vindt het onnodig om onvoldoendes te geven in het hoger onderwijs.

Cecile Janssens

Voor mijn mondeling Engels tijdens het vwo-examen kreeg ik een 4. „Weet dat ik je gematst heb”, zei de docent met een vertederde glimlach. Met die 4 bracht hij namelijk mijn gemiddelde op een 4,5, en daarmee op een 5, waarmee ik zou kunnen slagen. Met Engels zou het wel goedkomen.

Als ik aan het eind van een semester, zoals nu, druk ben met het beoordelen van studenten, denk ik daar steevast aan terug. Net als mijn leraar Engels wil ik verder kijken dan het geleverde werk. Ik wil maatwerk in mijn onderwijs, ook in de toetsing.

Mijn universiteit geeft daarvoor gelukkig de ruimte. We zijn als docenten gebonden aan competenties en leerdoelen, maar vrij in hoe we die willen bereiken en toetsen. De universiteit beschouwt dit als academische vrijheid. Studenten weten dat docenten op verschillende manieren beoordelen. Over de details van de toetsing worden ze aan het begin van elk semester geïnformeerd.

Maatwerk in de beoordeling is nodig omdat een toets niet alleen kennis test. Vooral in het hoger onderwijs met grote aantallen internationale studenten zijn de verschillen in achtergrond, vooropleiding en beheersing van de Engelse taal groot. Als je studenten aan dezelfde toets onderwerpt, dragen deze verschillen tussen studenten bij aan verschillen in de beoordeling. Gelijk is ongelijk.

Meeslepend proza

Bij open opdrachten is uniform beoordelen sowieso lastig. Sommige studenten schrijven essays over complexe onderwerpen, anderen leggen de lat lager. Sommige schrijven meeslepend proza, anderen blijven kort en zakelijk. En bij presentaties hebben de laatsten meer voorbeelden en feedback gezien dan degene die als eerste aan de beurt zijn. Als we studenten op een faire manier willen beoordelen, dan moet we de criteria wat losser hanteren.

Toetsresultaten hangen ook sterk samen met de voorbereiding. Studenten studeren nu eenmaal niet op dezelfde manier en met dezelfde drive. Sommige studenten bereiden elke les in detail voor, terwijl anderen het leeswerk overslaan als ze er tijdens de les niet op aangesproken worden. Dat zij vaak veel lager scoren op toetsen is dan geen verrassing. Als studenten onvoorbereid aan de les verschijnen kan ik als docent weinig doen om hen nog echt bij de les te betrekken.

Ik vind onvoldoendes in het hoger onderwijs onnodig. Studenten hebben genoeg bagage. Ze hebben de middelbare school met succes doorlopen, ze kiezen hun studie uit interesse en zijn gemotiveerd om ook die tot een goed einde te brengen. Maar een nieuwe studie, vaak in een nieuwe stad met nieuwe vrienden, komt met volop afleiding waardoor de voorbereiding er bij inschiet. Dáár moet ik als docent mee concurreren. Dat kan vast op veel manieren, ik vond de mijne.

In mijn onderwijs is de voorbereiding nu onderdeel van de beoordeling. Studenten moeten voorafgaand aan de bijeenkomsten schriftelijk vragen stellen over het lesmateriaal. Ze moeten de vragen toelichten met de lesstof en uitleggen wat ze niet begrijpen of waarover ze meer willen weten. In de eerste weken geef ik feedback op de vragen zodat studenten weten wat van ze wordt verwacht. Ze kunnen elkaars vragen en mijn feedback lezen, maar pas nadat ze zelf een vraag gesteld hebben. De vraag mag de plank inhoudelijk misslaan, maar moet getuigen van een kritische reflectie op het lesmateriaal en vergezeld gaan van een gedegen toelichting.

Lastig of boeiend

De vragen gebruik ik vervolgens om de lessen voor te bereiden. Ik selecteer een paar onderwerpen die meerdere studenten lastig of boeiend vonden. Ik laat hen de vragen tijdens de les toelichten en ga hierover met ze in gesprek. Ik leg uit wat onduidelijk was of daag ze uit om verder te denken.

Studenten die de hele voorbereiding naar behoren afronden krijgen daarvoor een 6 (ongeveer, de Amerikaanse puntentelling is net wat anders). In twee toetsen, halverwege en aan het eind, peil ik wat ze geleerd hebben. In mijn onderwijs zijn dat essays, maar dat hadden ook meerkeuzetoetsen kunnen zijn. De kwaliteit van de essays brengt de eindbeoordeling tussen een 6 en een 10. Wie niet alles voorbereidt begint met minder dan een 6 en kan de 10 vergeten.

Dit maatwerk was een omslag, vooral van loslaten, van niet alles meer willen checken, niet alles meer klassikaal willen bespreken, en niet krampachtig gelijk proberen te evalueren wat niet gelijk is. Het was omscholen; ik heb me moeten verdiepen in nieuwe manieren van lesgeven en beoordelen. Het kostte tijd, maar het resultaat is een zegen. Ik heb klassen met goed voorbereide studenten, van eerstejaars bachelor tot laatstejaars master. De lessen gaan in op hun vragen. De studenten zijn meer betrokken, de gesprekken relevanter en geanimeerder. Ook online. De essays zijn zelden onvoldoende. Wie het hele semester nagedacht heeft over de stof weet blijkbaar van de hoed en de rand.

Mijn roer is om. Dit is het maatwerk en het resultaat waar ik op hoopte.

En mijn docent had gelijk. Met mijn Engels is het helemaal goed gekomen.

Cecile Janssens is hoogleraar translationele epidemiologie aan Emory University in Atlanta.