Recensie

Recensie Boeken

Als Joods kind overleefde ze de nazi-terreur door op de juiste momenten te zwijgen

Michel Krielaars

In crisistijd maakt de een absoluut niets mee, terwijl de ander in de hel op aarde belandt. Ik besefte het toen ik het derde en laatste deel van de autobiografie van de herontdekte Deense schrijfster Tove Ditlevsen (1917-1976) las. Denemarken is daarin bezet door de Duitsers, maar Tove en haar literaire vrienden leven door alsof er niets aan de hand is, zo bevlogen zijn ze door de literatuur en de liefde. Van de nazi’s merken ze amper iets. De oorlog is voor hen niet meer dan een rimpeling in hun bestaan.

Dat het je ook anders kan vergaan, liet afgelopen week de nooit-bezorgde en nu in een archief opgedoken brief van Jules Schelvis (1921-2016) zien, die hij op 7 mei 1945 vanuit de ziekenbarak van concentratiekamp Vaihingen aan zijn oom, tante en neef Karel schreef. Hierin meldt hij dat van ‘onze zeven huisgenoten’ alleen hij is overgebleven. De anderen, onder wie zijn vrouw en schoonouders, zijn bij aankomst in Sobibor meteen vergast.

Die brief heeft een zakelijke toon, zoals Schelvis niet ontkent: ‘Ik schrijf dit alles zo koud, daar het vele, wat ik heb gezien en zelf heb meegemaakt, mij hard heeft gemaakt.’

Zijn inmiddels 90-jarige neef Karel kon die brief nu eindelijk lezen. Even werd hij erdoor teruggeworpen in de tijd.

Een vergelijkbare ervaring had de Britse kunsthistorica Jasia Reichardt (Warschau, 1936), nicht en pleegdochter van het Poolse kunstenaarsechtpaar Stefan en Franciszka Themerson. In 1988 kreeg ze van haar tante, die op sterven lag, een doos met brieven van haar moeder. Ook voor haar ging er toen een verdrongen verleden open.

Jasia besloot er een boek over te maken, dat nu als Vijftien reizen van Warschau naar Londen in vertaling is verschenen. Haar moeders brieven wisselt ze daarin af met haar eigen verhaal als Joods kind in Polen dat de nazi-terreur overleeft door op het juiste moment te zwijgen. Het was een overlevingsmiddel, zoals ze schrijft: ‘Het was tenslotte oorlog: mensen vertellen niet veel, zelfs niet aan elkaar.’

Het boek is het verslag van een zwerftocht in vijftien etappes, die ze maakt tussen 1940 en 1946, het jaar van haar aankomst in Engeland. Die reis begint met een rondleiding door de kamers van het appartement van haar ouders in Warschau. Overal kom je familieleden tegen. Haar moeder, een illustratrice van kinderboeken, en haar vader, een architect die in de sociale woningbouw werkt, zitten aan twee bureaus die naast elkaar staan. Op haar Bechstein-vleugel speelt haar moeder Chopin. Ze toont je haar kleren en haar teddybeer. En dan komt ook haar grootvader, een bekende schilder, op bezoek.

Door de oorlog wordt alles ineens anders. Aanvankelijk wil Jasia dolgraag zo’n nieuwe armband met een davidster dragen, om net zo te zijn als haar familieleden. Ineens weet ze dat ze Joods is. Ze vindt het prachtig. Maar na een gewelddadig bezoek van de Gestapo dringt het gevaar tot haar door. Over die inval schrijft ze: ‘Niemand zegt een woord, ook later niet. Over deze gebeurtenis wordt met geen woord gerept, en dit soort stilzwijgend antwoord op dergelijke voorvallen wordt onze modus vivendi.’ Als de deportaties in 1942 beginnen wordt ze uit het getto gesmokkeld. Ze leert katholieke gebeden en duikt onder. Eerst in een nonnenklooster op het platteland, daarna in een kloosterschool in Warschau. Ze heeft er een heerlijke tijd, zolang er maar niet gepraat wordt over dingen die er echt toe doen. Zwijgen blijkt goud te zijn.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.