Analyse

Overheid als geheel heeft gefaald bij Toeslagenaffaire

Debatanalyse De commissie-Van Dam velt een hard oordeel over alle instanties die betrokken waren bij de fraudeaanpak bij toeslagen, van de Tweede Kamer tot de Raad van State. Het kabinet stelt een politiek oordeel uit tot na het kerstreces.

Kamervoorzitter Khadija Arib, commissievoorzitter Chris van Dam en Kamerlid Pieter Omtzigt bij de overhandiging van het rapport over de Toeslagenaffaire.
Kamervoorzitter Khadija Arib, commissievoorzitter Chris van Dam en Kamerlid Pieter Omtzigt bij de overhandiging van het rapport over de Toeslagenaffaire. Foto Bart Maat/ANP
Lees ook: ‘Zie je wel: ik had gelijk. Ik ben niet gek’

Het kan zijn dat het kabinet het rapport over de Toeslagenaffaire van de commissie-Van Dam daadwerkelijk nog moet bestuderen – het werd pas kort voor de publieke presentatie naar het ministerie van Financiën gestuurd. Het kan ook zijn dat de meest betrokken bewindslieden zich echt zijn rot geschrokken van de bevindingen van de parlementaire ondervragingscommissie die de Toeslagenaffaire heeft onderzocht, en daar nu serieus en langdurig over moeten nadenken.

De eerste reactie van het kabinet was in elk geval bijzonder kort en niet erg krachtig. In een persverklaring die nog geen twee minuten duurde, zei staatssecretaris Alexandra van Huffelen (Financiën, D66) dat het kabinet de eerste week van het komende kerstreces onderbreekt om dinsdag in het Catshuis „uitgebreid en diepgravend te bespreken wat ons te doen staat”. Pas in januari zal het kabinet dan met „een heel goed antwoord” komen op dit „heel belangrijke onderzoek”. Haar eerste missie blijft: zo snel mogelijk (financieel) recht doen aan de duizenden slachtoffers van de ontspoorde fraudebestrijding – een boodschap die Van Huffelen al bijna een jaar verkondigt.

De politieke spanning die al maanden rondom het parlementaire onderzoek hangt is in elk geval niet direct tot ontploffing gekomen op de dag dat de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag met haar verslag kwam. Terwijl de NOS een paar uur voor de presentatie berichtte dat binnen het kabinet Rutte III stemmen zijn opgegaan om meteen al politieke consequenties aan een hard oordeel van de commissie te verbinden. Dat zou wellicht een wenselijk gebaar zijn voor de tienduizenden gezinnen die door de Toeslagenaffaire zijn geraakt en meerendeels nog altijd op financiële genoegdening wachten.

Lees ook: Zegt de computer nee, dan mag de ambtenaar niet achterover leunen

Moesten ze met z’n allen opstappen, zoals het tweede kabinet-Kok in april 2002 deed naar aanleiding van het onderzoek naar de val van Srebrenica? Of alleen een enkel hoofdpersoon, bijvoorbeeld minister Eric Wiebes (Economische Zaken, VVD), die in het vorige kabinet verantwoordelijk was voor de bij de Belastingdienst gemaakte fouten?

Het ontslag van Kok II kwam, net als nu, kort voor al geplande Tweede Kamerverkiezingen, dus de bestuurlijke schade viel mee. Dat ligt op dit moment wel anders, nu het land in een tweede coronacrisis verkeert, met een harde lockdown, immense druk op de zorg en zeer waarschijnlijk grote economische gevolgen.

‘Optelsom van onvermogen’

Is het rapport van de commissie-Van Dam inderdaad zo explosief dat politieke consequenties onvermijdelijk zijn? Conclusies mogen ze niet heten, want een parlementaire ondervraging heeft een andere status dan een parlementaire enquête, met minder zware bevoegdheden, maar de ‘constateringen’ van het rapport zijn inderdaad tamelijk ernstig.

Hoofdverwijt: „Bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag zijn de grondbeginselen van de rechtsstaat geschonden”. Dit was niet alleen het geval bij de Belastingdienst, de uitvoerende instantie die zo meedogenloos onschuldige ouders heeft opgejaagd, maar ook bij „de wetgever en de rechtspraak”. Dat is een hele zware vaststelling, die de commissie een „optelsom van onvermogen” noemt, waardoor vals beschuldigde ouders „jarenlang geen schijn van kans hebben gehad”.

Kamervoorzitter Khadija Arib tijdens het debat.

Foto David van Dam

In andere woorden: individuele burgers werden eerst door de overheid onterecht en hard aangepakt. Vervolgens haperde hun rechtsbescherming. Ook de hoogste bestuursrechter, de Raad van State, ging daar in mee. Tot oktober 2019 kreeg de Belastingdienst bijna altijd gelijk in procedures die gedupeerden hadden aangespannen. „De bestuursrechtspraak”, schrijft de commissie, „heeft jarenlang een wezenlijke bijdrage geleverd aan het in stand houden van de niet dwingend uit de wet volgende, spijkerharde uitvoering van de regelgeving van de kinderopvangtoeslag. Daarmee heeft de bestuursrechtspraak zijn belangrijke functie van (rechts)bescherming van individuele burgers veronachtzaamd.”

Een hard en ongebruikelijk oordeel vanuit het parlement over de rechterlijke macht, die schuurt tegen de staatsrechtelijke scheiding der machten. Commissie-voorzitter Chris van Dam (CDA) zei in een toelichting dat hij dit onderdeel „best spannend” vond, als parlementariër en voormalig officier van justitie. Toch vond de hele commissie, zei hij, dat de rol van de rechter niet onbesproken kon blijven. „We hebben het nadrukkelijk niet over individuele uitspraken van de rechter – dat past ons niet. Maar we vinden wel dat je wat hebt uit te leggen als je in 2019 vindt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ineens toepasbaar zijn, en dat je dat eerder kennelijk niet hebt geconcludeerd. Zeker als je ziet in wat voor ellende de ouders terecht zijn gekomen.”

Politiek wilde fraudebestrijding

Op bestuurlijk niveau velt de commissie evenzeer een hard en scherp oordeel. Maar hier geldt wat na de openbare verhoren vorige maand al duidelijk werd: álle betrokken instanties zijn schuldig geweest aan de ellende rond de kinderopvangtoeslag. Iederéén heeft het gedaan – en daarmee is het lastig individuele politici of ambtenaren aan te wijzen. Naast de Raad van State wijst de commissie-Van Dam de twee andere machten uit de trias politica aan als instanties die de ontsporing van de fraudebestrijding mede in gang hebben gezet dan wel in stand gelaten.

De uitvoerende macht in het toeslagenstelsel bestaat uit twee departementen. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in de ogen van de commissie „haar verantwoordelijkheid voor het beleid” voortdurend willen afschuiven. „Ver onder de maat”, aldus het rapport. De hoofduitvoering ligt bij de Belastingdienst van het ministerie van Financiën. Oordeel: deze uitvoeringsinstantie heeft „grove inbreuk gemaakt op het rechtsstatelijke principe dat optimaal recht gedaan moet worden aan individuele situaties van mensen”.

Lees ook: Iedereen vindt het erg. Maar wie is er nu schuldig?

De dienst werd aangespoord – en dan komt de commissie bij de wetgevende macht – door de politiek. Er was „een oververhitte politieke behoefte aan fraudebestrijding”. Hier wijst de commissie zowel naar het kabinet – beter: naar verschillende kabinetten – als naar het parlement. „De wetgever mag het zich aanrekenen dat zij wetgeving heeft vastgesteld die spijkerhard was en die onvoldoende de mogelijkheid in zich had om recht te doen aan individuele situaties. Zo [...] kregen noodzakelijke beginselen van behoorlijk bestuur veel te weinig aandacht van de wetgever.”

De onderzoekscommissie stipt hier overduidelijk de eigen verantwoordelijkheid van de Tweede Kamer aan. Die heeft de strenge wetgeving immers gewenst en bepaald, en heeft signalen van wanbeleid gemist of laten lopen. Dat is een verwijt dat sommige Kamerleden die de toeslagenkwestie aan de kaak hebben gesteld tot nu toe veel te ver ging. Eén van hen is Renske Leijten van de SP – lid van de ondervragingscommissie. Voorzitter Van Dam: „Dit rapport wordt door alle acht leden van de commissie van A tot Z ondersteund.”