Hoe Le Carrés ossen tot bouillon werden vermalen

Verfilmingen John le Carré Eigenlijk vond de 13 december overleden John le Carré zijn romans geschikter voor tv-series dan voor films. Hij hield afstand bij verfilmingen, maar dat kostte moeite.

Richard Burton als Alec Leamas in ‘The Spy Who Came In From the Cold’.
Richard Burton als Alec Leamas in ‘The Spy Who Came In From the Cold’. Foto ANP

„Ik zag personages over wie ik jarenlang liefdevol schreef zomaar in bordkarton veranderen. Ik zag tweedimensionale wegwerppersonages uit de verste uithoek van romans magisch transformeren tot iets grandioos.”

Dat schreef John le Carré, alias David Cornwell, 13 december op 89-jarige leeftijd overleden, over zijn boekverfilmingen. Zijn spionageromans leverden tien speelfilms en zes series op. Le Carré schreef dat hij door schade en schande had geleerd afstand te houden. De romancier die als waakhond een scriptvergadering binnenwandelt verspilt zijn tijd: een boek eist talloze uren geduldig lezen, een film honderd minuten ongeduldig kijken. Een heel andere tak van sport dus. Maar, zo bekende Le Carré tegen Bas Heijne in NRC: dat was niet gemakkelijk. Als schrijver „sterf je meestal een beetje” bij een verfilming. Elders noemde hij het „toekijken hoe jouw os tot bouillonblokjes wordt vermalen”.

Lees ook: ‘Le Carré weet altijd wat er speelt’, een interview met de regisseur van ‘Our Kind of Traitor’

Cameo’s

Le Carré was te veel gentleman om ongemak al te openlijk te ventileren. Na 2010, toen er nog twee speelfilms en twee tv-series zouden volgen, was dat al helemaal uitgesloten: die werden geproduceerd door filmbedrijf The Ink Factory van zijn twee zonen, Stephen en Simon Cornwell. Zelf stond hij dan op de titelrol als ‘executive producer’ en deed hij cameo’s: korte optredens. In Our Kind of Traitor (2016) had hij als museumsuppoost zelfs tekst: in het Duits, met Zwitsers accent. Die dialoog sneuvelde bij de montage.

Maar of Le Carré veel warmte voelde voor Anton Corbijns „inktzwarte” bewerking van A Most Wanted Man, in 2014 lauw ontvangen? Corbijn vroeg hem soms advies en soms niet, aldus Le Carré. Dat „respecteerde hij”. Dat klonk wat stroef, al stelde Le Carré ook dat acteur Philip Seymour Hoffmann als Duitse veiligheidsagent Bachmann die door de CIA omver wordt gewalst bij het rekruteren van een moslimextremist „de kern van de roman had geraakt”.

John le Carré schreef vaak met een mix van berusting en onderhuidse irritatie over de filmwereld. Scenaristen die zijn romans bewerkten zagen het als taak om – zo ving hij ooit op – „de vliegenpoep uit de peper te zeven”. Soms gaven ze toe aan de verleiding om er hun eigen hang-ups of nooit voltooide roman bij te voegen, zelden met opbeurend resultaat. Ook had Le Carré veel ervaring met de ‘Grote Onopgehelderde Stilte’ die doorgaans kwam na de ‘Eerste Roes’: ze gaan mijn boek verfilmen! Dan volgde in Hollywood de stille dans van advocaten, agenten, scriptversies, geldschieters, regisseurs en acteurs, waarna een project soms spoorloos verdween in ‘development hell’.

Richard Burton

Le Carrés eerste verfilming – The Spy Who Came In From the Cold (1965) – was niettemin „een onverwachts milde vuurdoop”, schreef hij: een hitfilm die voortleeft als spionageklassieker. Le Carré, toen 32 jaar en diplomaat in Bonn, lunchte in het chique Connaught Grill in officieel tenue met regisseur Martin Ritt, een linkse activist met arbeiderspet die de onervaren schrijver de filmrechten voor een prikje ontfutselde.

Voor Le Carré was het al heel wat dat Ritt, een slachtoffer van McCarthy’s zwarte lijst die niet langer in het communisme geloofde, zijn plot over perfide Britse intriges rond de uitgebluste bureauchef Alec Leamas zo trouw volgde. Leamas doet zich voor als overloper om de perfide Stasi-chef Mundt ten val te brengen via desinformatie, maar diens idealistische, argwanende rechterhand Fiedler blijkt het ware doelwit: de vileine Mundt is een Britse informant.

Le Carré, inmiddels diplomaat-af, werd in 1964 naar de filmset in Dublin ontboden om aan dialogen te schaven en te bemiddelen tussen hoofdrolspeler Richard Burton en regisseur Ritt, die de acteur een wufte, wispelturige slampamper vond. Ook tijdens de opnames hield Le Carré Burton gezelschap: of hij al pimpelend diens drankinname wat kon inperken? Volgens Le Carré hield Burton zijn eega Elizabeth Taylor en entourage op afstand om ‘in karakter’ te blijven als verlopen, eenzame Alec Leamas met een fles goedkope whisky in zijn regenjas. Omringd door vreemden en de afkeurende, strenge Ritt speelde Burton een fraai vervreemde, desperate rol.

Een loodzware, opwindende ervaring, aldus Le Carré – maar er volgde direct een koude douche. Toen Sidney Lumet in 1967 zijn Call for the Dead verfilmde als The Deadly Affair had hij geen behoefte aan contact of advies. Le Carré at een komkommersandwich met acteur James Mason, dat was het wel; er kwam geen uitnodiging voor de première. Zo kon het dus ook.

George Smiley

Zelfs over die – vrij matige – film was Le Carré discreet. Alleen de naakte Scandinavische actrice stond hem bij; zonder dat had je anno 1967 geen film. Hij moet zich wel hebben geërgerd aan Mason als spionnenmeester George Smiley, held in vier, marionettenspeler in zes andere romans. In The Deadly Affair legt spion Dieter Frey het aan met Smileys serieel overspelige, aristocratische eega Ann Sercombe, zodat Smiley gaat twijfelen of hij Frey niet verdenkt dubbelspion te zijn omdat hij gewoon jaloers is. Ook in Le Carrés romans was Smiley een seksueel inadequate, ongemakkelijke sociale klimmer, maar toch niet van dit huilerige, stampvoetende snit.

Ging het om de bedaagde, mollige bureaucraat George Smiley, dan was Le Carré werkelijk enthousiast over de vertolking van Alec Guinness in BBC-miniserie Tinker Tailor Soldier Spy (1979). De roman uit 1974, die termen als ‘mol’ en ‘honey trap’ bij het grote publiek introduceerde, was geïnspireerd op de ‘Cambridge Five’: KGB-spionnen in de Engelse elite. Kim Philby’s vlucht naar Moskou betekende in 1963 het eind van Le Carrés loopbaan als spion.

Alec Guinness maakte van Smiley op jacht naar de mol in de top van MI6 een gereserveerde, droevige anti-James Bond. Een professoraal type dat zijn hoornen bril met zijn stropdas schoonwrijft, licht voorover gebogen onder het gewicht van zijn emotionele verraad in dienst van de natie en de persoonlijke decepties waarvan zijn Sovjetrivaal ‘Karla’ zo vilein misbruik maakte. John le Carré zag de BBC-serie indertijd met de voltallige top van Mi5 en Mi6, die net zo in vervoering was als hijzelf. Geen wonder, want Le Carré schreef over spionage vanuit de optiek van M, die drankorgels en losgeslagen kanonnen van het type 007 routineus opoffert voor het landsbelang. Dat leverde wrange, introspectieve en labyrintische plots op die volgens Le Carré eigenlijk geschikter waren voor tv-series dan voor speelfilms. Daar had hij wel gelijk in.