Recensie

Recensie Boeken

Een verpletterend boek (●●●●●) over een Duitse familie in de jaren dertig, veertig en vijftig

Uwe Johnson Bijna een halve eeuw na voltooiing van deze caleidoscopische romancyclus over het Duitsland van de 20ste eeuw is er eindelijk een Nederlandse vertaling. (●●●●●)

Uwe Johnson in West-Berlijn, 1962.
Uwe Johnson in West-Berlijn, 1962. Rene Burri / Magnum / ANP

OK Google, wat is het weer in Mecklenburg? (17 december 2020: dichtbewolkt, kans op regen, later op zon, zuidelijke wind, 7 graden Celsius). OK Google, hoeveel mensen zijn overleden aan Covid-19 in Mecklenburg-Vorpommern? (109, op een bevolking van 1,6 miljoen over een oppervlakte van 23.174 vierkante kilometer; Nederland beslaat 41.543 vierkante kilometer). OK Google, hoeveel meren telt Mecklenburg? (2036 met een minimumgrootte van 0,01 vierkante kilometer, in totaal een oppervlakte van 739,8 vierkante kilometer). Hoelang is de grillige Mecklenburgse Oostzee-kust, eilanden, landtongen, baaien inbegrepen? (1.945 kilometer).

In september verscheen de eerste Nederlandse vertaling van Uwe Johnsons Jahrestage. Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl, oorspronkelijk in vier delen gepubliceerd in respectievelijk 1970, 1971, 1973 en 1983. In Duitsland geldt Uwe Johnson (1934-1984) als een ongenaakbare grootheid; volgens Günter Grass de belangrijkste naoorlogse schrijver; en de ‘dichter van het gedeelde Duitsland’. Een andere geuzennaam is ‘de Faulkner uit Mecklenburg’, vanwege de wisselende vertelstemmen. NRC noemde Johnsons Jahrestage, bij het overlijden van de auteur in 1984, ‘wellicht […] het belangrijkste Duitse literaire werk sinds 1945’. Niettemin heeft de vertaling, gerekend vanaf het eerste deel, even lang op zich laten wachten als het leven van Johnson kort was. De Engelse vertaling, overigens, verscheen toevalligerwijs ook pas twee jaar geleden, als Anniversaries.

In Jahrestage leeft Gesine Cresspahl, die eerder opdook in Johnsons debuut Mutmassungen über Jakob (1959), in het New York van 1967 met haar dochter Marie, het kind van de overleden Jakob. Jahrestage beslaat 365 dagen. De dagen in New York verlopen volgens een vast patroon; Gesine Cresspahl leest de New York Times in de metro onderweg naar de bank waar ze werkt; Marie gaat naar school bij de nonnen, ’s zaterdags nemen ze de veerboot naar Staten Island.

Tegen de achtergrond van die gemoedelijke gezinsrituelen vertelt Gesine Cresspahl over het leven en de familie die ze achterliet in Mecklenburg, beginnend in 1931 toen haar ouders elkaar ontmoetten en waar Gesine werd geboren in het jaar dat de nazi’s aan de macht kwamen, tot haar vlucht uit de DDR in de jaren vijftig. Meer dan een New Yorks dagboek is Jahrestage een kroniek van twee verwoestende decennia in Mecklenburg, in Noordoost-Duitsland, door Johnson tot in de duizelingwekkendste details beschreven. Geen stadsgenoot van de Cresspahls in Jerichow blijft verschoond van een familiegeschiedenis, geen partijruzie bij de sociaaldemocraten blijft onbecommentarieerd. Nieuwe verordeningen van de nationaalsocialisten passeren met datum, tekst en subtekst; treinverbindingen door de hele streek worden genoteerd alsof de lezer morgen een reis van Wismar naar Blankenberg en Sternberg zou willen maken. Over een keurige straat in Lübeck in 1933 schrijft Johnson: ‘Achter deze stille gordijnen vonden ze niets vreselijker dan dat Marlene Dietrich met een broek aan had opgetreden, […], niets raadzamer dan de zwart-wit-rode vlag te hijsen […].’

Nazikamp

Gevangenen, gevluchten en doden van de opeenvolgende regimes worden precies bijgehouden. Zo staat, als Gesine Cresspahl op 3 maart 1933 is geboren, kind van Heinrich Cresspahl en Lisbeth Papenbrock, de vader van de pasgeborene versuft van de wijn naast zijn zwager Horst Papenbrock: ‘Een tijdlang kon hij het beeld niet kwijtraken van Horst Papenbrock die hem in het uniform van Hitlers stormafdelingen toedronk en hem, een voor een zijn vingers buigend, iets voorrekende, als een rekenleraar die geestdriftig iets aan het bewijzen is. […] Horst Papenbrocks getallen waren de arrestaties van communistische functionarissen geweest: in Rostock 27, in Schwerin en Wismar en Güstrow elk 10, in Mecklenburg-Land 58.’

Cresspahl moet niets hebben van de sympathieën van zijn zwager, en zou het liefst zijn meubelmakerij in Engeland voortzetten, maar zijn vrouw Lisbeth wil hun dochter bij de familie in Jerichow grootbrengen. Die Lisbeth, al te vroom en wereldvreemd, gedijt evenwel slecht onder ‘de Oostenrijker’. Op den duur, schrijft Johnson, kon ‘je niet met beide tegelijk uit de voeten [...], met de leer van de kerk en met de eisen van de nazi’s.’ Eenmaal op school schenkt Cresspahl zijn Gesine een biografie van rijksluchtmaarschalk Göring, uit zelfbescherming, Johnson schrijft: ‘[…] het kind moest op school onschuldige geestdrift voor de Duitse krijgsmacht laten zien.’

Later, onder het Sovjet-regime, belandt Heinrich Cresspahl in het voormalige nazikamp Fünfeichen, waar Johnsons eigen vader om het leven kwam. De schooljaren van Gesine worden dan gedicteerd door een nieuwe kwikzilveren waarheid; de telefoon is uitgevonden door de Russen, niet door Bell; het kapitalistische Westen is een schaamteloze voortzetting van de Weimarrepubliek; bananen zorgen voor kinderverlamming; kinderen met vragen gaan naar het tuchthuis.

Dertig jaar geleden viel de Muur, wat het eind van de DDR betekende. Bleef er iets over van de Oost-Duitse identiteit? Lees ook: ‘In onze hoofden staat de Muur nog overeind’

De dagen van Gesine Cresspahl in New York beginnen vaak met een aantal statistieken uit de New York Times. Zoals op 20 september 1967: ‘De verliezen van de VS van de laatste week in Vietnam leveren een totaal op van 13.907 doden en 88.502 gewonden sinds 1 januari 1961’. Op 26 oktober 1967 meldt peilingenbureau Gallup dat zesenveertig op de honderd Amerikanen de betrokkenheid van de VS in Vietnam betreuren. Op 29 januari 1968: ‘In tien maanden tijd is in het 20ste politiedistrict, tussen de 66th en 86th Street aan de West Side van Manhattan, door bewoners aangifte gedaan van 14 moorden, 37 verkrachtingen, 552 roofovervallen, 447 maal lichamelijk letsel, 2000 inbraken, 1875 kapitale diefstallen en 371 autodiefstallen.’

Kennedy

Gesine spreekt over de Times liefkozend als tante Times, op leeftijd, koel, gedistingeerd. ‘We waarderen haar objectiviteit […] Een pietlut, ja, een warhoofd, nee.’ Het nieuws in de Times is voor Gesine het verkozen venster op de werkelijkheid, objectief en kosmopolitisch. Een oorlog in Vietnam, studentenprotesten wereldwijd, onmin tussen de Tsjecho-Slowaakse Socialistische Republiek en de Sovjetleiding, de moord op Martin Luther King en die op Robert F. Kennedy: het nieuws staat op afstand, de feiten zijn beheersbaar, terwijl haar herinneringen ongrijpbaar blijven.

‘De kat Herinnering’, zegt het kind. Gesine: ‘Ja. Onafhankelijk, onomkoopbaar, ongehoorzaam. En toch een aangename metgezel als ze zich laat zien, zelfs als ze zich buiten je bereik houdt.’ En eerder over het herinneren: ‘Juist tegen het oproepen van een gebeurtenis verzet het zich. Bij de geringste aanleiding, bij een louter gedeeltelijk overeenkomst, volstrekt uit de lucht gegrepen, levert het spontaan feiten, getallen, vreemde talen losse gebaren; maar […] verzoek het de leemte te vullen die ooit vol werkelijkheid, levensgevoel, handeling was: het zal die invulling weigeren.’ Nu barst Jahrestage van werkelijkheid en levensgevoel, en het is, inderdaad, expliciet Proustiaans.

Jahrestage is een roman voor het informatietijdperk, waarin een dorpsstraat in Mecklenburg door te lopen is met Google Street View, de weersomstandigheden en de geografie in luttele seconden op te roepen zijn, ook van exotischer oorden, informatie die een gevoel van controle en overzicht verschaffen, een geruststellende illusie van gedeelde ervaring waar Johnson niet in gelooft. Bij Johnson loopt de geschiedenis voortdurend uit de pas; en is het Zeitgeschehen in het ene oord onverenigbaar met dat in het andere.

Paniek in New York

Dat benadrukt Johnson door steeds te schakelen tussen tijd, plaats en perspectief. In november 1938, schrijft hij losjes, was er paniek in New York omdat een hoorspel van Orson Welles voor het nieuws werd gehouden, en er een ruimteschip zou zijn geland in New Jersey. In dezelfde maand in Mecklenburg liepen mensen weg uit een antisemitische propagandafilm omdat die te tam werd gevonden.

Die ervaring, dat het verhaal en de geschiedenis van een andere plek tot op zekere hoogte altijd ontoegankelijk blijft, wordt versterkt door de eindeloze vertakkingen en de enorme omvang van Jahrestage. Die kunnen het hallucinante gevoel bezorgen dat Johnson altijd meer families in Mecklenburg had kunnen vinden om over te schrijven, allemaal met hun eigen politieke vooringenomenheden en favoriete meren om in te zwemmen. De jaren dertig en veertig in Mecklenburg voelen in Jahrestage als een peilloze diepte. Hoe uitputtend Johnson de twee decennia ook neerzet, volledig is hij niet.

Lees ook: De bizarre seksuele honger van Duitsers in de naoorlogse jaren

Zelf had Johnson ook moeite zijn project af te hechten. Hij deed het langst over het vierde deel; sommige verhaallijnen zijn wat gekunsteld afgerond. Bovendien worden de dagen van het schoolgaande kind Gesine in het vierde deel grotendeels bepaald door de onnavolgbare logica van de stalinisten, waarin het verband tussen oorzaak en gevolg voor de kinderen van toen al obscuur was, en voor de lezer van nu niet minder.

Dictatuur

Voor uitgeverij Van Oorschot werd Jahrestage vertaald door Marc Hoogma, een liefhebber, geen professionele vertaler, die het schonkige maar subtiele Noord-Duits van Johnson heel precies in het Nederlands laat doorklinken. Ook de toon van Johnson, steeds onderkoeld, bijna alsof hij tegen wil en dank vertelt, is in de vertaling behouden.

Gesine Cresspahl blijft een Mecklenburgse in New York, sceptisch over de televisie en eindeloze reclames. Volgens haar omgeving heeft ze er nog steeds geen genoeg van ‘de beloftes van het socialisme letterlijk op te vatten’. Ja, ze werkt voor een bank, en ze demonstreert niet tegen de troepen in Vietnam – zou zij na twee dictaturen nog denken dat de geschiedenis zich iets van haar aantrekt? Over een Oost-Duitse acteur in exil, die terugkeert naar Oost-Duitsland omdat de DDR tenminste niet betrokken is bij de Amerikaanse oorlog in Vietnam of de onderdrukking van de zwarte bevolking in de VS, wordt spottend geconstateerd: ‘Als de misdaden van een land op je geweten drukken, ga je gewoon naar een ander land.’

Marie is een ‘Amerikaantje’, vol van de Kennedy’s, snakkend naar een televisie, op school, meer dan door haar moeder, doordrongen van het gevaar dat de communisten vormen, hartgrondig tegen de Vietnam-oorlog. Het is een innig duo, zoals Johnson ze schetst, steeds met elkaar in gesprek als gelijken. Veel psychologische diepte heeft Johnson ze niet gegeven; alsof Johnson wilde laten zien dat de persoonlijke overtuigingen en emoties van Gesine er niet bepaald toe doen, na een jeugd onder de dictaturen. Die hebben haar onbewogen en vlak gesleten, glad als de kiezels aan de Oostzeekust.