Mathias de Clercq

Fotografie: Lars van den Brink

Interview

Deze Vlaamse schrijver woonde een half jaar op Urk: ‘Voor dat scholletje op je bord is een hoge prijs betaald’

Matthias Declercq Voor zijn boek over Urk ging hij er een half jaar wonen. Daardoor won hij als Vlaming het vertrouwen van de bevolking. „Wij hebben niet zoiets als een visserscultuur, een voormalig eiland of strenggereformeerden.”

Dagelijks liep Matthias Declercq onbevangen over de kade van Urk, maar nu voelt het toch wat onwennig. Twee echtelieden stoten elkaar aan en smiespelen: „Is dat die Belg?” Een vrouw loopt voorbij, draait zich om en steekt haar duim op. „Goed boek!” Moeder en dochter, verderop: „Dit is de Belg”.

‘De Belg’, zo heet de Vlaamse schrijver Matthias Declercq (35) op Urk. Zo noemen de Urkers ook zijn boek – „Heb jij de Belg al gelezen?” Urkers zijn geen lezers, het zijn vissers, maar sinds de publicatie van De ontdekking van Urk, eind oktober, gaat zijn portret van het dorp er van hand tot hand.

Declercq schrijft over de gesloten gemeenschap, de zwaar-gereformeerde kerk, rellende jongeren, visfraude, drugs. Bekende thema’s als het over Urk gaat – de kranten staan er doorgaans vol mee. Alsof de media elke aanleiding aangrijpen om de gemeenschap weer belachelijk te maken, zo zien veel Urkers het. Komt er weer zo’n journalistje even langs voor een sfeertekening van het dorp. Tekent ’ie altijd de lange, zwarte rokken op en laat de dorpelingen aan het woord – altijd dezelfden – die de clichés bevestigen.

Veel Urkers wantrouwen opschrijfboekjes, camera’s, microfoons. Waarom zouden ze de rotzooi die over hun dorp naar buiten komt, willen geloven?

Maar met die Belg is het anders.

„Kom, naar boven.” Matthias Declercq bestijgt de trappen van het Urker Vissersmonument en kijkt uit over het IJsselmeer. Het is windstil en de voormalige Zuiderzee ligt erbij als een biljartlaken. „Goed weer om te vissen.” Declercq wijst op de marmeren plakkaten met de namen van overleden vissers en somt familienamen op die hij kent. „Bedenk eens wat hier een hoge prijs is betaald voor dat scholletje op je bord.” De Vlaamse schrijver was erbij toen in de zomer van 2019 een vissersboot vermist raakte, de UK165, en het hele dorp wachtte op bericht. „Veel Urkers dwaalden doelloos rond, hier bij het monument.” Voor de uitvaart kreeg ook Declercq een uitnodiging.

„Stoor ik?” Een man in werkbroek grijpt zijn kans. „Je hebt er een vlot geschreven boek van gemaakt. M’n schoonzus had het in twee dagen uit, m’n vrouw ook.”

„Hoe heet u?” vraagt Declercq. „Ah, Jelle Kramer. Bent u van familie van Klaas Post? Nee? Oh, dan van Maret en Nettie!”

„Dat over die coke, ik wist het niet”, zegt de man. Hij was verbaasd, maar oké, in de Bijbel is de mens ook niet altijd even braaf. „Dat God ons toch nog liefheeft, is verwonderlijk.” Eerlijk, hij had een vooroordeel over het boek. „Maar het is correct, je kunt er niks anders over zeggen. Jij hebt je echt verdiept.”

Ooit, in 2009, was Matthias Declercq zelf zo’n journalistje. Hij werkte nog maar pas bij De Morgen en kreeg opdracht verslag te doen van een moordzaak in het Urker Bos. Neem je onderbroekskes maar mee, had de chef gezegd. Hij zou een paar dagen verblijven op het voormalige eiland, sinds 1939 verbonden met de Noordoostpolder. Liep hij daar, jagend op een goed verhaal. Declercq kende de cultuur niet, mensen wilden amper met hem praten.

In de jaren daarna bleef het drieletterwoord kleven in zijn hoofd. Urk, hij groeide op nabij Kortrijk en had kennisgemaakt met een leefwereld tegenovergesteld aan de zijne. „Wij hebben niet zoiets als een visserscultuur, een voormalig eiland of strenggereformeerden.” En dan die weidsheid! Vlaanderen noemt hij „een streek zonder horizon”. Overal waar je kijkt is ruimtelijke ordening: elektriciteitshuisjes, fabrieken. Turend naar het IJsselmeer: „Ik word hier heel rustig van.”

Declercq wilde Urk begrijpen. Eerder schreef hij het non-fictieboek De val, over de vriendschap van vijf wielrenners. Twee jaar lang had hij zich ondergedompeld in een wereld die hij niet kende en dat beviel hem, méér dan de snelle nieuwsjournalistiek. Zoiets wilde hij opnieuw.

Ook wilde hij een „waardig gesprekspartner” zijn voordat hij opnieuw voet zette aan Urker wal. Daarom las hij alles wat hij over de gemeenschap kon vinden. Op Urk staan 25 kerken op 20.000 inwoners. „Ik wilde alle protestantse stromingen uit elkaar kunnen houden.”

Daarna ging Derclercq op Urk wonen, een half jaar. Hij kon terecht in een gastgezin, kreeg de kamer toebedeeld van het zesde kind, dat voor een bijbelvertaling naar Tanzania was, en draaide volledig mee in het Urker leven. Samen eten, psalmen zingen en overdag zo’n vijf afspraken met dorpelingen.

Hij had zijn bezoek aangekondigd in de lokale krant Het Urkerland met een e-mailadres erbij waarop Urkers hem konden bereiken. Al na twee uur had Declercq vijftien uitnodigingen ontvangen om eens te komen praten. Zijn gesprekspartners kenden weer anderen en zo sprak Declercq uiteindelijk met honderden Urkers, deels anoniem.

Elke zondag ging hij naar de kerk. Declercq bezocht een dienst in de Jachin Boazkerk, de Sionkerk, de Menorahkerk, de Maranatha, de Pniël, de Eben-Haëzer, de Immanuel en Ichthus, de Gereformeerde Gemeente, de Vrije Gereformeerde Gemeente, de Gereformeerde Gemeente in Nederland, de Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland, de Hersteld Hervormde Kerk, het Hervormd Gereformeerd Comité Urk, de Volle Evangelie gemeente, de Evangelische Gemeente, de Reformatorische Baptistengemeente, de Protestantse Kerk, en dan nog een paar.

Alle kerken bezoeken, ja, dat was nodig. Declercq, zelf niet gelovig, wilde niet dat anderen hem in een hokje konden plaatsen. Een risico, in een dorp als Urk. Hij wilde een wit blad blijven. Hij was die Belg, en dat kwam eigenlijk wel goed uit.

„Kijk de huisnummers”, zegt Declercq wandelend door een wirwar van straatjes. „Allemaal gekerfd in een stenen schol.”

De eerste weken waren eenzaam. Declercq dacht: wat doe ik hier, wie ben ik om dit bloot te leggen, lukt het wel? Maar hoe langer hij bleef, hoe meer hij zag. Hij raakte „een laag dieper”. Hij maakte vrienden, won vertrouwen, voer een week mee op een Urker vissersboot: anderhalf uur slapen, anderhalf uur werken. Op en af.

Declercq, die ongelovige Vlaming met zijn ranke schrijfhanden, „verurkte”. Kwam hij thuis bij zijn vrouw in Gent, eens in de drie weken één dag – ze gunt hem de ruimte en ze hebben geen kinderen, „dat scheelt” – zat hij met zijn hoofd nog stééds op Urk. „Al die indrukken, al die gesprekken.” Pas in een Gentse bar met Bob Dylan door de speakers, besefte hij hoe anders zijn eigen wereld is. „Ik dacht: oh ja, Bob Dylan.”

Terugkerend thema in De ontdekking van Urk is de sociale verbondenheid. Op het voormalig eiland zit iedereen onherroepelijk aan elkaar vast. Ideaal voor wie in het Urker plaatje past, maar wie erbuiten valt heeft het zwaar. Declercq sprak Urkers die de kerk uit wilden stappen maar niet durfden. Hij sprak – anoniem – incestslachtoffers die er nooit openlijk over zouden praten – ‘dan ben ik die van dat incest’. Sociale controle, constateert hij, eindigt in eeuwig zwijgen.

Declercq belandde op de meest gevoelige plek van het dorp: het industrieterrein, de motor van Urk. Overdag staan jongeren er in loodsen de vis te fileren, ’s avonds is het ‘een losgeslagen wereld vol illegale kroegen waar de jeugd alles doet wat God en het dorp verbieden’. Hij sprak er de drinkende, cokesnuivende Urkers om wie in de media zoveel te doen is, sommigen veertien jaar oud. En de volgende dag zaten ze weer braaf in de kerkbanken – ‘ik moet van mijn ouders’.

„We gaan even langs bij Reijer, een fijne man”, zegt Declercq. „Zijn dochter appte me gisteren: hij is net terug van een wekenlange reis naar Paramaribo.” Reijer, in het boek ‘scheepsmaat’ genoemd, heeft zojuist de befaamde ‘drugskotter’ Z181 naar een koper in Suriname gebracht. De vissersboot lag al een tijdje aan de ketting nadat de kustwacht er enkele jaren terug vele kilo’s cocaïne op aantrof, uit het water gevist door een drietal Urkers in opdracht van Amsterdamse criminelen.

„Entrez, entrez”, zegt zijn vrouw Dicky, die open doet. Declercq loopt door naar de woonkamer, waar Reijer, een gebruinde visserman met grijze krullen, hem vanaf de bank begroet. „Dag jong! Ga zitten! Wil je een bekkien [Urks voor ‘bakkie’, red.]?”

„Ik wilde vooral even weten hoe ’t was, de Atlantische Oceaan”, zegt Declercq enthousiast. „Heb je walvissen gezien?”

„Saai! De oceaan is zo dood als een pier.”

Met vier man zaten ze op de kotter, vertelt Reijer, en ze konden het gelukkig allemaal goed vinden met elkaar. En ja, ze hadden natuurlijk nog wel even gekeken of de criminelen nog wat hadden achtergelaten op de boot, maar helaas. „Ach, het was een leuk avontuurtje.”

„Kijk wat hier staat”, zegt Dicky. Ze houdt de voorpagina van De Stentor omhoog. Het gaat over vuurwerk gooiende jongeren op Urk. „Het is altijd negatief.”

Ook in „Matthias’ boek” las ze over de donkere kanten van het eiland. Ze was er ondersteboven van. „Dat dit hier allemaal gebeurt, onder je ogen.” Maar het is goed dat hij erover schreef, zegt ze. „Nu kunnen we er ten minste wat aan doen.”

Waarom ze hém wel geloven? „Ik wist niet eens dat er zó veel kerken waren op Urk”, zegt Reijer. „Hij heeft z’n kop uitgestoken en dat vindt een Urker goed.” En alles wat erin staat klopt, zegt hij.

Reijer had het boek meegenomen op de kotter naar Suriname en zijn scheepskameraad kon alles beamen. Daarna, vertelt hij beschroomd, is het overboord gegaan, uit vrees dat niet iedereen op het schip de inhoud zou waarderen.

Dus zijn boek ligt nu op de bodem van de Atlantische Oceaan? Matthias Declercq kijkt verwonderd op. Inderdaad, zegt Reijer, die de coördinaten erbij zoekt. Pal in het midden van de oceaan, tussen Senegal en Venezuela.

Voor wie ‘de Belg’ wil opduiken: 20 graden noorderbreedte/40 graden westerlengte.