Vrij zijn is... Tai Chi

Vrij Hoe breekt Nederland uit de sleur? Deze week: tai chi.

Foto Folkert Koelewijn

Te laat komen, en niet groeten, daar heeft grootmeester Kong Fan Wei (65) een bloedhekel aan. Dus zit hij bij de ingang van de Wushu Academie Xia Quan in Rotterdam en slaat zijn vuist tegen zijn vlakke hand bij elke binnenkomer. Ondertussen probeert hij de journalist uit te leggen dat ze domme vragen stelt. Of tai chi de zachte tegenhanger van kung fu (wushu) is? „Nee! Tai chi ís kung fu.” Hij kan het weten. Hij is in China opgeleid en kampioen geworden, heeft daar politieagenten getraind, en speelde in verschillende kung fu-films.

Vandaag geeft hij de laatste tai chi-les voordat de lockdown ingaat, aan een groep gevorderde leerlingen. Terwijl zij zich warmdraaien, licht hij toe wanneer ze zich bij de school hebben aangesloten: „1997”, „2005”. „Zij is nieuw, 2017.” En dan doet hij nog maar eens een poging om uit te leggen wat tai chi is: een vechtsport, een gezondheidsoefening, meditatie in beweging. De Yang-stijl, die hij doceert, wordt gekenmerkt door langzame vloeiende bewegingen die heel bewust worden uitgevoerd, met of zonder wapens.

Abrupt staat hij op. De groep moet aan de slag.

Achtereenvolgens lopen ze ‘vormen’ (een sequentie bewegingen) met speren, zwaarden en kung fu-waaiers, zonder de metalen pinnen waarmee je iemand kan doodmaaien. Studenten worden in de juiste houding geklopt en krijgen regelmatig aanwijzingen toegeroepen. Nee, je moet niet met je zwaard op de schouder slaan, maar in de nek. Die kop moet rollen, gebaart hij. Tussendoor geeft hij af en toe een razendsnelle demonstratie. „Tai chi is traag”, zegt hij en hinnikt van het lachen.

Sifu (meester) Kong ziet alles, zeggen de studenten na de les. Hij heeft het bijvoorbeeld direct door als ze er met hun hoofd niet bij zijn, zegt Anita Scholten (35). Ze heeft ADHD, vertelt ze, en kan zich dankzij tai chi beter focussen. Anderen zeggen dat ze meer in balans zijn, dat hun houding is verbeterd, en dat ze geleerd hebben mee te geven om iets voor elkaar te krijgen. Sifu Kong luistert instemmend op een stoeltje onder een plank met trofeeën. Die zijn niet van hem, zegt hij, maar van zijn pupillen. „In China krijg je alleen papiertjes.”

Zijn leerlingen zijn best goed, maar lesgeven in Nederland is wel heel anders dan in China. Vooral de beginners klagen sneller. „Oh, ik ben helemaal bezweet.” Dan gooit hij het liefst een emmer water over hen heen. Er is ook minder „groepsspirit”, zegt hij. Als zijn studenten kinderen krijgen, is het tot zijn verdriet vaak afgelopen met de vriendschap, terwijl je in China je hele leven lid blijft van een school. Hij reageert dan ook geschokt op de vraag of hij zijn eigen sifu nog spreekt. „Natuurlijk! We hebben gisteren nog gevideobeld.”