Opinie

Uitstel op uitstel toont hoe ondoordacht en ongeleid Brexit was

brexit

Commentaar

Wie de tel inmiddels is kwijtgeraakt zij vergeven; zondag verliep het zoveelste ‘make or break’-moment in de onderhandelingen over de voorwaarden waaronder het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaat. Voorzitter Von der Leyen van de Europese Commissie en de Britse premier Johnson lieten weten dat er nog perspectief is om te onderhandelen voordat Brexit vanaf 31 december definitief ingaat.

Er zijn sinds het Britse referendum over het lidmaatschap van de Europese Unie al 4,5 jaar verstreken. Het land had al tweemaal verkiezingen en is, inclusief David Cameron, aan zijn derde premier bezig. Er is al die tijd onderhandeld en nóg komt het neer op de aller-, allerlaatste krijtrotshanger.

Dat is riskant. Niet alleen weet het bedrijfsleven nu tot op drie weken, of straks misschien maar één week, één dag of zelfs de laatste luttele minuten van Oudejaarsdag niet waar het aan toe is: een afscheid met goede afspraken of een harde Brexit zónder.

De eindeloze reeks van uitgestelde deadlines kan bij ondernemers ook hebben gezorgd voor Brexit-moeheid. Terwijl de autoriteiten aan beide kanten met hun havens, douanefaciliteiten, keuringen en parkeergelegenheid al moeite genoeg hebben om de deadline te halen, is het begrijpelijk dat vooral kleinere bedrijven in de wachtstand zijn gegaan. Het is lastig de spanningsboog zo lang vast te houden, temeer omdat de coronacrisis zelf al zoveel energie en financiële reserves heeft opgeëist. Zo kan het straks zomaar gebeuren dat iedereen alsnog verrast is, en de chaos groot. Zelfs áls er een deal komt.

De overeenkomst hangt nu, naast visserij, vooral op het handhaven van een ‘gelijk speelveld’ voor het bedrijfsleven. De eis van de EU dat Britse bedrijven zich zullen moeten houden aan de Europese normen voor bijvoorbeeld milieu, arbeidsvoorwaarden en staatssteun om volledig toegang te houden tot de gemeenschappelijke markt, is redelijk en begrijpelijk.

Dat betekent ook dat het VK in de toekomst noodzakelijkerwijs mee moet doen met veranderingen in die normen en regels. Ja, dit kan vanuit Londen worden gezien als een inbreuk op de Britse soevereiniteit. Maar juist de weerzin tegen het mee moeten doen met beleid waar het land geen invloed op had, was nu nét de voornaamste reden waarom het Verenigd Koninkrijk in 1973 tot de Europese Gemeenschap toetrad.

Johnson heeft intussen onnodig twijfel gezaaid over zijn betrouwbaarheid door een, inmiddels weer ingetrokken, wetsvoorstel waarin het VK zich in de toekomst niet gehouden acht aan de gemaakte afspraken rond Noord-Ierland. Het gevolg is dat een argwanend Brussel de deal nu extra goed dichttimmert.

De economische schade wordt groot. Brexit mét een deal kost het VK volgens verschillende berekeningen op termijn zo’n 5 procent van zijn welvaart. Een No Deal kost 8 procent. Daarmee komt de schade vermoedelijk veel hoger uit dan die van de pandemie – en komt daar dus nog bovenop.

De hele gang van zaken onderstreept niet alleen dat Brexit een onverstandig project is. Dat is onfortuinlijk, maar is het goede recht van het VK. Maar de lange duur en wispelturigheid van de onderhandelingen geven ook aan hoe ondoordacht en ongeleid het avontuur van begin af aan was, hoe wankel het politieke en maatschappelijke fundament, en hoe verrast Londen telkens is geweest over de consequenties. Dat is en blijft, ook tegenover de Britse burgers, onvergeeflijk.